DiversaMente › Cijfers › Werkdruk en werkstress in cijfers

Cijferoverzicht

Werkdruk en werkstress in Nederland in cijfers

De gangbare aanname is dat de werkdruk in Nederland stijgt. De cijfers van de Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden laten het tegenovergestelde zien: het aandeel werknemers met vaak of altijd werkdruk daalde tussen 2015 en 2025 van 38,1 procent naar 31,4 procent, terwijl burn-outklachten in dezelfde periode opliepen van 13 procent naar bijna 21 procent. Deze pagina zet de cijfers over werkdruk, taakeisen, autonomie en de verschillen tussen sectoren op een rij, inclusief de methodologische beperkingen die bij elk van die cijfers horen.

Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.

31,4%werknemers, 2025

Van de werknemers in Nederland had 31,4 procent in 2025 vaak of altijd werkdruk, gemeten als hoge kwantitatieve taakeisen.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

6,7 procentpuntdaling werkdruk, 2015 tot 2025

De ervaren werkdruk onder werknemers daalde van 38,1 procent in 2015 naar 31,4 procent in 2025, een daling van 6,7 procentpunt.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

15,4%werknemers, 2025

Van de werknemers had 15,4 procent stressvol werk, de combinatie van hoge taakeisen en lage autonomie.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

20,7%werknemers, 2025

Van de werknemers had 20,7 procent burn-outklachten, ofwel zelfgerapporteerde emotionele uitputting door het werk.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

Deel 1

Werkdruk in Nederland in 2025: de kerncijfers

De Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA) is de grootste meting van arbeidsomstandigheden in Nederland. Eind 2025 vulden ruim 53.000 werknemers de 21e editie in. Werkdruk wordt daarin gemeten als kwantitatieve taakeisen: erg snel moeten werken, heel veel werk moeten doen en extra hard moeten werken.

31,4%werknemers, 2025

Van de werknemers had 31,4 procent vaak of altijd werkdruk.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

22,2%zelfstandig ondernemers, 2025

Onder zelfstandig ondernemers lag het aandeel met vaak of altijd werkdruk op 22,2 procent, gemeten in de Zelfstandigen Enquete Arbeid.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

57,0%werknemers, 2025

Van de werknemers ervoer 57,0 procent regelmatig autonomie in het werk, tegenover 86 procent van de zelfstandig ondernemers.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

75,0%werknemers, 2025

Driekwart van de werknemers (75,0 procent) ervoer het werk als mentaal moeilijk, gemeten via de schaal moeilijkheidsgraad.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

9,1%werknemers, 2025

Van de werknemers ervoer 9,1 procent het werk vaak of altijd als emotioneel zwaar.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

34%werkgevers, 2024

Werkdruk is volgens werkgevers het meest genoemde arbeidsrisico: 34 procent noemde het als een van de belangrijkste risico's in de vestiging.

Bron: TNO, Werkgevers Enquete Arbeid 2024

Werkdruk en werkstress zijn in de Nederlandse arbeidsstatistiek twee verschillende grootheden. Werkdruk is een taakeis: hoeveel werk er in hoeveel tijd moet gebeuren. Werkstress in de zin van stressvol werk is een afgeleide maat die werkdruk combineert met de mate van autonomie. Een baan met hoge taakeisen hoeft dus geen stressvolle baan te zijn, zolang de werknemer genoeg ruimte heeft om het werk zelf in te richten.

Die tweedeling verklaart waarom werkgevers en werknemers verschillende dingen rapporteren. Werkgevers noemen werkdruk het vaakst als arbeidsrisico, nog voor lichamelijke belasting (33 procent) en beeldschermwerk (27 procent). Werknemers rapporteren echter een dalende werkdruk en tegelijk stijgende klachten. Het verschil zit in de regelruimte en in de inhoudelijke zwaarte van het werk, niet in het volume.

Let op bij dit cijfer over zelfstandigen: de CBS-longread geeft 22,2 procent, maar de ZEA-rapporten van TNO en CBS geven voor dezelfde meting, met dezelfde drie vragen en dezelfde afkapwaarde, 28,8 procent in 2025 (en 30,2 in 2019 en 29,0 in 2023). Dat is een tegenspraak tussen twee publicaties over hetzelfde onderzoek. Beide cijfers staan met hun bron op de pagina over zelfstandigen en burn-out.

Deel 2

Werkdruk daalde, burn-outklachten stegen

Het meest opvallende cijfer in de reeks is de tegengestelde beweging van twee indicatoren die doorgaans in een adem worden genoemd. De ervaren werkdruk onder werknemers daalde tussen 2015 en 2025 met 6,7 procentpunt, terwijl psychische vermoeidheid door het werk in dezelfde periode met ruim 7 procentpunt steeg.

38,1% naar 31,4%werkdruk werknemers, 2015 tot 2025

Het aandeel werknemers met vaak of altijd werkdruk daalde van 38,1 procent in 2015 naar 31,4 procent in 2025.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

13,4% naar 20,7%psychische vermoeidheid werknemers, 2015 tot 2025

Psychische vermoeidheid door het werk steeg van 13,4 procent in 2015 naar 20,7 procent in 2025.

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

39,0%werkdruk werknemers, 2017

Het hoogste gemeten niveau van werkdruk in de reeks lag in 2017 op 39,0 procent.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

24,7% naar 22,2%werkdruk zelfstandig ondernemers, 2015 tot 2025

Onder zelfstandig ondernemers daalde de werkdruk minder sterk, van 24,7 procent naar 22,2 procent.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

7,5% naar 12%psychische vermoeidheid zelfstandig ondernemers, 2015 tot 2025

Ook onder zelfstandig ondernemers steeg psychische vermoeidheid door het werk, van 7,5 procent naar 12 procent.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

Werkdruk en psychische vermoeidheid door het werk, 2015 tot 2025 (percentage werknemers en zelfstandig ondernemers)

JaarWerkdruk werknemersWerkdruk zelfstandigenPsychische vermoeidheid werknemers
201538,1%24,7%13,4%
201637,6%14,6%
201739,0%24,2%15,9%
201838,1%17,3%
201937,6%22,7%17,0%
202033,9%15,7%
202136,4%25,0%17,3%
202233,5%20,0%
202331,6%24,8%19,0%
202431,8%20,1%
202531,4%22,2%20,7%

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 en CBS StatLine 83157NED

Een lege cel betekent dat die meting in dat jaar niet is gedaan.

De reeks voor werkdruk komt uit de longread van het CBS, de reeks voor psychische vermoeidheid uit StatLine-tabel 83157NED. Beide zijn gebaseerd op dezelfde NEA, maar het zijn verschillende indicatoren met een eigen meetwijze. Werkdruk is een drempelscore op drie taakeis-items, psychische vermoeidheid is een drempelscore op een subschaal van vijf burn-outitems.

