DiversaMente › Cijfers › ADHD, autisme en werk in cijfers

Cijferoverzicht

ADHD, autisme en werk in Nederland in cijfers

Over ADHD, autisme en werk circuleren percentages die elkaar tegenspreken. Dat komt niet doordat een van de cijfers fout is, maar doordat ze iets anders meten: een enquete onder de bevolking, een vrijwillig register, een huisartsregistratie of een diagnostisch interview geven vier verschillende antwoorden op dezelfde vraag. Op deze pagina staan de Nederlandse cijfers die wij zelf bij de bron hebben opgevraagd en nagelezen, met per getal de meetmethode, de populatie, het aantal deelnemers en het meetjaar. Waar twee bronnen elkaar tegenspreken, staan ze naast elkaar.

Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.

46% tot 60%aandeel met betaald werk bij autisme, zes metingen

Het aandeel mensen met autisme dat betaald werk heeft loopt in Nederlandse bronnen van 46 procent tot 60 procent, afhankelijk van de meetmethode, de leeftijdsgrenzen en het meetjaar. De laagste en hoogste uitkomst komen uit hetzelfde register.

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2017 (46 procent) en NAR gekoppeld aan CBS-microdata (60 procent in 2022)

58,2%25- tot 65-jarigen met autisme, 2022/2024

In de Gezondheidsenquete gaf 58,2 procent van de 25- tot 65-jarigen met een zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis aan werkende te zijn met betaald werk of een eigen bedrijf, tegenover 81,8 procent van de mensen zonder autisme.

Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (Gezondheidsenquete 2022/2024)

55 personenADHD-groep in de enige Nederlandse meting, 2007-2009

Het enige Nederlandse cijfer over betaald werk bij ADHD komt uit een groep van 55 personen in NEMESIS-2: 67,7 procent had betaald werk tegenover 82,8 procent van de volwassenen zonder ADHD. Het rapport noemt dat verschil niet significant.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

50,1%chronische psychische aandoening, 30 tot 65 jaar, 2019-2022

Van de mensen bij wie de huisarts een chronische psychische aandoening had vastgelegd, was 50,1 procent vier jaar onafgebroken zonder betaald werk, tegenover 16,4 procent in de hele onderzoekspopulatie. Dit cluster bestaat uit dementie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking, en dus niet uit ADHD of autisme.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), figuur 3.2.1

Deel 1

Dezelfde vraag, zes metingen, zes antwoorden

De vraag hoeveel mensen met autisme betaald werk hebben, is in Nederland op zes manieren gemeten. Een bevolkingsenquete met zelfrapportage, een vrijwillig register, dat register gekoppeld aan CBS-microdata met een gematchte vergelijkingsgroep, en een richtlijn die zich op internationaal onderzoek baseert. De uitkomsten verschillen met een factor die groter is dan het verschil tussen mannen en vrouwen binnen een enkele meting.

58,2%25- tot 65-jarigen met autisme, enquete, 2022/2024

In de Gezondheidsenquete omschreef 58,2 procent van de 25- tot 65-jarigen met een zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis zich als werkende met betaald werk of een eigen bedrijf. Bij mannen was dat 64,1 procent en bij vrouwen 46,5 procent.

Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (Gezondheidsenquete 2022/2024)

49,4%deelnemers Nederlands Autisme Register, n=1.308, 2022

Van de 1.308 volwassenen met autisme die in 2022 de vragenlijst van het Nederlands Autisme Register invulden, had 49,4 procent betaald werk en 50,6 procent niet.

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2022, figuur 1.3

46%deelnemers Nederlands Autisme Register, n=782, 2017

In de meting van 2017 onder 782 deelnemers van 16 jaar en ouder had 46 procent van de volwassen groep betaald werk en dus inkomen uit arbeid.

Bron: Nederlands Autisme Register, factsheet meting 2017

60%NAR-deelnemers gekoppeld aan CBS-microdata, 2022

In de koppeling van het Nederlands Autisme Register aan CBS-microdata had 60 procent van de deelnemers in 2022 betaald werk, tegenover 77 procent in een op geslacht, leeftijd, opleiding en geboorteland gematchte CBS-vergelijkingsgroep.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

12% tot 40%internationaal onderzoek, aangehaald in 2014

De richtlijn Autismespectrumstoornissen bij volwassenen noemt een internationale bandbreedte van 12 tot 40 procent van de volwassenen met autisme dat deelneemt aan reguliere arbeid, en stelt daarbij vast dat goede Nederlandse data over arbeidsparticipatie ontbreken.

Bron: Richtlijnendatabase (Federatie Medisch Specialisten), Arbeidshulpverlening bij ASS bij volwassenen, module 30-09-2014, op basis van Gezondheidsraad 2009

22,5%25- tot 65-jarigen met autisme, 2022/2024

Van de 25- tot 65-jarigen met autisme omschreef 22,5 procent zichzelf als arbeidsongeschikt, tegenover 5,8 procent van de mensen zonder autisme. Dit is een zelfomschrijving in een enquete en geen toegekende uitkering.

Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (Gezondheidsenquete 2022/2024)

67,7%volwassenen met ADHD, 18 tot 44 jaar, n=55, 2007-2009

Bij ADHD bestaat maar een Nederlands arbeidsparticipatiecijfer: 67,7 procent van de 55 volwassenen met ADHD in NEMESIS-2 had betaald werk, tegenover 82,8 procent van de 3.254 volwassenen zonder ADHD. De odds ratio voor geen betaald werk was 2,2 met een betrouwbaarheidsinterval van 0,7 tot 6,9, dus niet significant.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

Aandeel mensen met autisme met betaald werk volgens zes Nederlandse bronnen, met per bron de meetmethode, de populatie, het aantal deelnemers en het meetjaar.

BronMeetmethodePopulatieAantal deelnemersMeetjaarMet betaald werk
NAR gekoppeld aan CBS-microdatavrijwillig register, gematchte CBS-vergelijkingsgroepdeelnemers Nederlands Autisme Registerniet gepubliceerd202260%
CBS Gezondheidsenquetebevolkingsenquete, zelfrapportage van de diagnose25- tot 65-jarigen met autismeniet gepubliceerd2022/202458,2%
NAR gekoppeld aan CBS-microdatavrijwillig register, gematchte CBS-vergelijkingsgroepdeelnemers Nederlands Autisme Registerniet gepubliceerd202155%
NAR gekoppeld aan CBS-microdatavrijwillig register, gematchte CBS-vergelijkingsgroepdeelnemers Nederlands Autisme Registerniet gepubliceerd201951%
NAR-rapportage 2022vrijwillig zelfrapportageregistervolwassen deelnemers met autisme1.308202249,4%
CBS Gezondheidsenquete, vrouwenbevolkingsenquete, zelfrapportage van de diagnosevrouwen van 25 tot 65 jaar met autismeniet gepubliceerd2022/202446,5%
NAR-factsheet 2017vrijwillig zelfrapportageregisterdeelnemers van 16 jaar en ouder782201746%
Richtlijn ASS bij volwasseneninternationaal onderzoek, reguliere arbeidvolwassenen met autismeniet gepubliceerd200912% tot 40%

Bron: CBS Gezondheidsenquete, Nederlands Autisme Register (rapportages 2017 en 2022 en de CBS-koppeling) en Richtlijnendatabase; de bron per rij staat in de eerste kolom

De rijen in deze tabel zijn niet onderling uitwisselbaar. De CBS-cijfers gaan over 25- tot 65-jarigen die zelf aangeven autisme te hebben, de NAR-cijfers over mensen die zich vrijwillig in een register hebben laten inschrijven, en het cijfer uit de richtlijn over internationaal onderzoek van voor 2009. Het hoogste en het laagste cijfer komen allebei uit het Nederlands Autisme Register.

Deel 2

Wat de Gezondheidsenquete meet: positie op de arbeidsmarkt

Het CBS vroeg in de Gezondheidsenquete van 2022 en 2024 welke omschrijving het best bij iemand past. De uitkomst is dus een zelfomschrijving van de maatschappelijke positie, niet een registratie van banen of uitkeringen. De diagnose is in deze enquete ook zelfgerapporteerd.

