DiversaMente › Cijfers › Mentale gezondheid in cijfers
CijferoverzichtDe mentale gezondheid van vrouwen en mannen in Nederland in cijfers
Op de vraag hoeveel Nederlandse vrouwen psychische problemen hebben bestaan vier verschillende antwoorden, en alle vier zijn ze juist. De MHI-5 in de Gezondheidsenquete van het CBS komt voor 2024 op 49,0 procent, de SF-12 in diezelfde enquete op 20,5 procent, de K10 in de Gezondheidsmonitor op 12,1 procent en het diagnostisch interview van NEMESIS-3 op 27,8 procent. De vier vragenlijsten meten iets anders, over een andere periode, in een andere populatie. Op deze pagina staat bij elk cijfer welk instrument het heeft gemeten, onder wie, over welke periode en in welk jaar. Alle cijfers komen uit bronnen die wij zelf hebben opgevraagd: de Gezondheidsenquete en de Gezondheidsmonitor van het CBS, de Monitor mentale gezondheid van het RIVM, NEMESIS-3 van het Trimbos-instituut en de doodsoorzakenstatistiek van het CBS.
Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.
49,0%vrouwen 12 jaar en ouder, MHI-5, 2024
Van de vrouwen van 12 jaar en ouder had 49,0 procent in 2024 angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken, gemeten met de MHI-5 bij een afkapwaarde van 76 of lager. Bij mannen was dat 38,3 procent.
20,5%vrouwen 12 jaar en ouder, SF-12, 2024
Van de vrouwen van 12 jaar en ouder had 20,5 procent in 2024 een minder goede psychische gezondheid volgens de SF-12, waarbij een score van 42 of lager op de psychische normscore de grens is. Bij mannen was dat 15,2 procent.
12,1%vrouwen 18 tot 65 jaar, K10, 2024
Van de vrouwen van 18 tot en met 64 jaar had 12,1 procent in 2024 een hoog risico op een angststoornis of depressie volgens de K10, bij een somscore van 30 of hoger. Bij mannen was dat 8,7 procent.
27,8%vrouwen 18 tot 75 jaar, diagnostisch interview, 2019-2022
Van de vrouwen van 18 tot en met 75 jaar had 27,8 procent in de twaalf maanden voor het interview een psychische aandoening volgens de DSM-5, vastgesteld met een diagnostisch interview. Bij mannen was dat 24,0 procent.
Vier vragenlijsten, vier antwoorden op dezelfde vraag
De vier Nederlandse cijfers die het meest circuleren over psychische problemen bij vrouwen komen uit vier verschillende meetinstrumenten. De MHI-5 is een vragenlijst van vijf vragen over de afgelopen vier weken, met een somscore van 0 tot 100. De SF-12 bestaat uit twaalf vragen en levert twee normscores op, een voor fysieke en een voor psychische gezondheid. De K10 is een vragenlijst van tien vragen met een somscore van 10 tot 50. Het diagnostisch interview van NEMESIS-3 is een gesprek van gemiddeld 91 minuten waarin een psychische aandoening volgens de DSM-5 wordt vastgesteld. De eerste twee komen uit dezelfde enquete en hetzelfde verslagjaar, en komen toch op 49,0 en 20,5 procent uit.
5 vragenMHI-5, somscore 0 tot 100
De MHI-5 bestaat uit vijf vragen over hoe iemand zich de afgelopen vier weken voelde, waarna de scores worden opgeteld en met vier vermenigvuldigd, zodat de somscore tussen 0 en 100 ligt.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), bijlage 1
12 vragenSF-12, twee normscores
De SF-12 is de verkorte versie van de SF-36 en bestaat uit twaalf vragen waaruit twee samenvattende maten worden berekend: een normscore voor fysieke gezondheid en een normscore voor psychische gezondheid.
10 vragenK10, somscore 10 tot 50
De K10 bevat tien vragen over hoe iemand zich de afgelopen vier weken voelde, zoals hoe vaak iemand zich hopeloos voelde, met antwoordcategorieen van altijd tot nooit en een somscore van 10 tot 50.