De tegengestelde beweging is inhoudelijk relevant omdat zij de standaarduitleg ondermijnt dat burn-outklachten simpelweg een gevolg zijn van meer werk in minder tijd. Het volume van het werk nam volgens de zelfrapportage af. Wat in dezelfde periode niet verbeterde, is de autonomie: die lag in 2025 met 57,0 procent op ongeveer hetzelfde niveau als tien jaar eerder, en de mentale moeilijkheidsgraad van het werk bleef hoog.

Een belangrijk voorbehoud: tussen 2021 en 2022 zit een methodologische trendbreuk in de NEA. Precies op dat moment springt de reeks voor psychische vermoeidheid van 17,3 procent naar 20,0 procent, en daalt de reeks voor werkdruk. Een deel van de beweging in beide reeksen valt dus samen met de methodewijziging en niet met een verandering in het werk. Zie de valkuilen verderop.

Zelfstandig ondernemers worden tweejaarlijks gemeten via de Zelfstandigen Enquete Arbeid (ZEA), vandaar de ontbrekende jaren. Let op bij dit cijfer over zelfstandigen: de CBS-longread geeft 22,2 procent, maar de ZEA-rapporten van TNO en CBS geven voor dezelfde meting, met dezelfde drie vragen en dezelfde afkapwaarde, 28,8 procent in 2025 (en 30,2 in 2019 en 29,0 in 2023). Dat is een tegenspraak tussen twee publicaties over hetzelfde onderzoek. Beide cijfers staan met hun bron op de pagina over zelfstandigen en burn-out.

Deel 3

Waaruit werkdruk is opgebouwd: de drie taakeis-items

De NEA meet werkdruk met drie vragen. Op alle drie is het aandeel werknemers dat vaak of altijd met de situatie te maken heeft in tien jaar gedaald. De daling is daarmee geen artefact van een samengestelde score, maar zichtbaar in elk afzonderlijk item.

29,7%werknemers, 2025

Van de werknemers moest 29,7 procent vaak of altijd erg snel werken, tegenover 36,2 procent in 2015.

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

39,9%werknemers, 2025

Van de werknemers moest 39,9 procent vaak of altijd heel veel werk doen, tegenover 45,4 procent in 2015. Dit is het hoogst scorende van de drie items.

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

25,1%werknemers, 2025

Van de werknemers moest 25,1 procent vaak of altijd extra hard werken, tegenover 30,6 procent in 2015.

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

48,7%horeca, 2025

In de horeca moest 48,7 procent van de werknemers vaak of altijd erg snel werken, het hoogste percentage van alle sectoren.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

49,4%onderwijs, 2025

In het onderwijs moest 49,4 procent van de werknemers vaak of altijd heel veel werk doen, het hoogste percentage van alle sectoren.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

2,26gemiddelde schaalscore, 2025

De gemiddelde score op de werkdrukschaal was 2,26 op een schaal van 1 (nooit) tot 4 (altijd), met 2,40 in de horeca als hoogste en 1,92 onder 65- tot 75-jarigen als laagste.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

De drie taakeis-items van werkdruk, 2014 tot 2025 (percentage werknemers dat vaak of altijd met de situatie te maken heeft)

JaarErg snel werkenHeel veel werk doenExtra hard werken
201436,5%45,2%30,7%
201536,2%45,4%30,6%
201636,1%45,0%30,5%
201736,7%46,2%32,2%
201836,4%46,3%30,5%
201935,4%45,6%30,2%
202032,3%42,5%27,2%
202133,5%44,9%29,7%
202231,3%42,3%27,2%
202330,0%40,4%25,3%
202430,1%40,4%25,5%
202529,7%39,9%25,1%

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

De drie items bewegen gelijkmatig mee. Elk item kent een duidelijke dip in 2020, een gedeeltelijk herstel in 2021 en vervolgens een nieuwe daling vanaf 2022. De dip in 2020 en de opleving in 2021 vallen samen met de coronapandemie en de bijbehorende maatregelen, een verband dat TNO in de Arbobalans 2024 ook expliciet noemt voor de reeks stressvol werk.

De peilvraag met de hoogste score is heel veel werk moeten doen, niet erg snel moeten werken. Dat onderscheid is bruikbaar voor wie over werkdruk schrijft: het knelpunt dat werknemers rapporteren is vaker de hoeveelheid werk dan het tempo waarin het moet gebeuren.

Het gemarkeerde jaar 2018 is de piek in de reeks heel veel werk moeten doen (46,3 procent). De methodologische trendbreuk in de NEA ligt tussen 2021 en 2022.

Deel 4

Autonomie: de tegenkracht in het model

Autonomie is de tweede as van het taakeisen-autonomiemodel. De NEA meet autonomie met vijf kernitems, aangevuld met twee items over het zelf bepalen van werktijden en werklocatie. Het verschil tussen werknemers en zelfstandig ondernemers is op elk item groot.

57,0%werknemers, 2025

Van de werknemers ervoer 57,0 procent regelmatig autonomie in het werk, gemeten over de vijf kernitems.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

86%zelfstandig ondernemers, 2025

Onder zelfstandig ondernemers lag de ervaren autonomie op 86 procent, tegen 84 procent in 2023.

Bron: CBS, De arbeidsmarkt in cijfers 2025 (Arbeidsomstandigheden)

25,6%onderwijs, 2025

In het onderwijs kon slechts 25,6 procent van de werknemers regelmatig verlof opnemen wanneer zij dat wilden, tegenover 74,2 procent in de financiele dienstverlening.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

27,9%werknemers 15 tot 24 jaar, 2025

Van de jongste werknemers ervoer 27,9 procent regelmatig autonomie, minder dan de helft van het niveau onder 55- tot 64-jarigen (65,3 procent).

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

25,0%werknemers, 2025

Een kwart van de werknemers (25,0 procent) kon regelmatig zelf bepalen waar zij werkten, met 54,0 procent in de financiele dienstverlening en 14,9 procent in het onderwijs als uitersten.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

28,7%werknemers, 2025

Van de werknemers kon 28,7 procent regelmatig zelf bepalen op welke tijden zij werkten, tegenover 23,1 procent in 2014.

Bron: CBS StatLine 83157NED (NEA, werknemers naar bedrijfstak)

Autonomie-items: werknemers en zelfstandig ondernemers in 2025, en werknemers in 2014 (percentage dat dit regelmatig kan)

Autonomie-itemWerknemers 2025Zelfstandigen 2025Werknemers 2014
Zelf beslissen hoe het werk wordt uitgevoerd60,2%88,5%60,5%
Volgorde van werkzaamheden bepalen60,7%86,4%62,4%
Zelf het werktempo regelen57,3%84,5%56,0%
Zelf oplossingen bedenken64,6%87,1%68,0%
Verlof opnemen wanneer gewenst57,0%68,6%48,0%
Zelf werktijden bepalen28,7%23,1%
Zelf werklocatie bepalen25,0%

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), CBS longread 2025 en CBS StatLine 83157NED

Een lege cel betekent dat die meting in dat jaar niet is gedaan.