46,5% om 64,1%vrouwen om mannen met autisme, 25 tot 65 jaar, 2022/2024

Van de vrouwen van 25 tot 65 jaar met autisme omschreef 46,5 procent zich als werkende, tegenover 64,1 procent van de mannen met autisme. Bij mensen zonder autisme was dat 76,5 procent van de vrouwen en 87,2 procent van de mannen.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, 2022/2024

23,6 procentpuntverschil met en zonder autisme, 25 tot 65 jaar, 2022/2024

Het verschil in het aandeel werkenden tussen mensen met en zonder autisme is 23,6 procentpunt bij de totale groep, 23,1 procentpunt bij mannen en 30,0 procentpunt bij vrouwen.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, 2022/2024

26,4%vrouwen met autisme, 25 tot 65 jaar, 2022/2024

Van de vrouwen van 25 tot 65 jaar met autisme omschreef 26,4 procent zichzelf als arbeidsongeschikt, tegenover 20,6 procent van de mannen met autisme en 6,7 procent van de vrouwen zonder autisme.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, 2022/2024

6,6%25- tot 65-jarigen met autisme, 2022/2024

Van de 25- tot 65-jarigen met autisme omschreef 6,6 procent zichzelf als werkloos, tegenover 3,0 procent van de mensen zonder autisme. Bij mannen met autisme was dat 8,1 procent en bij vrouwen met autisme 3,7 procent.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, 2022/2024

74,1%mensen van 12 jaar en ouder met autisme, 2022/2024

Van de mensen van 12 jaar en ouder met autisme had 74,1 procent in de vier weken voor het interview angst- of depressiegevoelens, tegenover 42,6 procent van de mensen zonder autisme. Bij vrouwen met autisme was dat 82,3 procent.

Bron: CBS, Angst- of depressiegevoelens bij autismespectrumstoornis, 2022/2024

16,7 om 3,6procentpunt verschil, arbeidsongeschikt om werkloos, 2022/2024

Het aandeel dat zich arbeidsongeschikt noemt verschilt met 16,7 procentpunt tussen mensen met en zonder autisme, terwijl het aandeel dat zich werkloos noemt maar 3,6 procentpunt verschilt. Het verschil in arbeidsmarktpositie zit dus niet in werkloosheid.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, 2022/2024

Zelfomschreven maatschappelijke positie van 25- tot 65-jarigen met en zonder een zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis, 2022/2024 (percentages).

Positie en groepTotaalMannenVrouwen
Werkend, hele bevolking81,3%86,5%76,1%
Werkend, met autisme58,2%64,1%46,5%
Werkend, zonder autisme81,8%87,2%76,5%
Werkloos, hele bevolking3,1%3,2%2,9%
Werkloos, met autisme6,6%8,1%3,7%
Werkloos, zonder autisme3,0%3,1%2,9%
Arbeidsongeschikt, hele bevolking6,1%5,2%7,0%
Arbeidsongeschikt, met autisme22,5%20,6%26,4%
Arbeidsongeschikt, zonder autisme5,8%4,8%6,7%

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, Gezondheidsenquete 2022/2024

De drie posities in deze tabel tellen per groep niet op tot 100 procent, omdat het CBS ook andere omschrijvingen onderscheidt, zoals scholier of student, huisman of huisvrouw en gepensioneerd. De aantallen respondenten per cel zijn niet gepubliceerd. De verschillen in procentpunten die in deze paragraaf worden genoemd, zijn aftreksommen van de cijfers in deze tabel en staan niet als zodanig in de bron.

Deel 3

Het register meet een andere groep dan de enquete

Het Nederlands Autisme Register is geen steekproef maar een vrijwillig register: mensen schrijven zich zelf in en vullen jaarlijks een vragenlijst in. Wie zich inschrijft, wijkt af van de bevolking. In de meting van 2022 lag het geschatte IQ bij ruim zeven op de tien deelnemers boven het gemiddelde en was zes op de tien deelnemers vrouw, terwijl autisme in bevolkingsonderzoek juist vaker bij mannen wordt gerapporteerd.

60,6%deelnemers NAR-meting, n=1.308, 2022

Van de 1.308 volwassen deelnemers aan de NAR-meting 2022 was 60,6 procent vrouw en 39,4 procent man. De gemiddelde leeftijd was 46 jaar, bij vrouwen 43 jaar en bij mannen 51 jaar.

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2022, figuren 1.1 en 1.2

71,1%deelnemers NAR-meting, n=1.308, 2022

Bij 71,1 procent van de deelnemers lag het geschatte IQ boven het gemiddelde: 22,8 procent hoogbegaafd en 48,3 procent bovengemiddeld tot begaafd. Nog 0,7 procent had een geschat IQ onder de 71.

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2022, figuur 1.4

6,7waardering werksituatie, schaal 1 tot 10, 2022

Deelnemers waardeerden hun werksituatie gemiddeld met een 6,7 op een schaal van 1 tot 10. Hun woonsituatie kreeg een 7,6 en het algemeen welbevinden een 6,2 op dat moment en een 6,0 in het algemeen.

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2022, figuren 1.2, 1.3 en 1.5

39% om 26%mannen om vrouwen, inkomen uit arbeid als eerste bron, 2017

In de meting van 2017 was inkomen uit arbeid voor 39 procent van de mannen en 26 procent van de vrouwen met autisme de belangrijkste inkomstenbron. Het inkomen van de partner stond bij 6 procent van de mannen en 22 procent van de vrouwen op de eerste plaats.

Bron: Nederlands Autisme Register, factsheet meting 2017, figuur 1.12

40% om 37%werk passend qua niveau om qua inhoud, 2017

Van de deelnemers in 2017 vond 40 procent het werk helemaal passend bij het opleidingsniveau en 37 procent helemaal passend qua inhoud. In beide gevallen vond 29 procent het werk niet passend en 32 procent gedeeltelijk passend.

Bron: Nederlands Autisme Register, factsheet meting 2017, figuur 1.14

59%deelnemers met een hulpvraag, n=782, 2017

Van de volwassen deelnemers had 59 procent in het voorgaande jaar vanwege autisme een hulpvraag aan een zorgaanbieder. Zij zochten hulp bij psychische klachten, bij het omgaan met autisme en bij hun functioneren op school of werk. Begeleiding bij het vinden of behouden van werk staat in die meting op de vijfde plaats van levensgebieden waarop begeleiding plaatsvond.

Bron: Nederlands Autisme Register, factsheet meting 2017, figuur 1.22

Geschat IQ van de 1.308 volwassen deelnemers aan de NAR-meting 2022. Deze verdeling laat zien hoe sterk een vrijwillig register kan afwijken van de bevolking.

Geschat IQAandeel van de deelnemers
Hoogbegaafd (IQ boven 130)22,8%
Bovengemiddeld tot begaafd (IQ 116 tot en met 130)48,3%
Gemiddeld (IQ 86 tot en met 115)19,9%
Beneden gemiddeld tot moeilijk lerend (IQ 71 tot en met 85)8,4%
Licht verstandelijk beperkt (IQ 56 tot en met 70)0,6%
Licht tot matig verstandelijk beperkt (IQ 40 tot en met 55)0,1%
Ernstig verstandelijk beperkt (IQ lager dan 40)0,0%

Bron: Nederlands Autisme Register, rapportage 2022, figuur 1.4, n=1.308

Het aandeel van 71,1 procent met een bovengemiddeld geschat IQ is de som van de eerste twee rijen van deze tabel en staat niet als zodanig in de bron, net als het aandeel van 0,7 procent onder de 71. In dezelfde meting woonde het grootste deel van de deelnemers zelfstandig: 605 met een partner of kinderen zonder woonbegeleiding en 446 zelfstandig alleen. Daarnaast woonden 106 deelnemers zelfstandig met een aantal uur woonbegeleiding, 89 bij ouders of familie, 28 in een woonvorm met begeleiding en 8 in een zorginstelling.

Deel 4

Het register naast een gematchte vergelijkingsgroep

Om de selectiviteit van het register deels te ondervangen, is het Nederlands Autisme Register gekoppeld aan CBS-microdata uit de Enquete Beroepsbevolking en de inkomensstatistiek. Daarbij is een CBS-vergelijkingsgroep samengesteld met hetzelfde aandeel vrouwen, dezelfde gemiddelde leeftijd, hetzelfde opleidingsniveau en hetzelfde geboorteland. Het verschil in betaald werk blijft dan bestaan, maar wordt kleiner dan in de losse rapportages.