91 minutenNEMESIS-3, diagnostisch interview
Het interview van NEMESIS-3 duurde gemiddeld 91 minuten, waarvan 43 minuten voor het diagnostisch instrument en 48 minuten voor de aanvullende vragenlijst.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Meting 1 (2019-2022), lengte van de gesprekken
4 weken tegen 12 maandenmeetperiode per instrument
De MHI-5, de SF-12 en de K10 vragen naar de afgelopen vier weken. Het diagnostisch interview van NEMESIS-3 kijkt naar de afgelopen twaalf maanden en naar het hele leven. Een vierwekencijfer en een jaarcijfer zijn daarom niet uitwisselbaar.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Prevalentie van psychische aandoeningen
36,9 procentpuntverschil tussen hoogste en laagste meting, vrouwen
Tussen de hoogste meting (MHI-5, 49,0 procent) en de laagste meting (K10, 12,1 procent) zit voor vrouwen een verschil van 36,9 procentpunt; tussen de MHI-5 en de SF-12, uit dezelfde enquete en hetzelfde jaar, zit 28,5 procentpunt.
Vier Nederlandse metingen van psychische problemen, naast elkaar met instrument, afkapwaarde, meetperiode, populatie en meetjaar. De percentages in de laatste twee kolommen staan voor dezelfde vraag, maar zijn niet onderling vergelijkbaar.
| Meetinstrument | Afkapwaarde of criterium | Meetperiode | Populatie | Meetjaar | Vrouwen | Mannen |
|---|---|---|---|---|---|---|
| MHI-5 (CBS Gezondheidsenquete) | somscore 76 of lager van 0 tot 100 | afgelopen 4 weken | 12 jaar en ouder | 2024 | 49,0% | 38,3% |
| SF-12, psychische normscore (CBS Gezondheidsenquete) | normscore 42 of lager | afgelopen 4 weken | 12 jaar en ouder | 2024 | 20,5% | 15,2% |
| K10 (Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen) | somscore 30 of hoger van 10 tot 50 | afgelopen 4 weken | 18 tot 65 jaar | 2024 | 12,1% | 8,7% |
| Diagnostisch interview CIDI 3.0 (NEMESIS-3) | criteria van de DSM-5 | afgelopen 12 maanden | 18 tot 75 jaar | 2019-2022 | 27,8% | 24,0% |
De MHI-5 en de SF-12 komen uit dezelfde steekproef van de Gezondheidsenquete en hetzelfde verslagjaar. Het verschil van 28,5 procentpunt tussen 49,0 en 20,5 procent komt dus niet door een andere groep respondenten, maar door een andere vragenlijst en een andere grens.
De MHI-5: bijna de helft van de vrouwen
De MHI-5 is het instrument achter het bekendste Nederlandse cijfer. Het CBS gebruikt de vijf vragen in de Gezondheidsenquete en noemt de uitkomst sinds 10 september 2024 angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken. Voor 2024 komt dat uit op 49,0 procent van de vrouwen en 38,3 procent van de mannen van 12 jaar en ouder. Opvallend is niet alleen het niveau, maar de stabiliteit van het verschil: in elk van de twaalf jaren sinds 2014 ligt het aandeel bij vrouwen 9,5 tot 11,8 procentpunt hoger dan bij mannen.