Op de vijf kernitems is in tien jaar vrijwel geen winst geboekt. Zelf beslissen hoe het werk wordt uitgevoerd stond in 2014 op 60,5 procent en in 2025 op 60,2 procent. Zelf oplossingen bedenken daalde van 68,0 procent naar 64,6 procent. Alleen bij het opnemen van verlof is een duidelijke verbetering te zien, van 48,0 procent naar 57,0 procent.

De winst zit vooral in de twee items die met plaats en tijd te maken hebben. Zelf werktijden bepalen steeg van 23,1 procent in 2014 naar 28,7 procent in 2025. Het item over de werklocatie wordt pas sinds 2022 gemeten en stond toen op 27,4 procent, tegenover 25,0 procent in 2025. Flexibiliteit in waar en wanneer iemand werkt is dus toegenomen, maar de regelruimte over de inhoud van het werk zelf niet.

Dat onderscheid is belangrijk voor de uitleg van de burn-outcijfers. In het taakeisen-autonomiemodel beschermt juist de inhoudelijke regelruimte tegen de gevolgen van hoge taakeisen. Precies die component staat in de Nederlandse cijfers stil.

De samengestelde autonomiescore van 57,0 procent is gebaseerd op de vijf kernitems en sluit de items over werktijden en werklocatie uit. Het item over de werklocatie wordt pas sinds 2022 gemeten.

Deel 5

De vier kwadranten van taakeisen en autonomie

Door taakeisen en autonomie te kruisen ontstaan vier typen banen. De NEA rapporteert ze onder de noemer balans tussen taakeisen en autonomie. Stressvol werk is het kwadrant met hoge taakeisen en lage autonomie.

15,4%werknemers, 2025

Van de werknemers had 15,4 procent een baan met hoge taakeisen en lage autonomie, in de literatuur een high strain job genoemd.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

41,0%werknemers, 2025

De grootste groep werknemers (41,0 procent) had een baan met lage taakeisen en hoge autonomie, een low strain job.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

16,0%werknemers, 2025

Van de werknemers had 16,0 procent een baan met hoge taakeisen en hoge autonomie, een active job.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

27,6%werknemers, 2025

Van de werknemers had 27,6 procent een baan met lage taakeisen en lage autonomie, een passive job.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

19,6% versus 11,3%vrouwen versus mannen, 2025

Vrouwelijke werknemers hadden bijna twee keer zo vaak stressvol werk als mannelijke werknemers: 19,6 procent tegenover 11,3 procent.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

51,5%werknemers 15 tot 24 jaar, 2025

Ruim de helft van de jongste werknemers (51,5 procent) zat in een passive job met lage taakeisen en lage autonomie.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

De vier kwadranten van taakeisen en autonomie, 2025 (percentage werknemers)

KwadrantTotaalMannenVrouwen15 tot 24 jaar65 tot 75 jaar
Hoge taakeisen en hoge autonomie (active job)16,0%17,2%14,8%6,3%10,2%
Hoge taakeisen en lage autonomie (stressvol werk)15,4%11,3%19,6%20,5%6,9%
Lage taakeisen en hoge autonomie (low strain job)41,0%46,4%35,4%21,6%54,1%
Lage taakeisen en lage autonomie (passive job)27,6%25,2%30,2%51,5%28,9%

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

Het verschil tussen mannen en vrouwen in stressvol werk komt volgens TNO grotendeels niet voort uit hogere taakeisen, maar uit lagere autonomie. Mannen ervaren vaker autonomie dan vrouwen: 63,5 procent tegenover 50,2 procent. De taakeisen liggen bij vrouwen wel hoger (34,5 procent tegenover 28,4 procent), maar het kwadrantverschil wordt versterkt doordat beide assen in dezelfde richting uitslaan.

Bij jongeren tot 25 jaar ligt de verdeling opvallend anders. Zij hebben het vaakst stressvol werk (20,5 procent), maar zitten vooral in passive jobs (51,5 procent). Hun taakeisen zijn relatief laag (26,8 procent) en hun autonomie is zeer laag (27,9 procent). Het beeld bij de oudste groep is het spiegelbeeld: 54,1 procent in een low strain job en 6,9 procent in stressvol werk.

De vier kwadranten tellen samen op tot 100 procent. Een baan valt dus altijd in precies een kwadrant, op basis van drempelscores op de werkdrukschaal en de autonomieschaal.

Deel 6

Stressvol werk per sector: alle dertien sectoren

De NEA-tabellenbijlage splitst de uitkomsten uit naar dertien sectoren. Daarmee is per sector te zien hoe werkdruk, autonomie, stressvol werk, burn-outklachten en emotionele belasting zich tot elkaar verhouden. De sectoren met de hoogste werkdruk zijn niet automatisch de sectoren met het meeste stressvolle werk.

28,2%horeca, 2025

De horeca heeft het hoogste aandeel stressvol werk van alle sectoren: 28,2 procent van de werknemers.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

7,7%openbaar bestuur, 2025

Het openbaar bestuur heeft het laagste aandeel stressvol werk: 7,7 procent, ruim drie keer zo laag als de horeca.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

39,9%horeca, 2025

De horeca heeft ook de hoogste werkdruk van alle sectoren: 39,9 procent, tegenover 25,8 procent in vervoer en opslag als laagste.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

30,7%horeca, 2025

In de horeca ervoer slechts 30,7 procent van de werknemers regelmatig autonomie, het laagste van alle sectoren en minder dan de helft van de 76,6 procent in de ICT.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

25,0%ICT, 2025

De ICT heeft met 25,0 procent een van de hoogste percentages burn-outklachten, terwijl het aandeel stressvol werk daar met 8,5 procent juist laag is.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

19,8%zorg, 2025

De zorg heeft met 19,8 procent het hoogste aandeel emotioneel zwaar werk, gevolgd door het onderwijs met 16,2 procent.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

11,2%landbouw, 2025

In de landbouw komen burn-outklachten het minst vaak voor: 11,2 procent, tegenover 25,3 procent in het onderwijs.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

26% versus 6%pedagogische beroepen versus ICT-beroepen, 2023

Naar beroepsgroep gemeten lag stressvol werk in 2023 het hoogst in pedagogische beroepen (26 procent) en het laagst in ICT-beroepen (6 procent) en onder managers (7 procent).