60% om 77%NAR om gematchte CBS-groep, 2022

In 2022 had 60 procent van de NAR-deelnemers betaald werk, tegenover 77 procent in de gematchte CBS-vergelijkingsgroep. Dat is een verschil van 17 procentpunt.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

27 procentpuntverschil NAR en CBS, 2019

In 2019 was het verschil het grootst: 51 procent van de NAR-deelnemers had betaald werk tegenover 78 procent in de CBS-groep, een verschil van 27 procentpunt.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

52% om 72%NAR om gematchte CBS-groep, 2020

In 2020 daalde het aandeel met betaald werk in de CBS-vergelijkingsgroep van 78 naar 72 procent, terwijl het bij de NAR-deelnemers van 51 naar 52 procent ging. Het verschil tussen de groepen was dat jaar het kleinst van de hele reeks op 2022 na.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

13% om 62%bruto huishoudinkomen boven 70.000 euro, NAR om CBS, 2021

Bij een bruto huishoudinkomen boven de 70.000 euro per jaar is het verschil nog groter: 13 procent van de NAR-deelnemers tegenover 62 procent in de CBS-groep, bijna vijf keer zoveel. Het huishoudinkomen is daarbij gecorrigeerd voor huishoudgrootte.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand inkomen.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

64%hoogopgeleid in beide gematchte groepen, 2022

In de koppeling van 2022 was 64 procent van de deelnemers in beide groepen hoogopgeleid, 57 procent vrouw, de gemiddelde leeftijd 47 jaar en 85 procent met zichzelf en beide ouders in Nederland geboren.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

87%bruto huishoudinkomen onder 70.000 euro, NAR-deelnemers, 2021

Van de NAR-deelnemers had 87 procent een bruto huishoudinkomen onder de 70.000 euro per jaar, tegenover 38 procent in de gematchte CBS-groep. In de inkomensvergelijking was 56 procent van de deelnemers vrouw en de gemiddelde leeftijd 50 jaar.

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand inkomen.json bij het NAR-CBS-dashboard Werk en Inkomen

Aandeel met betaald werk onder deelnemers van het Nederlands Autisme Register en in een gematchte CBS-vergelijkingsgroep, 2019 tot 2022, met de kenmerken waarop is gematcht.

JaarNAR met betaald werkCBS met betaald werkVerschilAandeel vrouwenGemiddelde leeftijdHoogopgeleid
201951%78%27 procentpunt54%47 jaar61%
202052%72%20 procentpunt58%46 jaar58%
202155%78%23 procentpunt56%50 jaar62%
202260%77%17 procentpunt57%47 jaar64%

Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het NAR-CBS-dashboard, op basis van de Enquete Beroepsbevolking nieuwe reeks 2003-2022

De kolom verschil is een aftreksom van de twee kolommen ervoor en staat niet als zodanig in de bron. De kenmerken in de laatste drie kolommen gelden voor beide gematchte groepen tegelijk. Onder geen betaald werk vallen in deze koppeling ook studenten, gepensioneerden, huisman of huisvrouw en vrijwilligers, dus niet alleen werklozen en arbeidsongeschikten.

Deel 5

Bij ADHD staat alles op een groep van 55 personen

Voor ADHD en werk bestaat in Nederland een enkele meting met een diagnostisch interview. In NEMESIS-2 is bij 3.309 respondenten van 18 tot en met 44 jaar ADHD in de volwassenheid vastgesteld bij 55 personen, oftewel 2,1 procent. ADHD in de kindertijd kwam voor bij 74 personen, oftewel 2,9 procent. Alle uitspraken over werk bij ADHD in dit rapport rusten op die 55 personen, en het rapport zelf noemt het verband met de werksituatie niet significant.

32,3% om 17,2%geen betaald werk, met om zonder ADHD, n=55, 2007-2009

Van de volwassenen met ADHD had 32,3 procent geen betaald werk, tegenover 17,2 procent van de volwassenen zonder ADHD. Na correctie voor geslacht en leeftijd geeft dat een odds ratio van 2,2 met een betrouwbaarheidsinterval van 0,7 tot 6,9, dus het verschil is niet significant.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

8,4odds ratio laag inkomen, 95% BI 2,9 tot 24,0

Wat wel significant samenhing met ADHD was inkomen: 72,2 procent van de volwassenen met ADHD had een laag huishoudinkomen tegenover 32,9 procent zonder ADHD, met een odds ratio van 8,4 en een betrouwbaarheidsinterval van 2,9 tot 24,0.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

7,0odds ratio lager onderwijs, 95% BI 1,7 tot 28,5

Ook opleiding hing significant samen met ADHD: volwassenen met lager onderwijs als hoogst behaalde opleiding hadden een odds ratio van 7,0 vergeleken met hoger opgeleiden, met een betrouwbaarheidsinterval van 1,7 tot 28,5.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

34,2%volwassenen met ADHD, n=55, 2007-2009

Van de volwassenen met ADHD zei 34,2 procent in de afgelopen twaalf maanden zeer ernstige of ernstige beperkingen te hebben ervaren op minimaal een van vier terreinen: het huishouden, het vermogen om te werken, het vormen van hechte vriendschappen en de sociale contacten.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), paragraaf 3.1.4

61,9% om 40,9%zonder partner, met om zonder ADHD, n=55, 2007-2009

Van de volwassenen met ADHD woonde 61,9 procent zonder partner, tegenover 40,9 procent zonder ADHD. Ook dit verschil was niet significant, met een odds ratio van 1,7 en een betrouwbaarheidsinterval van 0,6 tot 4,8.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

35,2% om 11,2%zorggebruik in 12 maanden, met om zonder ADHD, 2007-2009

Van de volwassenen met ADHD maakte 35,2 procent in de afgelopen twaalf maanden gebruik van enigerlei zorgvoorziening vanwege psychische, alcohol- of drugsproblemen, tegenover 11,2 procent van de volwassenen zonder ADHD, oftewel 5,1 keer zoveel kans.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), paragraaf 3.1.4

Achtergrondkenmerken van volwassenen met en zonder ADHD in de volwassenheid, 18 tot en met 44 jaar, in gewogen percentages met odds ratios gecorrigeerd voor geslacht en leeftijd (2007-2009).

KenmerkZonder ADHD (n=3.254)Met ADHD (n=55)Odds ratio (95% BI)
Man49,9%71,8%referentie
Vrouw50,1%28,2%0,4 (0,2 tot 0,8)
Lager onderwijs5,2%13,6%7,0 (1,7 tot 28,5)
LBO of MAVO21,6%39,7%4,5 (1,8 tot 11,2)
MBO, HAVO of VWO44,0%36,4%2,2 (0,9 tot 5,9)
HBO of universiteit29,2%10,3%referentie
Met partner59,1%38,1%referentie
Zonder partner40,9%61,9%1,7 (0,6 tot 4,8)
Betaald werk82,8%67,7%referentie
Geen betaald werk17,2%32,3%2,2 (0,7 tot 6,9)
Laag huishoudinkomen32,9%72,2%8,4 (2,9 tot 24,0)
Midden huishoudinkomen43,3%22,4%2,1 (0,7 tot 6,3)
Hoog huishoudinkomen23,8%5,5%referentie

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.4

Het rapport schrijft letterlijk dat woonsituatie, werksituatie en urbanisatiegraad niet significant gerelateerd waren aan het voorkomen van ADHD in de volwassenheid, en dat er wel trends in de verwachte richting zichtbaar waren. Opleiding, inkomen, geslacht en leeftijd waren wel significant. De auteurs noemen de prevalentiecijfers zelf een mogelijke onderschatting, omdat onder de non-responders significant meer mensen met aandachtsproblemen voorkwamen.

Deel 6

De 38 extra ziektedagen bij ADHD zijn niet significant

Hetzelfde rapport meet het functioneren met de MOS Short-Form Health Survey en het aantal ziektedagen in de dertig dagen voor het interview. Op de meeste functioneringsschalen is het verschil significant, maar juist bij de ziektedagen is dat niet zo. Het getal van 38 extra ziektedagen per jaar dat hieruit is afgeleid, wordt vaak zonder die kanttekening overgenomen.