10,7 procentpuntverschil vrouwen en mannen, 2024
In 2024 lag het aandeel met angst- of depressiegevoelens bij vrouwen 10,7 procentpunt hoger dan bij mannen, 49,0 tegen 38,3 procent.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
43,7%totale bevolking 12 jaar en ouder, 2024
Over de hele bevolking van 12 jaar en ouder komt de MHI-5 in 2024 uit op 43,7 procent met angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
47,2%vrouwen 12 jaar en ouder, 2025
In 2025 daalde het aandeel vrouwen met angst- of depressiegevoelens naar 47,2 procent en het aandeel mannen naar 36,0 procent, het eerste jaar met een daling bij beide groepen sinds 2023.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
49,6%vrouwen 12 jaar en ouder, 2022
Het hoogste cijfer in de reeks staat op 2022, toen 49,6 procent van de vrouwen op de MHI-5 een score van 76 of lager had.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
0,79 en 0,79sensitiviteit en specificiteit bij afkapwaarde 76
Bij een afkapwaarde van 76 is de sensitiviteit van de MHI-5 voor enige angst- of stemmingsstoornis 0,79 en de specificiteit ook 0,79. Dat betekent dat ongeveer een op de vijf mensen met zo'n stoornis niet wordt opgemerkt en ongeveer een op de vijf mensen zonder stoornis toch boven de grens uitkomt.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 3
20,8%voorspellende waarde positieve uitslag
Van de mensen met een MHI-5-somscore van 76 of lager had 20,8 procent volgens het diagnostisch interview ook werkelijk een angst- of stemmingsstoornis in de afgelopen maand. Een score onder de grens is dus een signaal, geen vaststelling.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 5
Angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken volgens de MHI-5 (somscore 76 of lager), personen van 12 jaar en ouder, naar geslacht en jaar. Het CBS heeft de reeks met de nieuwe afkapwaarde teruggerekend tot 2014.
| Jaar | Mannen | Vrouwen | Verschil in procentpunten |
|---|---|---|---|
| 2014 | 30,7% | 41,2% | 10,5 |
| 2015 | 30,8% | 41,8% | 11,0 |
| 2016 | 33,2% | 42,7% | 9,5 |
| 2017 | 31,5% | 41,9% | 10,4 |
| 2018 | 32,6% | 43,5% | 10,9 |
| 2019 | 33,3% | 44,3% | 11,0 |
| 2020 | 34,1% | 45,9% | 11,8 |
| 2021 | 38,5% | 49,2% | 10,7 |
| 2022 | 38,4% | 49,6% | 11,2 |
| 2023 | 36,5% | 48,2% | 11,7 |
| 2024 | 38,3% | 49,0% | 10,7 |
| 2025 | 36,0% | 47,2% | 11,2 |
De verschilkolom is berekend uit de twee kolommen ervoor. Het verschil tussen vrouwen en mannen schommelt in twaalf jaar tussen 9,5 en 11,8 procentpunt, terwijl het niveau bij beide groepen met ongeveer zes procentpunt steeg.
De breuk van 2024: de afkapwaarde ging van 60 naar 76
Tot september 2024 gold in Nederland een MHI-5-somscore van 60 of lager als psychisch ongezond of als psychische klachten. Het Trimbos-instituut stelde met de gegevens van NEMESIS-3 een nieuwe afkapwaarde vast: 76. De oude grens was in 2000 bepaald met een methode die afhangt van hoe vaak aandoeningen voorkomen, was gebaseerd op de DSM-III-R en was nooit gevalideerd voor mensen boven de 65. De nieuwe grens is bepaald met Youden's index en is onafhankelijk van de prevalentie. Omdat de nieuwe grens hoger ligt, vallen er meer mensen boven de streep, en zijn de cijfers na de herijking hoger dan ervoor. Een reeks die door deze breuk heen loopt, meet twee verschillende dingen.
7,5% tegen 24,8%dezelfde 6.186 respondenten, twee afkapwaarden
In dezelfde steekproef van 6.186 NEMESIS-3-respondenten had 7,5 procent een MHI-5-somscore van 60 of lager en 24,8 procent een somscore van 76 of lager. Dat is hetzelfde instrument bij dezelfde mensen op hetzelfde moment, met een ruim drie keer zo hoog cijfer.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), bijlage 3 en tabel 5
15,5% tegen 48,2%vrouwen 12 jaar en ouder, 2023
2023 is het laatste jaar waarin het CBS beide indicatoren publiceerde. Bij vrouwen stond de oude indicator psychische klachten op 15,5 procent en de nieuwe indicator angst- of depressiegevoelens op 48,2 procent. Bij mannen was dat 11,9 tegen 36,5 procent.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
42,1%sensitiviteit van de oude afkapwaarde
De oude afkapwaarde van 60, bepaald in 2000, had een sensitiviteit van 42,1 procent en een specificiteit van 93,1 procent. Meer dan de helft van de mensen met een van de onderzochte aandoeningen werd daarmee als psychisch gezond geclassificeerd.