Bron: TNO, Arbobalans 2024

Werkdruk, autonomie, stressvol werk, burn-outklachten en emotioneel zwaar werk per sector, 2025 (percentage werknemers)

SectorWerkdrukAutonomieStressvol werkBurn-outklachtenEmotioneel zwaar
Landbouw, bosbouw en visserij26,3%52,3%12,7%11,2%3,2%
Industrie27,8%67,2%10,1%19,6%5,6%
Bouwnijverheid28,0%74,7%8,2%15,6%3,3%
Handel30,7%52,1%16,1%19,8%4,5%
Vervoer en opslag25,8%45,4%15,0%18,1%6,4%
Horeca39,9%30,7%28,2%19,3%5,3%
Informatie en communicatie (ICT)29,5%76,6%8,5%25,0%6,1%
Financiele dienstverlening31,5%74,1%9,1%20,2%5,6%
Zakelijke dienstverlening31,4%67,4%11,2%21,4%6,2%
Openbaar bestuur26,9%73,3%7,7%19,6%7,5%
Onderwijs37,1%44,9%23,2%25,3%16,2%
Zorg35,3%44,6%22,6%22,9%19,8%
Cultuur, recreatie en overige diensten27,8%57,7%13,6%19,4%11,4%
Totaal alle sectoren31,4%57,0%15,4%20,7%9,1%

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

De tabel maakt zichtbaar waarom werkdruk alleen een onvolledig beeld geeft. De financiele dienstverlening heeft met 31,5 procent een werkdruk boven het gemiddelde, maar door een hoge autonomie (74,1 procent) komt stressvol werk daar weinig voor (9,1 procent). De horeca heeft een vergelijkbaar hoge werkdruk plus de laagste autonomie van alle sectoren, en komt daardoor op 28,2 procent stressvol werk uit.

De ICT is het meest leerzame tegenvoorbeeld. Daar is de autonomie het hoogst van alle sectoren (76,6 procent) en is stressvol werk zeldzaam (8,5 procent), terwijl burn-outklachten juist het hoogst zijn samen met het onderwijs (beide 25,0 respectievelijk 25,3 procent). Autonomie verklaart dus niet alle variatie in burn-outklachten. In de ICT ligt de mentale moeilijkheidsgraad van het werk met 87,2 procent ver boven het gemiddelde van 75,0 procent, en kan 32,2 procent de hoeveelheid informatie op een werkdag vaak of altijd niet goed verwerken.

Zorg en onderwijs zijn de enige sectoren waar alle vijf indicatoren ongunstig uitvallen: een hoge werkdruk, een lage autonomie, veel stressvol werk, veel burn-outklachten en veel emotioneel zwaar werk. In het onderwijs valt bovendien op dat de autonomie rond verlof extreem laag is (25,6 procent) en de moeilijkheidsgraad het hoogst van alle sectoren (87,9 procent).

De Arbobalans 2024 van TNO kwam voor verslagjaar 2023 op vergelijkbare sectorpercentages uit: horeca 27 procent, onderwijs 23 procent en zorg 22 procent stressvol werk. Naar beroepsgroep gemeten lag stressvol werk in 2023 het hoogst in pedagogische beroepen (26 procent), zorg- en welzijnsberoepen (25 procent) en dienstverlenende beroepen (23 procent), en het laagst onder managers (7 procent) en in ICT-beroepen (6 procent). Diezelfde Arbobalans beschrijft de reeks als stabiel tussen 2015 en 2019, met een afname tussen 2019 en 2020, een toename in 2021 en een daling vanaf 2022.

De NEA-tabellenbijlage gebruikt dertien sectoren. De CBS-longread gebruikt een indeling in veertien bedrijfstakken waarin verhuur en handel van onroerend goed apart staat. Daardoor wijken enkele sectorpercentages tussen beide publicaties licht af, bijvoorbeeld 27,8 procent tegenover 28,3 procent voor de industrie.

Deel 7

Leeftijd: jongeren hebben het vaakst stressvol werk

De leeftijdsverdeling van werkdruk en stressvol werk loopt niet gelijk op. Werkdruk piekt in de middengroep van 25 tot 54 jaar, maar stressvol werk is juist het hoogst onder de jongste werknemers, omdat hun autonomie het laagst is.

34,3%werknemers 25 tot 54 jaar, 2025

De werkdruk is het hoogst in de groep van 25 tot 54 jaar: 34,3 procent, tegenover 17,0 procent onder 65- tot 75-jarigen.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

20,5%werknemers 15 tot 24 jaar, 2025

Stressvol werk komt het vaakst voor onder werknemers van 15 tot 24 jaar: 20,5 procent, bijna drie keer het niveau van 65- tot 75-jarigen (6,9 procent).

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

48,6%werknemers 15 tot 24 jaar, 2025

Jongeren ervaren het werk veel minder vaak als mentaal moeilijk: 48,6 procent, tegenover 80,7 procent in de groep van 25 tot 54 jaar.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

23,5%werknemers 25 tot 54 jaar, 2025

Burn-outklachten zijn het hoogst in de groep van 25 tot 54 jaar: 23,5 procent, tegenover 8,5 procent onder 65- tot 75-jarigen.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

42%werknemers 25 tot 55 jaar, 2025

Van de werknemers van 25 tot 55 jaar vindt 42 procent dat er aanvullende maatregelen tegen werkdruk nodig zijn, tegenover 23 procent onder 15- tot 25-jarigen en 22 procent onder 65- tot 75-jarigen.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025 in vogelvlucht), 2025

Werkdruk, autonomie, stressvol werk, burn-outklachten en moeilijkheidsgraad naar leeftijd, 2025 (percentage werknemers)

LeeftijdsgroepWerkdrukAutonomieStressvol werkBurn-outklachtenMoeilijkheidsgraad
15 tot 24 jaar26,8%27,9%20,5%18,4%48,6%
25 tot 54 jaar34,3%61,8%15,6%23,5%80,7%
55 tot 64 jaar29,2%65,3%12,1%16,7%79,8%
65 tot 75 jaar17,0%64,3%6,9%8,5%73,8%
Totaal31,4%57,0%15,4%20,7%75,0%

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

Het patroon per leeftijd laat goed zien dat werkdruk en stressvol werk niet hetzelfde meten. Jongeren van 15 tot 24 jaar rapporteren een werkdruk onder het gemiddelde (26,8 procent tegenover 31,4 procent), maar komen door hun zeer lage autonomie (27,9 procent) toch op het hoogste aandeel stressvol werk uit.

Burn-outklachten volgen daarentegen wel de werkdruk: de piek ligt bij 25 tot 54 jaar, de groep die ook de hoogste werkdruk en de hoogste moeilijkheidsgraad rapporteert. De oudste groep scoort op alle indicatoren het laagst, wat deels een selectie-effect kan zijn omdat wie het werk niet meer volhoudt eerder stopt.

De behoefte aan maatregelen volgt hetzelfde patroon als de burn-outklachten en niet dat van stressvol werk. Juist de groep met de hoogste autonomie en de hoogste taakeisen vraagt het vaakst om aanvullende maatregelen.

Deel 8

Wat het werktempo bepaalt

De NEA vraagt werknemers waarvan hun werktempo afhankelijk is. De antwoorden maken duidelijk dat werkdruk in verschillende sectoren een fundamenteel andere bron heeft: in de ene sector zijn het targets en software, in de andere zijn het mensen.