3,2 dagenextra ziektedagen per maand, n=55, p=0,09

Volwassenen met ADHD rapporteerden gemiddeld 6,4 ziektedagen per maand tegenover 3,5 bij volwassenen zonder ADHD, een verschil van 3,2 dagen met een betrouwbaarheidsinterval van min 0,5 tot 7,0. Op jaarbasis komt dat neer op ruim 38 extra ziektedagen, en het rapport noemt dit verschil bijna significant met een p-waarde van 0,09.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

16,2 puntenpsychisch rolfunctioneren, schaal 0 tot 100, n=55

Het psychisch rolfunctioneren, de mate waarin psychische problemen het werk of andere bezigheden beperken, lag bij volwassenen met ADHD 16,2 punten lager op een schaal van 0 tot 100, met een betrouwbaarheidsinterval van min 29,3 tot min 3,1. Dit is de grootste significante achterstand in de tabel.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

11,9 puntenvitaliteit, schaal 0 tot 100, n=55

Op vitaliteit scoorden volwassenen met ADHD 60,0 punten tegenover 70,7 bij volwassenen zonder ADHD, een gecorrigeerd verschil van 11,9 punten met een betrouwbaarheidsinterval van min 17,5 tot min 6,2.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

11,0 puntenalgemene gezondheid, schaal 0 tot 100, n=55

De algemene gezondheid lag 11,0 punten lager bij volwassenen met ADHD, met een betrouwbaarheidsinterval van min 19,9 tot min 2,1, en de ervaren pijn 10,6 punten ongunstiger.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

2 van de 9niet-significante uitkomsten in tabel 1.6

Van de negen uitkomsten in deze tabel zijn er twee niet significant: het lichamelijk rolfunctioneren met een verschil van 7,5 punten en een betrouwbaarheidsinterval van min 19,9 tot 4,9, en het aantal ziektedagen.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

Functioneren en ziektedagen van volwassenen met en zonder ADHD in de volwassenheid, 18 tot en met 44 jaar, in gewogen gemiddelden met een voor geslacht en leeftijd gecorrigeerd verschil (2007-2009). Bij de functioneringsschalen betekent 100 goed en 0 slecht.

UitkomstZonder ADHD (n=3.254)Met ADHD (n=55)Verschil (95% BI)Significant
Algemene gezondheid74,564,0-11,0 (-19,9 tot -2,1)ja
Psychische gezondheid83,475,8-7,6 (-12,0 tot -3,2)ja
Psychisch rolfunctioneren95,479,8-16,2 (-29,3 tot -3,1)ja
Sociaal functioneren92,085,8-7,0 (-13,2 tot -0,9)ja
Vitaliteit70,760,0-11,9 (-17,5 tot -6,2)ja
Lichamelijk functioneren95,189,2-7,0 (-11,0 tot -3,1)ja
Lichamelijk rolfunctioneren89,483,8-7,5 (-19,9 tot 4,9)nee
Pijn88,279,2-10,6 (-20,6 tot -0,7)ja
Ziektedagen per maand3,56,43,2 (-0,5 tot 7,0)nee

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010), tabel 1.6

De ziektedagen zijn gemeten over de dertig dagen voor het interview. De 38 extra ziektedagen per jaar die in de samenvatting van het rapport staan, zijn een vermenigvuldiging van het maandverschil van 3,2 dagen en dus een afgeleide maat, niet een gemeten jaarcijfer.

Deel 7

Verzuim per aandoening onder werkenden

Uit dezelfde NEMESIS-2-gegevens is een aparte studie naar verzuim gemaakt, onder 4.715 werkenden van 18 tot 64 jaar. Die studie onderscheidt drie soorten verzuim: afwezigheid, minder werk afkrijgen terwijl men wel aanwezig is, en minder op de kwaliteit van het werk kunnen letten. Bij ADHD vallen alleen de kwaliteitsdagen significant uit. De ADHD-groep bestaat hier uit 31 werkenden.

31,4%werkenden met verzuim, n=4.715, 30 dagen

Van de 4.715 werkenden rapporteerde 31,4 procent in de dertig dagen voor het interview een of meer van de drie soorten verzuim: 16,7 procent verzuimde door afwezigheid, 20,1 procent kreeg minder werk af en 9,8 procent kon minder op de kwaliteit letten.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), paragraaf 3.2

17,7 dagenADHD, kwaliteitsverlies per jaar, n=31

Bij ADHD was alleen het verzuim door minder op de kwaliteit van het werk kunnen letten significant: 17,7 additionele dagen per jaar. Het rapport stelt vast dat ADHD bij geen van de andere soorten verzuim tot een significant aantal additionele dagen leidde.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5

11,4 dagenADHD, additioneel direct verzuim, standaardfout 8,7

Het additionele directe verzuim bij ADHD kwam uit op 11,4 dagen per jaar met een standaardfout van 8,7, en is daarmee niet significant. Werkenden met ADHD verzuimden gemiddeld 22,1 dagen per jaar door afwezigheid.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5

3,7%aandeel kwaliteitsverlies toe te rekenen aan ADHD

Van alle werkdagen die onder werkenden verloren gaan door minder op de kwaliteit kunnen letten, is 3,7 procent toe te rekenen aan ADHD. Voor direct verzuim is dat 1,9 procent.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5

10,5 dagenenigerlei psychische aandoening, additioneel direct verzuim

Het hebben van enigerlei psychische aandoening hing samen met 10,5 additionele dagen direct verzuim per jaar, 8,0 dagen door kwaliteitsverlies en 12,0 dagen totaal verzuim. Voor minder werk afkrijgen was er geen significant verband.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), paragraaf 3.3

23,1 dagenstemmingsstoornis, additioneel direct verzuim

Van de hoofdgroepen gaat een stemmingsstoornis met het meeste additionele directe verzuim gepaard, gemiddeld 23,1 dagen per jaar, en met 32,5 dagen totaal verzuim. Bij een angststoornis is dat 10,0 dagen direct verzuim en 13,6 dagen totaal.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), paragraaf 3.3

1,7%aandeel werkenden met ADHD, 18 tot 44 jaar

ADHD kwam voor bij 1,7 procent van de werkenden, oftewel 31 van de 4.715 respondenten. In dit onderzoek is ADHD alleen gemeten bij respondenten van 18 tot 44 jaar.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5

Verzuimdagen per jaar onder werkenden naar aandoening, 4.715 werkenden van 18 tot 64 jaar (2007-2009). Het additionele verzuim is gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd, opleiding, woonsituatie, urbanisatiegraad, aantal werkuren en loondienst of zelfstandigheid.

Aandoeningn% van werkendenDirect verzuimAdditioneel direct verzuim (standaardfout)Additioneel kwaliteitsverlies (standaardfout)
Enigerlei psychische aandoening73616,3%20,9 dagen10,5 (2,5)8,0 (1,9)
Enigerlei stemmingsstoornis2385,0%35,4 dagen23,1 (5,0)13,0 (3,6)
Depressieve stoornis2114,2%35,3 dagen22,8 (5,7)12,1 (4,0)
Enigerlei angststoornis4248,5%20,4 dagen10,0 (2,8)9,0 (2,4)
Enigerlei middelenstoornis1995,3%14,6 dagen-0,8 (3,2)4,1 (2,7)
ADHD311,7%22,1 dagen11,4 (8,7)17,7 (11,6)

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5, N=4.715

Van de 4.715 werkenden was 55,8 procent man en 44,2 procent vrouw, en werkte 84,5 procent in loondienst en 15,5 procent als zelfstandige. Een additioneel aantal dagen is pas significant als het ruim boven twee keer de standaardfout uitkomt. Bij ADHD geldt dat voor het kwaliteitsverlies en niet voor het directe verzuim.

Deel 8

De vraag kan ook omgekeerd worden gesteld

Het nieuwste Nederlandse bevolkingsonderzoek, NEMESIS-3, meet geen arbeidsparticipatie per diagnose maar het omgekeerde: hoe vaak een aandoening voorkomt binnen elke werksituatie. Daar zit een modern ADHD-cijfer in. Het is belangrijk om de richting niet te verwisselen: dit zegt hoeveel mensen zonder werk ADHD hebben, niet hoeveel mensen met ADHD geen werk hebben.

11,3% om 2,7%ADHD bij werkloos of arbeidsongeschikt om betaald werk, 2019-2022

ADHD in de afgelopen twaalf maanden kwam voor bij 11,3 procent van de volwassenen die werkloos of arbeidsongeschikt waren, tegenover 2,7 procent van de volwassenen met betaald werk. Dat is ruim vier keer zo vaak.

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken, voorkomen naar werksituatie

52,0% om 23,3%enige psychische stoornis, zonder om met betaald werk, 2019-2022

Volwassenen zonder betaald werk, dus werkloos of arbeidsongeschikt, hadden met 52,0 procent ruim twee keer zo vaak een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden als volwassenen met betaald werk met 23,3 procent.