6,5%maandprevalentie volgens het diagnostisch interview
Van de NEMESIS-3-respondenten had 6,5 procent in de afgelopen maand een angst- of stemmingsstoornis volgens het diagnostisch interview, met specifieke fobieen niet meegerekend. Dat is de maat waartegen de MHI-5 is gevalideerd.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 2
61,89 tegen 85,60gemiddelde MHI-5-somscore
Respondenten met een angst- of stemmingsstoornis hadden een gemiddelde MHI-5-somscore van 61,89, tegen 85,60 bij respondenten zonder zo'n stoornis.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 2
0,86oppervlak onder de ROC-curve
Het onderscheidend vermogen van de MHI-5 over de hele reeks somscores is 0,86 voor enige angst- of stemmingsstoornis en 0,93 voor enige stemmingsstoornis. Voor specifieke fobieen bleek het te laag, daarom zijn die buiten de validatie gelaten.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), figuur 1
68 en 72afkapwaarden voor andere uitkomstmaten
Voor enige stemmingsstoornis is de optimale afkapwaarde 68 en voor twee of meer angst- of stemmingsstoornissen 72. Welk percentage uit de MHI-5 komt, hangt dus af van welke uitkomst de onderzoeker wilde benaderen.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 3
Wat elke mogelijke afkapwaarde van de MHI-5 oplevert in dezelfde steekproef (NEMESIS-3, n=6.186): het aandeel respondenten met een score tot en met die waarde, plus de sensitiviteit en specificiteit voor enige angst- of stemmingsstoornis in de afgelopen maand.
| Afkapwaarde MHI-5 | Aandeel met score tot en met die waarde | Sensitiviteit | Specificiteit |
|---|---|---|---|
| 52 | 4,1% | 0,33 | 0,98 |
| 56 | 4,1% | 0,33 | 0,98 |
| 60 (oude grens) | 7,5% | 0,50 | 0,95 |
| 64 | 10,2% | 0,58 | 0,93 |
| 68 | 13,6% | 0,66 | 0,90 |
| 72 | 18,5% | 0,72 | 0,85 |
| 76 (nieuwe grens) | 24,8% | 0,79 | 0,79 |
| 80 | 34,0% | 0,86 | 0,70 |
| 84 | 45,6% | 0,90 | 0,57 |
| 88 | 60,6% | 0,95 | 0,42 |
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), bijlage 2 en bijlage 3
Het Trimbos-instituut schrijft in dezelfde factsheet dat het wenselijk is om trends met terugwerkende kracht opnieuw te berekenen en dat onderzoekers beide reeksen naast elkaar kunnen laten zien, met een toelichting waarom de cijfers anders zijn berekend dan voorheen. Het CBS heeft de nieuwe indicator teruggerekend tot 2014; voor de jaren daarvoor bestaat alleen de oude maat.
De SF-12: een op de vijf vrouwen, en een reeks met een gat
De SF-12 zit in dezelfde Gezondheidsenquete als de MHI-5 en meet met twaalf vragen zowel fysieke als psychische gezondheid. Een psychische normscore van 42 of lager geldt als een minder goede psychische gezondheid. Daarmee komt 2024 uit op 20,5 procent van de vrouwen en 15,2 procent van de mannen van 12 jaar en ouder. De reeks loopt terug tot 2001, maar heeft een gat: tussen 2014 en 2019 stonden de SF-12-vragen niet in de enquete, omdat de Europese gezondheidsenquete erin moest worden geintegreerd. In 2025 stonden ze er om dezelfde reden opnieuw niet in.
17,9%totale bevolking 12 jaar en ouder, 2024
In 2024 had 17,9 procent van de 12-plussers een minder goede psychische gezondheid volgens de SF-12, tegen 36,2 procent met een minder goede fysieke gezondheid.
14,0% tegen 20,5%vrouwen, 2001 en 2024
Bij vrouwen steeg het aandeel met een minder goede psychische gezondheid van 14,0 procent in 2001 naar 20,5 procent in 2024. Bij mannen ging het van 8,7 naar 15,2 procent.