44,6%werknemers, 2025

Voor 44,6 procent van de werknemers is het werktempo afhankelijk van targets, doelen of deadlines, de meest genoemde bron.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

43,6%werknemers, 2025

Voor 43,6 procent is het werktempo afhankelijk van het aantal klanten, patienten, leerlingen of passagiers dat iets vraagt.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

70,7%horeca, 2025

In de horeca is het werktempo voor 70,7 procent van de werknemers afhankelijk van het aantal klanten, tegenover 18,1 procent dat targets noemt.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

71,6%ICT, 2025

In de ICT is het werktempo voor 71,6 procent afhankelijk van targets en deadlines, en voor 50,0 procent van de software waarmee wordt gewerkt.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

52,7% versus 34,8%vrouwen versus mannen, 2025

Bij vrouwen wordt het werktempo veel vaker bepaald door het aantal klanten of patienten (52,7 procent) dan bij mannen (34,8 procent), terwijl mannen vaker targets noemen (51,3 tegenover 37,5 procent).

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

23,2%werknemers, 2025

Bijna een kwart van de werknemers (23,2 procent) wordt vaak of altijd door de omgeving van het werk afgeleid, met 31,0 procent in het onderwijs als hoogste.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

Waarvan het werktempo afhankelijk is, 2025 (percentage werknemers, meerdere antwoorden mogelijk)

Bron van het werktempoTotaalHorecaICTZorgOnderwijs
Targets, doelen of deadlines44,6%18,1%71,6%22,4%41,9%
Aantal klanten, patienten of leerlingen43,6%70,7%34,6%64,7%55,2%
Het werk dat collega's doen33,4%39,3%43,6%33,0%30,2%
Programma's, software of apps22,0%6,0%50,0%13,4%16,5%
Toezicht door een leidinggevende10,3%13,8%10,5%6,1%7,6%
Snelheid van machine of transportband4,6%7,3%0,2%1,1%0,4%
Geen van bovenstaande17,8%12,8%9,1%19,6%19,0%

Bron: TNO en CBS (NEA 2025, tabellenbijlage), 2025

De twee grootste bronnen van werktempo zijn ongeveer even groot, maar verdelen de arbeidsmarkt scherp. Werkdruk die uit targets en software komt, is in principe bestuurbaar: een organisatie kan deadlines verzetten of systemen aanpassen. Werkdruk die uit het aantal klanten of patienten komt, is dat veel minder, omdat de vraag van buiten komt en zich niet laat uitstellen.

Precies in de sectoren waar de tweede bron dominant is, is de autonomie laag en het aandeel stressvol werk hoog: horeca (70,7 procent klantafhankelijk, 30,7 procent autonomie), zorg (64,7 procent, 44,6 procent) en onderwijs (55,2 procent, 44,9 procent). Dat is een plausibele verklaring voor de clustering van stressvol werk in die drie sectoren.

Opvallend is verder dat de klassieke vorm van tempodwang, de snelheid van een machine of transportband, nog maar 4,6 procent van de werknemers raakt. In de landbouw is dat met 28,8 procent nog wel aanzienlijk en in de industrie met 15,1 procent, maar in de ICT is het met 0,2 procent verwaarloosbaar. Software heeft die rol grotendeels overgenomen: in de ICT bepaalt die voor de helft van de werknemers het tempo.

Deel 9

Beroepen met het meeste stressvol werk

Sectorgemiddelden verhullen grote verschillen tussen beroepen. Het CBS publiceerde in november 2025 een uitsplitsing naar beroep over verslagjaar 2024, waarin de spreiding veel groter blijkt dan tussen sectoren.

50,8%apothekersassistenten, 2024

Apothekersassistenten hebben het vaakst stressvol werk: 50,8 procent, meer dan drie keer het landelijke gemiddelde van 15,6 procent.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

38,5%leerkrachten basisonderwijs, 2024

Leerkrachten in het basisonderwijs en medisch praktijkassistenten staan op de tweede plaats met beide 38,5 procent.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

18% naar 16%stressvol werk, 2019 tot 2024

In vijf jaar daalde het aandeel werknemers met stressvol werk licht, van 18 procent naar 16 procent. De top tien beroepen bleef bijna identiek.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

60% versus 52%verzuim, 2024

Van de werknemers met stressvol werk verzuimde 60 procent in het voorgaande jaar minstens een keer, tegenover 52 procent van alle werknemers.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

50,1% versus 34,0%verwachting mentale zwaarte, 2024

Werknemers met stressvol werk verwachten veel vaker dat hun werk over vijf jaar mentaal zwaarder wordt: 50,1 procent tegenover 34,0 procent van alle werknemers.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

Tien beroepen met het hoogste aandeel stressvol werk, 2024 (percentage werknemers)

BeroepStressvol werk
Apothekersassistenten50,8%
Leerkrachten basisonderwijs38,5%
Medisch praktijkassistenten38,5%
Artsen35,0%
Docenten algemene vakken voortgezet onderwijs34,7%
Kelners en barpersoneel34,4%
Verpleegkundigen (mbo)34,2%
Bakkers31,4%
Gespecialiseerd verpleegkundigen30,2%
Koks29,8%
Totaal alle werknemers15,6%

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

Het CBS karakteriseert deze beroepen als functies met veel directe verantwoordelijkheid en weinig regelruimte, waarin taken grotendeels volgens vaste instructies of protocollen moeten worden uitgevoerd. Alle tien beroepen zitten in de zorg, het onderwijs of de horeca.

De spreiding tussen beroepen is veel groter dan tussen sectoren. Binnen de zorg, die als sector op 22,6 procent stressvol werk uitkomt, varieren beroepen van apothekersassistent (50,8 procent) tot ver daaronder. Wie over een sector schrijft, zegt daarmee dus weinig over een specifiek beroep binnen die sector.

Het beroepscijfer is gebaseerd op verslagjaar 2024 en komt uit StatLine-tabel 84436NED. Het landelijke totaal in die tabel (15,6 procent) wijkt daarom licht af van het NEA-cijfer voor 2025 (15,4 procent).

Deze cijfers betreffen verslagjaar 2024 en zijn daarmee een jaar ouder dan de overige cijfers op deze pagina.

Deel 10

Maatregelen: wat werkgevers doen en wat werknemers missen

Werkdruk is volgens werkgevers het belangrijkste arbeidsrisico in Nederland. Tegelijk vindt een substantieel deel van de werknemers de genomen maatregelen onvoldoende, en in de sectoren met het meeste stressvolle werk is die onvrede het grootst.

37%werknemers, 2025

Van de werknemers vindt 37 procent dat er aanvullende maatregelen nodig zijn rond werkdruk en werkstress, tegenover 41 procent in 2022.

Bron: TNO en CBS (NEA 2025 in vogelvlucht), 2025

50%onderwijs, 2025

In het onderwijs is de behoefte aan aanvullende maatregelen het grootst (50 procent), gevolgd door de zorg (47 procent).

Bron: TNO en CBS (NEA 2025 in vogelvlucht), 2025

46,7% versus 28,4%werknemers met stressvol werk versus alle werknemers, 2024

Van de werknemers met stressvol werk vindt 46,7 procent de genomen maatregelen onvoldoende, tegenover 28,4 procent van alle werknemers.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

22,2% versus 9,5%werknemers met stressvol werk versus alle werknemers, 2024

Van de werknemers met stressvol werk zegt 22,2 procent dat er helemaal geen maatregelen zijn genomen, tegenover 9,5 procent van alle werknemers.