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken, voorkomen naar werksituatie

0,8%ADHD bij gepensioneerden, 2019-2022

Bij gepensioneerden lag de ADHD-prevalentie op 0,8 procent, de laagste van alle werksituaties. Gepensioneerden hadden ook het minst vaak een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden met 12,9 procent.

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken, voorkomen naar werksituatie

17,4%middelenstoornis bij studenten, 2019-2022

Studenten vormen de uitzondering op het patroon: zij hebben vaker een psychische aandoening met 41,1 procent, maar dat komt vooral door middelenstoornissen met 17,4 procent, tegenover 6,7 procent bij werkenden.

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken, voorkomen naar werksituatie

6.194respondenten NEMESIS-3, 18 tot 75 jaar

NEMESIS-3 ondervroeg 6.194 respondenten van 18 tot 75 jaar met een diagnostisch interview. Het veldwerk liep van november 2019 tot maart 2022, met een gewogen respons van 54,6 procent en een ongewogen respons van 51,1 procent.

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, meting 1 (2019-2022)

Voorkomen van psychische aandoeningen in de afgelopen twaalf maanden naar werksituatie, 6.194 respondenten van 18 tot 75 jaar (2019-2022).

AandoeningBetaald werkHuisvrouw of huismanStudentWerkloos of arbeidsongeschiktGepensioneerd
Enige psychische stoornis23,3%26,8%41,1%52,0%12,9%
Enige stemmingsstoornis8,1%11,2%13,5%27,6%4,2%
Enige angststoornis13,2%18,9%20,3%35,6%7,9%
Enige middelenstoornis6,7%3,9%17,4%11,2%2,2%
ADHD2,7%3,3%3,1%11,3%0,8%

Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken, voorkomen naar werksituatie, n=6.194

Deze tabel meet de prevalentie binnen elke werksituatie en niet de arbeidsparticipatie per diagnose. Autisme is in NEMESIS-3 niet vastgesteld, dus voor autisme en werk bestaat geen vergelijkbare meting met een diagnostisch interview.

Deel 9

Langdurig zonder werk bij een chronische psychische aandoening

Het CBS koppelde de diagnoses die huisartsen in 2017 hadden vastgelegd aan vier jaar aan baan- en inkomensgegevens. Van de ruim 1 miljoen patienten van 328 huisartsenpraktijken is bepaald wie van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2022 onafgebroken zonder betaald werk was. Wie minimaal een uur per week betaald werkte, geldt daarbij als werkzaam.

50,1% om 16,4%chronische psychische aandoening om hele populatie, 30 tot 65 jaar

Van de mensen met een chronische psychische aandoening was 50,1 procent vier jaar onafgebroken zonder betaald werk, tegenover 16,4 procent van de hele onderzoekspopulatie van 30 tot 65 jaar.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), figuur 3.2.1

4 aandoeningenhet hele cluster Psychisch in dit onderzoek

Het cluster Psychisch bestaat in dit onderzoek uit precies vier aandoeningen: dementie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking. ADHD en autisme vallen er niet onder, en depressie, angststoornissen en verslaving zijn als niet-chronisch buiten het onderzoek gelaten.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), paragraaf 2.3 en bijlage figuur 1q

2,9%aandeel met een chronische psychische aandoening, 31 december 2017

Het cijfer van 50,1 procent geldt voor een kleine groep: op 31 december 2017 had 2,9 procent van de onderzoekspopulatie een chronische psychische aandoening, waarvan 1,1 procent uitsluitend psychisch en 1,8 procent in combinatie met een of meer lichamelijke aandoeningen.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), figuur 3.1.1

24,78odds ratio schizofrenie, 95% BI 22,52 tot 27,27

Schizofrenie heeft binnen dit cluster de sterkste samenhang met langdurig zonder werk, met een odds ratio van 24,78 na correctie voor leeftijd, geslacht en comorbiditeit. Verstandelijke beperking komt op 8,69, dementie op 5,73 en persoonlijkheidsstoornis op 4,80.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), bijlage figuur 1q

53% om 47%vrouwen om mannen, chronische psychische aandoening

Bij een chronische psychische aandoening was 53 procent van de vrouwen en 47 procent van de mannen langdurig zonder werk. Bij chronische lichamelijke aandoeningen is dat verschil groter, met 25 procent tegenover 15 procent.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), paragraaf 3.2

35% tot 65%uitsluitend psychische aandoening, jongste om oudste leeftijdsgroep

Bij mensen met uitsluitend een chronische psychische aandoening loopt het aandeel langdurig zonder werk op van 35 procent in de groep van 30 tot 35 jaar naar 65 procent in de groep van 60 tot 65 jaar. In combinatie met meerdere lichamelijke aandoeningen loopt dat van 45 naar 75 procent.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), paragraaf 3.2

19,3odds ratio van de logaritme van de leeftijd

Leeftijd is in dit model met een odds ratio van 19,3 voor de logaritme van de leeftijd veel bepalender dan de meeste aandoeningen zelf. Geslacht komt uit op 0,4 en het hebben van meerdere lichamelijke aandoeningen op 1,1.

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), bijlage bij figuur 1

Aandeel dat van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2022 onafgebroken zonder betaald werk was, naar type chronische aandoening, personen van 30 tot 65 jaar.

GroepLangdurig zonder werk
Hele onderzoekspopulatie16,4%
Uitsluitend chronische lichamelijke aandoening, totaal20,6%
Uitsluitend chronische lichamelijke aandoening, een14,8%
Uitsluitend chronische lichamelijke aandoening, meerdere27,7%
Chronische psychische aandoening, totaal50,1%
Chronische psychische aandoening, uitsluitend psychisch42%
Chronische psychische aandoening met een lichamelijke aandoening49,6%
Chronische psychische aandoening met meerdere lichamelijke aandoeningen59,8%

Bron: CBS, Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces (2025), figuur 3.2.1, op basis van Nivel Zorgregistraties en het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden

Werknemers die verzuimen door ziekte gelden in dit onderzoek als werkzaam zolang het dienstverband doorloopt, en bij langdurige uitval kan een werkgever het dienstverband twee jaar lang niet beeindigen. Patienten die in een instelling wonen, zitten niet in de Nivel-registratie. Een tweede figuur in dezelfde publicatie geeft voor het cluster Psychisch ook 50,1 procent, terwijl de begeleidende tekst daar 47 procent noemt.

Deel 10

Autistische burn-out is een ander begrip dan werkgerelateerde burn-out

Autistische burn-out wordt sinds 2020 als apart begrip beschreven en met een eigen instrument gemeten, niet met de vragenlijsten die voor werkgerelateerde burn-out worden gebruikt. De enige Nederlandse meting ervan vond geen verband tussen werkstatus en de ernst van de klachten. Het vanzelfsprekende verband met werk wordt daar dus niet bevestigd.

3 maanden of langerbeschrijving autistische burn-out, 2020

Autistische burn-out wordt beschreven als een syndroom dat volgt op chronische stress en een gebrek aan passende ondersteuning, met langdurige uitputting, functieverlies en verminderde prikkelverdraagzaamheid die doorgaans drie maanden of langer duurt. De onderzoekers concluderen dat het een ander verschijnsel is dan werkgerelateerde burn-out of een depressie.

Bron: Raymaker e.a., Autism in Adulthood (2020), kwalitatief onderzoek in de Verenigde Staten

p = 0,531verband werkstatus en ernst, n=45, 2022-2023

In de Nederlandse meting verschilde de ernst van autistische burn-out niet significant tussen vrouwen die niet konden werken met een gemiddelde score van 64,54 en vrouwen die wel konden werken met 62,19. De toets kwam uit op een p-waarde van 0,531.

Bron: Schoondermark e.a., Journal of Autism and Developmental Disorders (2024), AABM-NL

45 vrouwenNederlandse validatiestudie AABM-NL, 2022-2023

De Nederlandse versie van de AASPIRE Autistic Burnout Measure is getoetst in de dossiers van 45 autistische vrouwen van 19 tot 67 jaar, met een gemiddelde leeftijd van 34,81 jaar, bij een expertisecentrum in Eemnes. Van hen werkte 32 wel en 13 niet, en dat laatste vanwege autistische burn-out.