26,2%18 tot 25 jaar, 2024
De SF-12 geeft het hoogste percentage bij 18- tot 25-jarigen, 26,2 procent, en het laagste bij 75-plussers, 9,9 procent. Bij fysieke gezondheid is die rangorde precies omgekeerd.
6 jaargat in de reeks, 2014 tot en met 2019
De SF-12-vragen zijn in 2014 uit de Gezondheidsenquete geschrapt en in 2020 teruggeplaatst, dus voor 2014 tot en met 2019 bestaan er geen SF-12-cijfers. In 2025 stonden de vragen er opnieuw niet in.
2027 en 2030geplande terugkeer van de SF-12
Het CBS gaat vanaf 2026 met roterende modules werken en heeft het voornemen om de SF-12 in de Gezondheidsenquetes van 2027 en 2030 te laten terugkeren.
24,9% tegen 11,8%laagste en hoogste welvaartsgroep, 2024
Van de 12-plussers in de laagste welvaartsgroep had 24,9 procent een minder goede psychische gezondheid, tegen 11,8 procent in de hoogste welvaartsgroep. Naar onderwijsniveau was er bij psychische gezondheid geen verschil: 17,6, 17,1 en 17,0 procent.
Minder goede psychische gezondheid volgens de SF-12 (psychische normscore 42 of lager), personen van 12 jaar en ouder, naar geslacht en jaar. Voor 2014 tot en met 2019 zijn er geen cijfers omdat de SF-12 toen niet in de Gezondheidsenquete stond.
| Jaar | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| 2001 | 8,7% | 14,0% |
| 2002 | 7,8% | 14,7% |
| 2003 | 9,7% | 12,8% |
| 2004 | 9,6% | 13,4% |
| 2005 | 9,2% | 13,9% |
| 2006 | 8,4% | 14,5% |
| 2007 | 9,3% | 12,6% |
| 2008 | 7,9% | 10,8% |
| 2009 | 8,7% | 12,8% |
| 2010 | 9,3% | 12,5% |
| 2011 | 10,2% | 12,5% |
| 2012 | 9,0% | 13,5% |
| 2013 | 10,0% | 13,5% |
| 2014 tot en met 2019 | niet gemeten | niet gemeten |
| 2020 | 12,5% | 18,9% |
| 2021 | 15,5% | 21,8% |
| 2022 | 14,9% | 20,9% |
| 2023 | 14,2% | 19,5% |
| 2024 | 15,2% | 20,5% |
Het CBS presenteert de reeks ook gewogen naar de leeftijdsopbouw van 2001. Dan komt 2024 uit op 18,8 in plaats van 17,9 procent, dus de stijging verdwijnt niet als je de vergrijzing eruit haalt.
De K10: het laagste cijfer, en het enige dat ook buiten man en vrouw meet
De K10 wordt gebruikt in de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, een onderzoek van de GGD'en, het CBS en het RIVM dat eens per vier jaar wordt uitgevoerd, met een extra meting in 2022 vanwege corona. Een somscore van 30 of hoger geldt als een hoog risico op een angststoornis of depressie. Dit instrument geeft van de vier het laagste percentage: 12,1 procent van de vrouwen van 18 tot en met 64 jaar in 2024. De Gezondheidsmonitor is ook de enige van de vier metingen op deze pagina met een categorie buiten man en vrouw, en daar staat het hoogste cijfer van allemaal.
8,9%18 jaar en ouder, 2024
Van alle mensen van 18 jaar en ouder had 8,9 procent in 2024 een hoog risico op een angststoornis of depressie volgens de K10: 7,4 procent van de mannen en 10,2 procent van de vrouwen.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Risico op een angststoornis of depressie (algemene bevolking)
35,4%gender anders dan man of vrouw, 18 jaar en ouder, 2024
Van de mensen met een gender anders dan man of vrouw had 35,4 procent een hoog risico op een angststoornis of depressie, tegen 7,4 procent van de mannen en 10,2 procent van de vrouwen. In de groep van 18 tot en met 64 jaar was dat 38,1 procent en bij 65-plussers 6,6 procent.