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

54%werkgevers, 2024

Om psychosociale risico's te verminderen zet 54 procent van de werkgevers in op het bevorderen van een open cultuur en 52 procent op meer ruimte om het eigen werk te organiseren.

Bron: TNO, Werkgevers Enquete Arbeid 2024

12%werkgevers, 2024

Slechts 12 procent van de werkgevers doet onderzoek naar arbeidsrisico's en klachten, de minst genomen maatregel op dit terrein.

Bron: TNO, Werkgevers Enquete Arbeid 2024

6,7%werknemers, 2025

Van de werknemers ervaart 6,7 procent zeer vaak een disbalans tussen werk en prive. Zij verwaarlozen vaker gezinsactiviteiten door het werk (5,9 procent) dan omgekeerd (2,0 procent).

Bron: TNO en CBS (NEA 2025 in vogelvlucht), 2025

Behoefte aan aanvullende maatregelen tegen werkdruk en werkstress, 2024 (percentage werknemers)

AntwoordAlle werknemersWerknemers met stressvol werk
Niet nodig, speelt hier niet20,3%8,1%
Niet nodig, er zijn al voldoende maatregelen41,8%22,9%
Wel nodig, genomen maatregelen zijn onvoldoende28,4%46,7%
Wel nodig, er zijn nog geen maatregelen genomen9,5%22,2%

Bron: CBS, Bijna 1 op de 6 werknemers heeft stressvol werk (10 november 2025)

Werknemers met stressvol werk vragen ongeveer twee keer zo vaak om maatregelen als werknemers gemiddeld. De som van beide wel-nodig-antwoorden komt bij hen op 68,9 procent, tegenover 37,9 procent van alle werknemers. De scherpste discrepantie zit bij het antwoord dat er helemaal niets is gedaan: dat zegt bijna een kwart van de groep met stressvol werk.

Aan de werkgeverskant is het beeld gemengd. Ongeveer 80 procent van de werkgevers neemt minstens een maatregel om arbeidsomstandigheden te verbeteren en verzuim te verminderen. De meest genomen maatregelen zijn echter de minst ingrijpende: een open cultuur bevorderen (59 procent) en begeleiding bij verzuim en re-integratie (44 procent). Voorlichting en training blijft op 18 procent en onderzoek naar arbeidsrisico's op 12 procent.

Volgens TNO nemen vooral de ICT, het openbaar bestuur en de zorg bijna alle maatregelen vaker dan andere sectoren, terwijl in de bouw, de handel en de horeca beduidend minder maatregelen worden getroffen. Dat is relevant omdat juist de horeca het hoogste aandeel stressvol werk kent. In die sectoren geven werkgevers ook vaker aan niet te weten of er maatregelen zijn getroffen.

De percentages per antwoordcategorie komen uit verslagjaar 2024. Het NEA-totaal van 37 procent betreft 2025 en is gebaseerd op het samengenomen aandeel dat aanvullende maatregelen nodig vindt.

Lees dit eerst

Valkuilen voordat je deze cijfers citeert

  1. De NEA kent een methodologische trendbreuk tussen 2021 en 2022 Vanaf 2022 werkt de NEA met een split-half design: de steekproef wordt in twee helften verdeeld en een deel van de vragen wordt slechts aan een van beide helften gesteld. Cijfers van voor en na die wijziging zijn niet een-op-een vergelijkbaar. In de reeks voor psychische vermoeidheid is het effect goed zichtbaar: die springt van 17,3 procent in 2021 naar 20,0 procent in 2022, de grootste jaarsprong in de hele reeks. In de reeks voor emotioneel moeilijke werksituaties gaat het de andere kant op, van 9,1 procent naar 6,5 procent. Trek nooit een gladde lijn door die breuk en presenteer een verschil tussen bijvoorbeeld 2019 en 2025 niet als een zuivere ontwikkeling. TNO markeert de breuk expliciet in de trendfiguren van de NEA.
  2. NEA-zelfrapportage en de Kwartaalenquete Ziekteverzuim meten verschillende dingen De NEA vraagt werknemers zelf naar hun verzuim en naar de oorzaak daarvan. De Kwartaalenquete Ziekteverzuim van het CBS vraagt werkgevers naar geregistreerde ziektedagen en levert een verzuimpercentage: het aandeel ziektedagen in het totaal aantal werkdagen, in 2025 5,4 procent. Dat is iets heel anders dan het NEA-cijfer dat 22,5 procent van de werknemers het laatste verzuim deels aan het werk toeschrijft, of dat 52 procent van de werknemers in een jaar minstens een keer verzuimde. Meng deze cijfers niet in een berekening en gebruik ze niet door elkaar in een zin, ook al gaan ze allebei over verzuim.
  3. Stressvol werk is een afgeleide maat, geen diagnose en geen burn-out Stressvol werk is in de NEA gedefinieerd als de combinatie van hoge taakeisen en lage autonomie, in de literatuur een high strain job. Het is een classificatie van een baan op basis van drempelscores op twee schalen, niet een meting van de gezondheid of de klachten van de persoon die die baan heeft. Iemand met stressvol werk hoeft geen enkele klacht te hebben, en iemand met burn-outklachten hoeft geen stressvolle baan te hebben. De ICT illustreert dat: daar is stressvol werk zeldzaam (8,5 procent) terwijl burn-outklachten juist hoog zijn (25,0 procent). Schrijf dus nooit dat 15,4 procent van de werknemers werkstress heeft of een burn-out heeft.
  4. Burn-outklachten in de NEA zijn zelfrapportage, geen klinische diagnose Burn-outklachten worden in de NEA gemeten met een subschaal van vijf items over emotionele uitputting door het werk, op een schaal van 1 (nooit) tot 7 (elke dag). Wie boven de drempel van 3,20 scoort, wordt geteld. Het gaat dus om zelfgerapporteerde psychische vermoeidheid door het werk en niet om een door een arts of psycholoog vastgestelde aandoening. Het cijfer van 20,7 procent in 2025 zegt daarom niets over het aantal mensen met een klinische burn-out. Een bijkomend punt: de gemiddelde schaalscore is 2,36 en daarmee ver onder de drempel, wat laat zien hoe sterk het percentage van de precieze drempelkeuze afhangt.
  5. Een dalende werkdruk betekent niet dat het werk lichter is geworden De daling van de werkdruk van 38,1 procent naar 31,4 procent gaat over het volume van het werk: hoeveel er in hoeveel tijd moet gebeuren. In dezelfde periode verbeterde de autonomie op de vijf kernitems nauwelijks, en op twee items ging zij achteruit: zelf oplossingen bedenken daalde van 68,0 procent in 2014 naar 64,6 procent in 2025, en de volgorde van werkzaamheden bepalen van 62,4 procent naar 60,7 procent. Bovendien ervaart 75,0 procent van de werknemers het werk als mentaal moeilijk. Wie uit de werkdrukdaling concludeert dat de belasting afneemt, laat de inhoudelijke zwaarte en de regelruimte buiten beschouwing.
  6. Werknemers en zelfstandig ondernemers komen uit twee verschillende onderzoeken Cijfers over werknemers komen uit de NEA, die jaarlijks wordt uitgevoerd. Cijfers over zelfstandig ondernemers komen uit de Zelfstandigen Enquete Arbeid (ZEA), die tweejaarlijks wordt uitgevoerd. Dat betekent dat er voor zelfstandigen geen jaarcijfers zijn voor 2016, 2018, 2020, 2022 en 2024, en dat de vraagstellingen niet in alle gevallen identiek zijn. Tel de twee groepen niet bij elkaar op tot een cijfer voor alle werkenden, en vergelijk een werknemerscijfer uit 2025 niet met een zelfstandigencijfer uit 2023 zonder dat te vermelden.
  7. Er circuleren twee sectorindelingen met licht verschillende percentages De NEA-tabellenbijlage gebruikt dertien sectoren, de CBS-longread veertien bedrijfstakken waarin verhuur en handel van onroerend goed apart staat. Daardoor wijken percentages voor dezelfde sector licht af tussen beide publicaties: de werkdruk in de industrie staat in de NEA-bijlage op 27,8 procent en in de longread op 28,3 procent, en de zakelijke dienstverlening op 31,4 respectievelijk 31,6 procent. Beide zijn correct binnen hun eigen indeling. Vermeld bij een sectorcijfer dus altijd uit welke publicatie het komt, en combineer geen sectoren uit beide indelingen in een tabel.
  8. Sectorgemiddelden verhullen de verschillen tussen beroepen De zorg komt als sector op 22,6 procent stressvol werk uit, maar apothekersassistenten zitten op 50,8 procent. Het onderwijs komt op 23,2 procent, terwijl leerkrachten in het basisonderwijs op 38,5 procent zitten. De spreiding tussen beroepen is dus veel groter dan tussen sectoren, en het laagste beroepspercentage binnen een sector kan ruim onder het sectorgemiddelde liggen. Gebruik een sectorcijfer niet als uitspraak over een specifiek beroep. Let er daarbij op dat de beroepsuitsplitsing verslagjaar 2024 betreft en de sectorcijfers 2025.
Samenvatting