Bron: Schoondermark e.a., Journal of Autism and Developmental Disorders (2024), tabel 1

62 puntenafkapwaarde AABM-NL, n=45

Bij een afkapwaarde van 62 punten werd 89,3 procent van de gevallen van autistische burn-out juist aangewezen en 100,0 procent van de niet-gevallen, bij een oppervlakte onder de curve van 0,960. De gemiddelde score in de groep was 62,87 punten met een standaarddeviatie van 28,77.

Bron: Schoondermark e.a., Journal of Autism and Developmental Disorders (2024), tabel 3 en de ROC-analyse

0,363correlatie met maanden afwezig van werk, p=0,014

Het aantal maanden dat iemand afwezig was van werk hing maar zwak samen met de ernst van de autistische burn-out, met een correlatie van 0,363. De onderzoekers schrijven zelf dat de duur van de afwezigheid nauwelijks samenhing met het klachtenniveau.

Bron: Schoondermark e.a., Journal of Autism and Developmental Disorders (2024), resultaten

10 deelnemerskerninterviews in het oorspronkelijke onderzoek, 2020

De beschrijving van autistische burn-out komt uit een kwalitatief onderzoek met tien diepte-interviews over burn-out, negen interviews over werk waarin burn-out spontaan werd genoemd, en negentien bronnen op sociale media waarvan vijf uitgebreid zijn geanalyseerd.

Bron: Raymaker e.a., Autism in Adulthood (2020), methode

Kenmerken van de 45 autistische vrouwen in de Nederlandse validatiestudie van de AABM-NL, 2022 en 2023.

KenmerkAantalAandeel
Werkend3271,1%
Niet werkend door autistische burn-out1328,9%
Hoger onderwijs2760,0%
Beroepsonderwijs1635,6%
Voortgezet onderwijs24,4%
Basisonderwijs00,0%

Bron: Schoondermark e.a., Journal of Autism and Developmental Disorders (2024), tabel 1, N=45

De onderzoekers wijzen er zelf op dat deze uitkomsten niet gelden voor vrouwen die dagelijkse ondersteuning nodig hebben, voor mensen buiten de ambulante psychiatrische zorg of voor mensen die in een instelling wonen. Het oorspronkelijke onderzoek naar autistische burn-out is in de Verenigde Staten gedaan en is kwalitatief, dus er horen geen prevalentiecijfers bij.

Deel 11

Wat er in de Nederlandse cijfers niet staat

Over een aantal vragen die vaak worden gesteld, bestaat geen Nederlands cijfer. Dat is geen reden om een schatting te maken, en wel een reden om het gat te benoemen. Deze opsomming is zelf een uitkomst van het verzamelwerk voor deze pagina.

0 metingenburn-out of verzuim uitgesplitst naar autisme

Er bestaat geen Nederlandse meting van burn-out of ziekteverzuim uitgesplitst naar autisme. Autisme is in NEMESIS-3 niet vastgesteld en komt in de verzuimstudie op basis van NEMESIS-2 niet voor als aandoening.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), tabel 5

2014jaar van de laatste richtlijnuitspraak over het datagat

De richtlijn Autismespectrumstoornissen bij volwassenen stelt in de module van 30 september 2014 vast dat goede data over arbeidsparticipatie en arbeidshulpverlening bij volwassenen met autisme in Nederland ontbreken. Die module is sindsdien niet herzien.

Bron: Richtlijnendatabase (Federatie Medisch Specialisten), Arbeidshulpverlening bij ASS bij volwassenen

18 tot 44 jaarleeftijdsgrens van de ADHD-meting in NEMESIS-2

In NEMESIS-2 is ADHD alleen gemeten bij respondenten van 18 tot 44 jaar. Over ADHD en werk bij 45-plussers bestaat uit dat onderzoek dus geen cijfer, en bij de groep van 45 tot 64 jaar is ADHD in de analyses als afwezig gecodeerd.

Bron: Trimbos-instituut, Verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden (NEMESIS-2, 2011), voetnoten bij tabel 5

niet gepubliceerdaantal respondenten per cel in de CBS-cijfers

Het CBS publiceert bij de cijfers over autisme en maatschappelijke positie geen aantallen respondenten per cel en geen betrouwbaarheidsmarges. Hoe precies het verschil van 58,2 tegen 81,8 procent is, valt daarmee niet vast te stellen.

Bron: CBS, Autismespectrumstoornis naar maatschappelijke positie, Gezondheidsenquete 2022/2024

2007-2009veldwerkperiode van de ADHD-werkcijfers

De Nederlandse cijfers over ADHD en werk komen uit veldwerk van 2007 tot 2009. Er is sindsdien een nieuw bevolkingsonderzoek gedaan, maar daarin is arbeidsparticipatie per diagnose niet opnieuw gepubliceerd.

Bron: Trimbos-instituut, ADHD, gedragsstoornissen en antisociale persoonlijkheidsstoornis (NEMESIS-2, 2010)

Wat per vraag wel en niet in Nederlandse bronnen staat.

VraagBestaat er een Nederlands cijfer?Beste beschikbare bron
Aandeel met autisme met betaald werkja, maar met een forse spreiding tussen de bronnenCBS Gezondheidsenquete en Nederlands Autisme Register
Aandeel met ADHD met betaald werkeen enkele meting, verschil niet significantNEMESIS-2, veldwerk van 2007 tot 2009
Verzuimdagen bij ADHD onder werkendeneen enkele meting, alleen kwaliteitsverlies significantNEMESIS-2 verzuimstudie
Verzuimdagen bij autisme onder werkendenneegeen
Burn-outklachten naar ADHD of autismeneegeen
Prevalentie autistische burn-out in Nederlandnee, alleen een meetinstrument bij een kleine groep vrouwenvalidatiestudie van de AABM-NL
Werkgeversbeleid rond neurodiversiteitneegeen
Werkaanpassingen bij ADHD of autismeneegeen

Bron: Overzicht van de bronnen op deze pagina; de bron per rij staat in de laatste kolom, met de cijfers en de meetjaren in de paragrafen hierboven. Het veldwerk van NEMESIS-2 liep van november 2007 tot en met juli 2009

Deze tabel bevat bewust geen uitkomstcijfers: die staan met bron, populatie en meetjaar in de paragrafen hierboven. De tabel is bedoeld om te voorkomen dat een ontbrekend cijfer wordt vervangen door een plausibel klinkende schatting uit een andere taal of een ander zorgstelsel. Aan NEMESIS-2 deden 6.646 respondenten mee, een respons van 65,1 procent, en aan NEMESIS-3 6.194 respondenten.