10,5% tegen 4,2%18 tot 65 jaar en 65 jaar en ouder, 2024
Het hoge risico volgens de K10 kwam voor bij 10,5 procent van de 18- tot 65-jarigen en bij 4,2 procent van de 65-plussers.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Risico op een angststoornis of depressie (algemene bevolking)
16,5% tegen 7,5%laagste en hoogste opleidingsniveau, 18 tot 65 jaar, 2024
Bij 18- tot 65-jarigen met lo, mavo of lbo als hoogste opleiding had 16,5 procent een hoog risico, tegen 7,5 procent bij hbo en wo. Dat verschil is groter dan het verschil tussen vrouwen en mannen.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Risico op angststoornis of depressie (volwassenen)
11,0%vrouwen 18 jaar en ouder, 2022
De piek in de reeks staat op 2022, het jaar van de extra Corona Gezondheidsmonitor: toen had 11,0 procent van de vrouwen en 8,2 procent van de mannen van 18 jaar en ouder een hoog risico.
2,8 tot 13,8%spreiding tussen gemeenten, 18 jaar en ouder, 2024
Per gemeente varieert het aandeel mensen van 18 jaar en ouder met een hoog risico op een angststoornis of depressie van 2,8 tot 13,8 procent.
Hoog risico op een angststoornis of depressie volgens de K10 (somscore 30 of hoger), naar geslacht, leeftijdsgroep en meetjaar. In 2014 en 2018 is de Gezondheidsmonitor niet uitgevoerd; 2022 was een extra Corona Gezondheidsmonitor.
| Jaar | Mannen 18 tot 65 jaar | Vrouwen 18 tot 65 jaar | Mannen 65 jaar en ouder | Vrouwen 65 jaar en ouder |
|---|---|---|---|---|
| 2012 | 5,0% | 7,1% | 2,9% | 5,4% |
| 2016 | 6,4% | 7,7% | 3,3% | 5,8% |
| 2020 | 6,0% | 8,4% | 2,9% | 4,7% |
| 2022 | 9,6% | 13,0% | 3,7% | 5,3% |
| 2024 | 8,7% | 12,1% | 3,2% | 5,0% |
In 2012 en 2016 ging het bij de volwassenen om 19 jaar en ouder in plaats van 18 jaar en ouder. Bij 65-plussers is de uitkomst in twaalf jaar nauwelijks veranderd, terwijl die bij 18- tot 65-jarigen bijna verdubbelde.
Het diagnostisch interview: 27,8 procent, en per aandoening een ander beeld
NEMESIS-3 is het enige Nederlandse onderzoek dat psychische aandoeningen vaststelt met een volledig diagnostisch interview volgens de DSM-5, afgenomen door getrainde interviewers, vrijwel altijd thuis bij de deelnemer. Daarmee is het de enige van de vier metingen die over aandoeningen gaat en niet over gevoelens of klachten. Het verschil tussen vrouwen en mannen is hier het kleinst van de vier: 27,8 tegen 24,0 procent in de afgelopen twaalf maanden. Zodra je per hoofdgroep kijkt, verdwijnt dat gemiddelde beeld: bij angststoornissen is de verhouding bijna twee tegen een in het nadeel van vrouwen, bij middelenstoornissen is het bijna twee tegen een de andere kant op.
6.194deelnemers, 2019-2022
Aan de eerste meting van NEMESIS-3 namen 6.194 personen van 18 tot en met 75 jaar deel, van wie 1.576 voor en 4.618 tijdens de coronapandemie werden geinterviewd.
54,6%gewogen respons NEMESIS-3
De gewogen respons van NEMESIS-3 was 54,6 procent, lager dan de 64,2 procent van NEMESIS-1 in 1996 en de 65,1 procent van NEMESIS-2 in 2007-2009. De steekproef bestond uit 12.133 geschikte personen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Meting 1 (2019-2022), respons
51,8% tegen 44,9%ooit in het leven, vrouwen en mannen
Ooit in het leven had 51,8 procent van de vrouwen en 44,9 procent van de mannen een psychische aandoening, met een odds ratio van 1,33 voor vrouwen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Demografische kenmerken, prevalentie ooit in het leven naar demografie
1,24odds ratio vrouwen, 12 maanden
Voor enige psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden hebben vrouwen een odds ratio van 1,24 ten opzichte van mannen, met een betrouwbaarheidsinterval van 1,07 tot 1,44. Voor angststoornissen is dat 1,97 en voor middelenstoornissen 0,48.