Belangrijkste conclusies

  • Werkdruk daalt al tien jaar, tegen de verwachting in Het aandeel werknemers met vaak of altijd werkdruk daalde van 38,1 procent in 2015 naar 31,4 procent in 2025. Die daling is zichtbaar in elk van de drie afzonderlijke taakeis-items en niet alleen in de samengestelde score. Ook onder zelfstandig ondernemers is er een daling, van 24,7 naar 22,2 procent.
  • Burn-outklachten bewegen de andere kant op Psychische vermoeidheid door het werk steeg van 13,4 procent in 2015 naar 20,7 procent in 2025. Dat werkdruk en burn-outklachten tien jaar lang in tegengestelde richting bewegen, betekent dat het volume van het werk niet de dominante verklaring voor de klachtenstijging kan zijn. Wel valt een deel van de sprong samen met de trendbreuk tussen 2021 en 2022.
  • Autonomie is de component die stilstaat Op de vijf kernitems van autonomie is in tien jaar vrijwel geen winst geboekt en op twee items is er achteruitgang. De groei zit uitsluitend in flexibiliteit over plaats en tijd, niet in regelruimte over de inhoud van het werk. In het taakeisen-autonomiemodel is juist die inhoudelijke regelruimte de beschermende factor.
  • Lage autonomie, niet hoge werkdruk, maakt een baan stressvol De financiele dienstverlening heeft met 31,5 procent een bovengemiddelde werkdruk, maar door een autonomie van 74,1 procent komt stressvol werk daar op slechts 9,1 procent uit. De horeca heeft een vergelijkbare werkdruk plus de laagste autonomie van alle sectoren (30,7 procent) en komt op 28,2 procent. Autonomie is daarmee de scheidende variabele.
  • Zorg en onderwijs zijn de enige sectoren waar alles tegelijk ongunstig is In de zorg en het onderwijs vallen alle vijf indicatoren ongunstig uit: hoge werkdruk (35,3 en 37,1 procent), lage autonomie (44,6 en 44,9 procent), veel stressvol werk (22,6 en 23,2 procent), veel burn-outklachten (22,9 en 25,3 procent) en veel emotioneel zwaar werk (19,8 en 16,2 procent). In deze twee sectoren is ook de behoefte aan aanvullende maatregelen het grootst, met 47 en 50 procent.
  • Jongeren hebben het vaakst stressvol werk, de middengroep de meeste klachten Stressvol werk piekt bij 15- tot 24-jarigen (20,5 procent) omdat hun autonomie met 27,9 procent zeer laag is. Burn-outklachten piekt daarentegen bij 25- tot 54-jarigen (23,5 procent), de groep met de hoogste werkdruk (34,3 procent) en de hoogste mentale moeilijkheidsgraad (80,7 procent). De twee indicatoren hebben dus een verschillende leeftijdsverdeling.
  • De bron van het werktempo verschilt fundamenteel per sector Voor 44,6 procent van de werknemers bepalen targets en deadlines het werktempo, voor 43,6 procent het aantal klanten of patienten. In de ICT is dat eerste dominant (71,6 procent), in de horeca en de zorg het tweede (70,7 en 64,7 procent). Dat onderscheid bepaalt hoe bestuurbaar de werkdruk in een sector is, omdat externe vraag zich minder laat uitstellen dan een interne deadline.
  • Werkgevers noemen werkdruk het grootste risico, maar grijpen het zelden aan de bron aan Werkdruk is met 34 procent het meest genoemde arbeidsrisico onder werkgevers, voor lichamelijke belasting (33 procent) en beeldschermwerk (27 procent). De maatregelen die zij nemen zijn echter vooral cultureel en procedureel: een open cultuur bevorderen (54 procent) en meer ruimte om het eigen werk te organiseren (52 procent), terwijl slechts 12 procent onderzoek doet naar arbeidsrisico's en klachten.
Verantwoording