Lees dit eerst

Valkuilen voordat je deze cijfers citeert

  1. Het hoogste en het laagste cijfer komen uit hetzelfde register Het Nederlands Autisme Register levert zowel de 46 procent uit de meting van 2017 als de 60 procent uit de koppeling met CBS-microdata over 2022. Dat verschil van 14 procentpunt komt niet door een verandering in de arbeidsmarkt maar door de meetopzet: in 2017 ging het om alle deelnemers van 16 jaar en ouder, en in de CBS-koppeling om deelnemers die zijn gematcht met een vergelijkingsgroep op geslacht, leeftijd, opleiding en geboorteland. Wie 46 en 60 procent naast elkaar zet als trend, leest een methodeverschil als ontwikkeling.
  2. De 50,1 procent gaat niet over ADHD of autisme Het veelgeciteerde cijfer dat 50,1 procent van de mensen met een chronische psychische aandoening langdurig zonder werk is, tegenover 16,4 procent gemiddeld, komt uit een CBS-publicatie waarin het cluster Psychisch uit precies vier aandoeningen bestaat: dementie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking. ADHD en autisme zitten er niet in, en depressie, angststoornissen en verslaving zijn er juist uitgelaten omdat die in dit onderzoek niet als chronisch gelden. Schizofrenie heeft binnen dat cluster een odds ratio van 24,78 en trekt het gemiddelde ver omhoog. Het cijfer is dus geen cijfer over psychische aandoeningen breed.
  3. Het ADHD-arbeidsparticipatiecijfer rust op 55 personen en is niet significant Het enige Nederlandse cijfer over betaald werk bij ADHD komt uit een groep van 55 personen van 18 tot 44 jaar in NEMESIS-2: 67,7 procent had betaald werk tegenover 82,8 procent zonder ADHD. De odds ratio voor geen betaald werk is 2,2 met een betrouwbaarheidsinterval van 0,7 tot 6,9, dus het betrouwbaarheidsinterval sluit 1 in. Het rapport schrijft letterlijk dat de werksituatie niet significant gerelateerd was aan het voorkomen van ADHD. Wie het verschil van 15 procentpunt citeert zonder die n en die waarschuwing, geeft een niet-significant verschil de status van een feit.
  4. De 38 extra ziektedagen bij ADHD zijn een vermenigvuldiging, niet een meting Het getal van 38 extra ziektedagen per jaar bij ADHD is afgeleid uit een gemeten verschil van 3,2 ziektedagen in de dertig dagen voor het interview, bij 55 personen. Het betrouwbaarheidsinterval van dat maandverschil loopt van min 0,5 tot 7,0 en het rapport noemt de p-waarde van 0,09 bijna significant. De aparte verzuimstudie onder 4.715 werkenden vindt bij ADHD evenmin een significant aantal additionele dagen direct verzuim: 11,4 dagen bij een standaardfout van 8,7. Alleen het verzuim door minder op de kwaliteit van het werk kunnen letten komt daar significant uit, op 17,7 dagen per jaar.
  5. Prevalentie per werksituatie is niet hetzelfde als arbeidsparticipatie per diagnose NEMESIS-3 meet dat 11,3 procent van de werkloze en arbeidsongeschikte volwassenen ADHD had in de afgelopen twaalf maanden, tegenover 2,7 procent van de werkenden. Dat is een prevalentie binnen een werksituatie, en zegt niets over welk deel van de mensen met ADHD werk heeft. Omdat de groep zonder werk veel kleiner is dan de groep met werk, kan een hoge prevalentie binnen de groep zonder werk samengaan met een meerderheid van de mensen met ADHD die wel werkt. Beide uitspraken kloppen en ze gaan over twee verschillende vragen.
  6. Een vrijwillig register is geen afspiegeling van de bevolking Van de 1.308 deelnemers aan de NAR-meting 2022 was 60,6 procent vrouw, terwijl de Gezondheidsenquete autisme juist bij 3,4 procent van de mannen en 1,7 procent van de vrouwen vindt. Bij 71,1 procent van de deelnemers lag het geschatte IQ boven het gemiddelde, met 22,8 procent hoogbegaafd, en bij 0,7 procent onder de 71. Bij een aandoening waar een verstandelijke beperking regelmatig bij voorkomt, is dat een sterke selectie. Een percentage uit dit register beschrijft de deelnemers en niet de Nederlanders met autisme.
  7. Een getal dat op geen enkele bron teruggaat, kan toch gezaghebbend klinken Rond neurodiversiteit en werk circuleren percentages zonder onderzoek, zonder meetjaar en zonder vindplaats, ook op sites van instituties. Een voorbeeld is de stelling dat de helft van de autistische volwassenen geen betaald werk heeft, die zonder bron of jaartal wordt gepresenteerd. Dat getal ligt dicht bij de 50,6 procent zonder betaald werk uit een vrijwillig zelfrapportageregister, terwijl de bevolkingsenquete onder 25- tot 65-jarigen juist 58,2 procent werkend meet. Een registercijfer dat als bevolkingscijfer gaat rondlopen, is het vaakst voorkomende probleem in dit dossier. Op deze pagina staan alleen cijfers met een vindbare bron, een populatie en een meetjaar.
  8. Autistische burn-out en werkgerelateerde burn-out zijn twee constructen Autistische burn-out wordt gemeten met een eigen instrument, de AASPIRE Autistic Burnout Measure, en niet met de vragenlijsten voor werkgerelateerde burn-out. De oorspronkelijke beschrijving komt uit een kwalitatief onderzoek in de Verenigde Staten met tien diepte-interviews, dus er horen geen prevalentiecijfers bij. In de enige Nederlandse meting, bij 45 autistische vrouwen, verschilde de ernst van de klachten niet significant tussen vrouwen die wel en niet konden werken, met een p-waarde van 0,531. Het verband met werk dat vanzelfsprekend lijkt, wordt daar niet bevestigd.
  9. Lopende tekst en figuur verschillen binnen een publicatie In de CBS-publicatie over chronische aandoeningen en langdurig zonder werk noemt de tekst bij figuur 3.2.2 een aandeel van 47 procent voor het cluster Psychisch, terwijl de bijbehorende tabel 50,1 procent geeft, hetzelfde getal als in figuur 3.2.1. Op deze pagina is 50,1 procent gebruikt, omdat tekst en tabel bij figuur 3.2.1 daarover wel overeenstemmen, en is het verschil in de noot bij de tabel vermeld.
  10. Zonder werk betekent per bron iets anders In de CBS-koppeling met het Nederlands Autisme Register vallen studenten, gepensioneerden, huisman of huisvrouw en vrijwilligers allemaal onder geen betaald werk. In de Gezondheidsenquete zijn die groepen aparte categorieen, waardoor werkend, werkloos en arbeidsongeschikt samen niet op 100 procent uitkomen. In de CBS-publicatie over langdurig zonder werk geldt iemand al als werkzaam bij een uur betaald werk per week, en blijft een zieke werknemer met een doorlopend dienstverband in de categorie met werk. Drie bronnen, drie noemers.
Samenvatting

Belangrijkste conclusies

  • Het aandeel mensen met autisme dat betaald werk heeft, loopt in Nederlandse bronnen van 46 tot 60 procent, en dat verschil komt door de meetmethode en niet door een verandering in de tijd: de laagste en de hoogste uitkomst komen uit hetzelfde register.
  • De bevolkingsenquete en het vrijwillige register wijzen bij vrouwen dezelfde richting aan maar met andere niveaus: 46,5 procent van de vrouwen van 25 tot 65 jaar met autisme omschrijft zich als werkende, tegenover 64,1 procent van de mannen.
  • Ook na matching op geslacht, leeftijd, opleiding en geboorteland blijft het verschil bestaan: 60 procent van de NAR-deelnemers tegenover 77 procent in de CBS-vergelijkingsgroep in 2022, een verschil van 17 procentpunt, dat sinds 2019 wel kleiner is geworden.
  • Het verschil in arbeidsmarktpositie zit niet in werkloosheid maar in arbeidsongeschiktheid: mensen met autisme noemen zich 3,6 procentpunt vaker werkloos en 16,7 procentpunt vaker arbeidsongeschikt dan mensen zonder autisme.
  • Voor ADHD bestaat geen bruikbaar arbeidsparticipatiecijfer: de enige Nederlandse meting heeft 55 personen, is van 2007 tot 2009 en levert een verschil op dat het rapport zelf niet significant noemt.
  • Waar ADHD onder werkenden wel significant uitvalt, is in de kwaliteit van het werk en niet in afwezigheid: 17,7 additionele dagen per jaar door minder op de kwaliteit kunnen letten, tegenover 11,4 dagen direct verzuim bij een standaardfout van 8,7.
  • Het nieuwste bevolkingsonderzoek meet de omgekeerde vraag en vindt ADHD bij 11,3 procent van de werklozen en arbeidsongeschikten tegenover 2,7 procent van de werkenden, maar dat is een prevalentie per werksituatie en geen arbeidsparticipatie per diagnose.
  • Het veelgeciteerde cijfer van 50,1 procent langdurig zonder werk tegen 16,4 procent gemiddeld gaat over dementie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking, en dus niet over ADHD, autisme of psychische aandoeningen in het algemeen.
  • Over burn-out of verzuim uitgesplitst naar ADHD of autisme bestaat in Nederland geen meting, en over werkgeversbeleid rond neurodiversiteit evenmin, hoe vaak percentages daarover ook worden geciteerd.
  • Autistische burn-out is een apart construct met een eigen instrument, en in de enige Nederlandse meting bij 45 vrouwen hing de ernst van de klachten niet significant samen met de vraag of iemand kon werken.
Verantwoording