3.269.700volwassenen met een 12-maandsaandoening
Omgerekend naar de bevolking gaat het om 3.269.700 volwassenen van 18 tot en met 75 jaar met een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden, met een betrouwbaarheidsinterval van 2.447.000 tot 4.092.000.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Prevalentie, aantallen Nederlanders met een 12-maands aandoening
1,8 tegen 1,5 miljoenvrouwen en mannen, 12 maanden
Bijna 1,8 miljoen vrouwen en 1,5 miljoen mannen hadden in de afgelopen twaalf maanden een psychische aandoening.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Prevalentie, aantallen naar geslacht en leeftijd
12,8% tegen 9,2%twee of meer aandoeningen, 18 tot 75 jaar
Twee of meer psychische aandoeningen in de afgelopen twaalf maanden kwamen voor bij 12,8 procent van de vrouwen en 9,2 procent van de mannen.
39,6% tegen 13,9%18 tot 25 jaar en 65 tot 75 jaar
Een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden kwam voor bij 39,6 procent van de 18- tot 25-jarigen en bij 13,9 procent van de 65- tot 75-jarigen. Het leeftijdsverschil is bijna een factor drie, het verschil tussen vrouwen en mannen is een factor 1,2.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Enige psychische aandoening (algemene bevolking), NEMESIS-3
Psychische aandoeningen in de afgelopen twaalf maanden volgens het diagnostisch interview van NEMESIS-3, naar geslacht, met 95%-betrouwbaarheidsintervallen. Meetperiode november 2019 tot maart 2022, 18 tot en met 75 jaar.
| Aandoening | Mannen | 95%-interval mannen | Vrouwen | 95%-interval vrouwen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Enige psychische aandoening | 24,0% | 21,4-26,6 | 27,8% | 25,4-30,2 | 25,9% |
| Enige stemmingsstoornis | 8,1% | 6,7-9,5 | 11,5% | 10,1-13,0 | 9,8% |
| Depressieve stoornis | 6,7% | 5,6-7,8 | 10,4% | 9,0-11,7 | 8,5% |
| Persisterende depressieve stoornis | 2,6% | 1,8-3,4 | 4,4% | 3,3-5,5 | 3,5% |
| Bipolaire stoornis | 1,3% | 0,8-1,8 | 1,1% | 0,7-1,5 | 1,2% |
| Enige angststoornis | 11,0% | 9,6-12,5 | 19,4% | 17,5-21,4 | 15,2% |
| Specifieke fobie | 4,6% | 3,8-5,5 | 11,0% | 9,6-12,4 | 7,8% |
| Sociale fobie | 4,6% | 3,6-5,5 | 6,7% | 5,6-7,8 | 5,6% |
| Gegeneraliseerde angststoornis | 2,8% | 2,1-3,4 | 4,8% | 3,9-5,8 | 3,8% |
| Paniekstoornis | 1,5% | 1,1-1,9 | 2,9% | 2,0-3,9 | 2,2% |
| Enige middelenstoornis | 9,5% | 7,4-11,6 | 4,8% | 3,6-6,0 | 7,1% |
| Alcoholstoornis | 7,5% | 5,8-9,2 | 3,3% | 2,5-4,2 | 5,4% |
| Drugsstoornis | 2,8% | 1,7-3,9 | 1,7% | 1,0-2,4 | 2,3% |
Bij bipolaire stoornis overlappen de betrouwbaarheidsintervallen van mannen en vrouwen volledig; daar is geen verschil aangetoond. Bij de validatie van de MHI-5 bleek specifieke fobie juist het slechtst te worden opgepikt door de vragenlijst, terwijl dat bij vrouwen de meest voorkomende afzonderlijke angststoornis is.