Methodologie en bronnen

Alle cijfers op deze pagina komen uit vijf publicaties die wij zelf hebben geopend en uitgelezen. De Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA) is een jaarlijks onderzoek van TNO en het CBS onder werknemers van 15 tot 75 jaar; eind 2025 vulden ruim 53.000 werknemers de eenentwintigste editie in. De sectorcijfers, leeftijdscijfers en kwadranten komen uit de tabellenbijlage van NEA 2025 in vogelvlucht, die uitsplitst naar geslacht, vier leeftijdsklassen en dertien sectoren; verschillen tussen groepen zijn daar getoetst met de Pearson chi-kwadraattoets en de t-test, waarbij naast significantie ook een effectgroottecriterium (Cohen's d) is toegepast. De trendreeksen zijn opgehaald uit CBS StatLine-tabel 83157NED en uit de CBS-longread De arbeidsmarkt in cijfers 2025, hoofdstuk Arbeidsomstandigheden. De beroepsuitsplitsing komt uit het CBS-nieuwsbericht van 10 november 2025 over stressvol werk en betreft verslagjaar 2024. De cijfers per beroepsgroep over 2023 en de beschrijving van het trendverloop komen uit de Arbobalans 2024 van TNO. De werkgeverscijfers komen uit de Werkgevers Enquete Arbeid 2024 van TNO, waarin in de eerste helft van 2024 in totaal 6.150 werkgevers de vragenlijst invulden bij een bruikbare respons van 44,5 procent; die vragenlijst is in 2024 grondig herzien, waardoor vergelijkingen met eerdere WEA-jaren beperkt mogelijk zijn. Cijfers over zelfstandig ondernemers komen uit de tweejaarlijkse Zelfstandigen Enquete Arbeid (ZEA). Werkdruk is in de NEA geoperationaliseerd als een score van 2,5 of hoger op een schaal van 1 (nooit) tot 4 (altijd) over drie items; autonomie als 2,5 of hoger op een schaal van 1 (nee) tot 3 (regelmatig) over vijf items; burn-outklachten als een score boven 3,20 op een schaal van 1 (nooit) tot 7 (elke dag) over vijf items. Stressvol werk is de afgeleide combinatie van hoge taakeisen en lage autonomie. De NEA kent vanaf 2022 een split-half design, waardoor er een methodologische trendbreuk ligt tussen 2021 en 2022; die breuk is in de trendtabellen op deze pagina niet weggewerkt.

Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.

Gebruikte bronnen

Vragen

Veelgestelde vragen

Stijgt de werkdruk in Nederland?

Nee, volgens de zelfrapportage van werknemers daalt die. Het aandeel werknemers met vaak of altijd werkdruk ging van 38,1 procent in 2015 naar 31,4 procent in 2025. Die daling is terug te zien in alle drie de afzonderlijke vragen waarmee werkdruk wordt gemeten: erg snel moeten werken ging van 36,2 naar 29,7 procent, heel veel werk moeten doen van 45,4 naar 39,9 procent en extra hard moeten werken van 30,6 naar 25,1 procent. Ook onder zelfstandig ondernemers is er een daling, van 24,7 naar 22,2 procent.

Hoe kan de werkdruk dalen terwijl burn-outklachten stijgen?

Werkdruk meet het volume van het werk, niet de regelruimte of de inhoudelijke zwaarte ervan. De autonomie op de vijf kernitems verbeterde in tien jaar nauwelijks en ging op twee items achteruit, en 75,0 procent van de werknemers ervaart het werk als mentaal moeilijk. Daarnaast ligt er een methodologische trendbreuk tussen 2021 en 2022 die samenvalt met de grootste sprong in de burn-outreeks (van 17,3 naar 20,0 procent). Een deel van de stijging is dus een meeteffect en niet volledig een verandering in het werk zelf.

Wat is stressvol werk precies?

Stressvol werk is in de NEA de combinatie van hoge taakeisen en lage autonomie, in de internationale literatuur een high strain job genoemd. Het is een van vier kwadranten die ontstaan door taakeisen en autonomie te kruisen. In 2025 had 15,4 procent van de werknemers zo'n baan, 16,0 procent had hoge taakeisen met hoge autonomie (active job), 41,0 procent lage taakeisen met hoge autonomie (low strain job) en 27,6 procent lage taakeisen met lage autonomie (passive job). Het is een classificatie van de baan en geen uitspraak over de gezondheid van de werknemer.

In welke sector is de werkdruk het hoogst?

In de horeca, met 39,9 procent van de werknemers, gevolgd door het onderwijs (37,1 procent) en de zorg (35,3 procent). De laagste werkdruk is er in vervoer en opslag (25,8 procent), de landbouw (26,3 procent) en het openbaar bestuur (26,9 procent). Bij stressvol werk is de rangorde vergelijkbaar aan de top, maar veel extremer: horeca 28,2 procent, onderwijs 23,2 procent en zorg 22,6 procent, tegenover 7,7 procent in het openbaar bestuur en 8,2 procent in de bouw.

Welk beroep heeft het meeste stressvolle werk?

Apothekersassistenten, met 50,8 procent in 2024, ruim drie keer het landelijke gemiddelde van 15,6 procent. Daarna volgen leerkrachten in het basisonderwijs en medisch praktijkassistenten (beide 38,5 procent), artsen (35,0 procent), docenten algemene vakken in het voortgezet onderwijs (34,7 procent) en kelners en barpersoneel (34,4 procent). Alle tien beroepen in de top tien zitten in de zorg, het onderwijs of de horeca. Het CBS beschrijft ze als functies met veel directe verantwoordelijkheid en weinig regelruimte.

Hebben vrouwen meer werkdruk dan mannen?

Ja, maar het verschil in stressvol werk is groter dan het verschil in werkdruk. De werkdruk ligt bij vrouwelijke werknemers op 34,5 procent tegen 28,4 procent bij mannen. Bij stressvol werk is de verhouding 19,6 tegen 11,3 procent. Dat komt doordat ook de autonomie verschilt: 50,2 procent bij vrouwen tegen 63,5 procent bij mannen. Volgens TNO wordt het verschil in stressvol werk grotendeels verklaard doordat mannen vaker autonomie ervaren. Bij zelfstandig ondernemers is het beeld omgekeerd: daar ervaart 30 procent van de mannen vaak of altijd werkdruk tegen 26 procent van de vrouwen.

Hoeveel verzuim komt door werkdruk?

Van de werknemers zei 22,5 procent in 2025 dat hun meest recente ziekteverzuim hoofdzakelijk of deels door het werk kwam. Binnen die groep noemde 28 procent een te hoge werkdruk als belangrijke reden, de meest genoemde oorzaak, gevolgd door besmetting op het werk (14 procent) en lichamelijk te zwaar werk (11 procent). Let op: dit zijn zelfrapportagecijfers uit de NEA en geen geregistreerde verzuimdagen. Het verzuimpercentage van 5,4 procent in 2025 komt uit de Kwartaalenquete Ziekteverzuim en meet iets anders, namelijk het aandeel ziektedagen in het totaal aantal werkdagen.

Vinden werknemers dat er genoeg tegen werkdruk wordt gedaan?

Een substantieel deel niet. In 2025 vond 37 procent van de werknemers dat er aanvullende maatregelen nodig zijn rond werkdruk en werkstress, tegen 41 procent in 2022. Onder werknemers met stressvol werk is de onvrede veel groter: in 2024 vond 46,7 procent van hen de genomen maatregelen onvoldoende en zei 22,2 procent dat er helemaal geen maatregelen zijn genomen, tegenover 28,4 en 9,5 procent van alle werknemers. De behoefte is het grootst in het onderwijs (50 procent) en de zorg (47 procent).

Over de samensteller

Wie deze cijfers verzamelde

Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.

De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.

Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.

Meer cijferoverzichten