Methodologie en bronnen

Elk cijfer op deze pagina komt uit een publicatie die wij zelf hebben opgehaald en uitgelezen, niet uit een samenvatting, een nieuwsbericht of een zoekresultaat. Van de pdf-rapporten van het Trimbos-instituut en het Nederlands Autisme Register is de tekstlaag uitgelezen en zijn de tabellen op positie gereconstrueerd, waarna elke tabelcel is teruggetoetst tegen de lopende tekst van hetzelfde rapport. Van de pagina's die hun cijfers alleen in een grafiek tonen, zijn de onderliggende databestanden opgehaald, zodat geen enkel getal van een afbeelding is afgelezen. De kernbronnen zijn het CBS-nieuwsbericht van 2025 met de tabellen uit de Gezondheidsenquete 2022/2024, de CBS-publicatie Chronische aandoening en langdurig buiten het arbeidsproces uit 2025 op basis van Nivel Zorgregistraties over ruim 1 miljoen patienten van 328 huisartsenpraktijken gekoppeld aan baangegevens over 2019 tot 2022, de rapportage 2022 van het Nederlands Autisme Register onder 1.308 volwassenen en de factsheet over de meting 2017 onder 782 deelnemers, de koppeling van dat register aan CBS-microdata over 2019 tot 2022, de NEMESIS-2-rapporten over ADHD uit 2010 en over verzuim bij 4.715 werkenden uit 2011, de NEMESIS-3-cijfers over 6.194 respondenten uit veldwerk van november 2019 tot maart 2022, de richtlijnmodule Arbeidshulpverlening bij ASS bij volwassenen uit 2014, en de Nederlandse validatiestudie van de AABM-NL bij 45 autistische vrouwen uit 2024. Waar een lopende tekst afwijkt van de bijbehorende tabel, volgen wij de tabel en vermelden wij het verschil. Cijfers die wij niet in een primaire bron konden terugvinden, staan niet op deze pagina, ook niet als ze elders worden geciteerd.

Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.

Gebruikte bronnen

Vragen

Veelgestelde vragen

Hoeveel mensen met autisme in Nederland hebben betaald werk?

Dat hangt af van wie je meet en hoe. In de Gezondheidsenquete van 2022 en 2024 omschreef 58,2 procent van de 25- tot 65-jarigen met een zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis zich als werkende met betaald werk of een eigen bedrijf, tegenover 81,8 procent van de mensen zonder autisme. In het Nederlands Autisme Register had 49,4 procent van de 1.308 volwassen deelnemers in 2022 betaald werk, en 46 procent van de 782 deelnemers in 2017. In de koppeling van dat register aan CBS-microdata komt 2022 uit op 60 procent. De richtlijn voor volwassenen met autisme noemt een internationale bandbreedte van 12 tot 40 procent en stelt vast dat goede Nederlandse data ontbreken.

Waarom lopen die percentages zo uiteen?

Door drie dingen. De meetmethode: een bevolkingsenquete met zelfrapportage van de diagnose, een vrijwillig register en een registerkoppeling meten verschillende groepen. De populatie: de Gezondheidsenquete kijkt naar 25- tot 65-jarigen, het register naar alle deelnemers van 16 jaar en ouder, inclusief studenten en gepensioneerden. En de definitie van zonder werk: in de CBS-koppeling vallen studenten, gepensioneerden en vrijwilligers onder geen betaald werk, in de Gezondheidsenquete zijn dat aparte categorieen. Het laagste en het hoogste cijfer komen allebei uit hetzelfde register, wat laat zien dat het verschil in de methode zit.

Hebben mensen met ADHD minder vaak betaald werk?

In de enige Nederlandse meting hiervan was het verschil niet significant. In NEMESIS-2 had 67,7 procent van de 55 volwassenen met ADHD van 18 tot 44 jaar betaald werk, tegenover 82,8 procent van de 3.254 volwassenen zonder ADHD. De odds ratio voor geen betaald werk was 2,2 met een betrouwbaarheidsinterval van 0,7 tot 6,9, en het rapport schrijft zelf dat de werksituatie niet significant gerelateerd was aan het voorkomen van ADHD. Wat in dezelfde meting wel significant uitvalt, is inkomen: 72,2 procent van de volwassenen met ADHD had een laag huishoudinkomen tegenover 32,9 procent zonder ADHD, met een odds ratio van 8,4.

Verzuimen werkenden met ADHD meer?

Niet aantoonbaar door afwezigheid, wel door verminderd functioneren op het werk. In de verzuimstudie onder 4.715 werkenden kwam het additionele directe verzuim bij ADHD uit op 11,4 dagen per jaar met een standaardfout van 8,7, en dat is niet significant. Het verzuim door minder op de kwaliteit van het werk kunnen letten kwam wel significant uit, op 17,7 additionele dagen per jaar. De ADHD-groep bestond daar uit 31 werkenden. Het vaak geciteerde getal van 38 extra ziektedagen per jaar komt uit een ander rapport, is afgeleid uit een maandverschil bij 55 personen en wordt daar bijna significant genoemd, met een p-waarde van 0,09.

Is het waar dat 50 procent van de mensen met een psychische aandoening langdurig zonder werk zit?

Dat cijfer bestaat, maar het gaat over een andere groep dan de meeste mensen denken. In de CBS-publicatie uit 2025 was 50,1 procent van de mensen met een chronische psychische aandoening vier jaar onafgebroken zonder betaald werk, tegenover 16,4 procent van de hele onderzoekspopulatie van 30 tot 65 jaar. Het cluster Psychisch bestaat daar uit dementie, schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking. ADHD en autisme vallen er niet onder, en depressie, angststoornissen en verslaving zijn er juist uitgelaten omdat ze in dit onderzoek niet als chronisch gelden. Dit cijfer geldt voor de 2,9 procent van de populatie bij wie zo'n diagnose in 2017 was vastgelegd.

Komt ADHD vaker voor bij mensen zonder werk?

In NEMESIS-3, met veldwerk van november 2019 tot maart 2022 onder 6.194 respondenten, kwam ADHD in de afgelopen twaalf maanden voor bij 11,3 procent van de volwassenen die werkloos of arbeidsongeschikt waren, tegenover 2,7 procent van de volwassenen met betaald werk en 0,8 procent van de gepensioneerden. Let op de richting: dit is de prevalentie binnen een werksituatie en niet het aandeel van de mensen met ADHD dat werkt. Over psychische aandoeningen breed meet hetzelfde onderzoek 52,0 procent bij volwassenen zonder betaald werk tegenover 23,3 procent bij volwassenen met betaald werk.

Bestaan er Nederlandse cijfers over wat werkgevers doen rond neurodiversiteit?

Nee. Er is geen Nederlandse meting van werkgeversbeleid rond neurodiversiteit, van werkaanpassingen bij ADHD of autisme, of van burn-outklachten uitgesplitst naar ADHD of autisme. De percentages die hierover circuleren, komen uit publicaties zonder onderzoek, zonder meetjaar en zonder vindplaats, of uit buitenlandse onderzoeken met een ander zorgstelsel en een andere arbeidsmarkt. Op deze pagina staan ze daarom niet, ook niet als de afzender gezaghebbend is.

Is autistische burn-out hetzelfde als een burn-out door het werk?

Nee, het zijn twee verschillende constructen met verschillende meetinstrumenten. Autistische burn-out is in 2020 beschreven als langdurige uitputting, functieverlies en verminderde prikkelverdraagzaamheid die doorgaans drie maanden of langer duurt, en de onderzoekers concluderen dat het een ander verschijnsel is dan werkgerelateerde burn-out of een depressie. Dat onderzoek is kwalitatief, in de Verenigde Staten, met tien diepte-interviews, dus er horen geen prevalentiecijfers bij. In de enige Nederlandse meting, bij 45 autistische vrouwen, verschilde de ernst van de klachten niet significant tussen vrouwen die wel en niet konden werken, met een p-waarde van 0,531.

Hoeveel vrouwen met autisme zijn arbeidsongeschikt?

Van de vrouwen van 25 tot 65 jaar met een zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis omschreef 26,4 procent zichzelf in 2022 en 2024 als arbeidsongeschikt, tegenover 20,6 procent van de mannen met autisme en 6,7 procent van de vrouwen zonder autisme. Dit is een zelfomschrijving in een enquete en dus geen toegekende uitkering. Het CBS publiceert bij deze cijfers geen aantallen respondenten per cel en geen betrouwbaarheidsmarges.

Doet DiversaMente onderzoek of behandeling bij ADHD of autisme?

Nee. DiversaMente geeft op deze pagina geen medisch advies. Deze pagina zet alleen de gepubliceerde Nederlandse cijfers over ADHD, autisme en werk bij elkaar, met per getal de meetmethode, de populatie, het aantal deelnemers en het meetjaar. Voor vragen over eigen klachten, over een diagnose of over behandelmogelijkheden is de huisarts of de bedrijfsarts het juiste aanspreekpunt.

Over de samensteller

Wie deze cijfers verzamelde

Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.

De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.

Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.

Meer cijferoverzichten