Niet elke maat wijst dezelfde kant op
Het beeld dat vrouwen er bij elke psychische maat slechter voor staan, houdt geen stand als je de maten los bekijkt. Bij middelenstoornissen staan mannen ver voorop, bij zelfdoding is het aantal mannen ruim twee keer zo groot als het aantal vrouwen, en bij sterke eenzaamheid onder Nederlandse volwassenen is er geen verschil. Dat laatste wordt vaak verkeerd weergegeven: VZinfo schrijft zelf dat eenzaamheid iets vaker bij mannen voorkomt dan bij vrouwen.
9,5% tegen 4,8%middelenstoornis, mannen en vrouwen, 12 maanden
Een middelenstoornis in de afgelopen twaalf maanden kwam voor bij 9,5 procent van de mannen en 4,8 procent van de vrouwen, met een odds ratio van 0,48 voor vrouwen. Ooit in het leven was dat 22,5 tegen 11,0 procent.
14,0 tegen 6,6zelfdoding per 100.000 inwoners, 2024
In 2024 overleden 1.251 mannen en 599 vrouwen door zelfdoding, oftewel 14,0 per 100.000 mannen en 6,6 per 100.000 vrouwen.
Bron: CBS StatLine, Overledenen; zelfdoding (inwoners), diverse kenmerken (7022gza)
10,9% tegen 10,8%sterke eenzaamheid, 18 tot 65 jaar, 2025
Van de mensen van 18 tot en met 64 jaar gaf 10,9 procent van de mannen en 10,8 procent van de vrouwen in 2025 aan sterk eenzaam te zijn, gemeten met de verkorte eenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Eenzaamheid (volwassenen), Sociale Samenhang en Welzijn, CBS
8,6% tegen 8,4%sterke eenzaamheid, 65 jaar en ouder, 2025
Bij 65-plussers gaf 8,6 procent van de mannen en 8,4 procent van de vrouwen aan sterk eenzaam te zijn.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Eenzaamheid (ouderen), Sociale Samenhang en Welzijn, CBS
47,7% tegen 44,6%eenzaamheid volwassenen, 2024
In de Gezondheidsmonitor 2024 gaf 47,7 procent van de mannen en 44,6 procent van de vrouwen van 18 jaar en ouder aan eenzaam te zijn. Bij sterke eenzaamheid was het verschil er bijna niet: 13,0 tegen 13,2 procent.
Bron: VZinfo, Eenzaamheid, Leeftijd en geslacht, Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2024
16% tegen 7%eenzame scholieren, 12 tot 16 jaar, 2023
Bij scholieren van 12 tot en met 16 jaar is het beeld wel eenzijdig: 15,6 procent van de meisjes en 7,0 procent van de jongens gaf in 2023 aan zich meestal of altijd eenzaam te voelen, bij 11,4 procent gemiddeld.
Bron: VZinfo, Eenzaamheid, Leeftijd en geslacht, Peilstationsonderzoek Scholieren 2023
Zelfdoding naar leeftijd en geslacht in 2024, in absolute aantallen en per 100.000 inwoners van die leeftijdsgroep.
| Leeftijd | Mannen, aantal | Mannen per 100.000 | Vrouwen, aantal | Vrouwen per 100.000 |
|---|---|---|---|---|
| Jonger dan 20 jaar | 34 | 1,8 | 28 | 1,5 |
| 20 tot 30 jaar | 148 | 12,4 | 89 | 7,6 |
| 30 tot 40 jaar | 182 | 15,2 | 82 | 7,0 |
| 40 tot 50 jaar | 220 | 20,7 | 81 | 7,6 |
| 50 tot 60 jaar | 254 | 20,5 | 122 | 9,8 |
| 60 tot 70 jaar | 194 | 17,2 | 80 | 7,0 |
| 70 tot 80 jaar | 142 | 16,9 | 75 | 8,3 |
| 80 jaar of ouder | 77 | 20,4 | 42 | 7,8 |
| Alle leeftijden | 1.251 | 14,0 | 599 | 6,6 |
Bron: CBS StatLine, Overledenen; zelfdoding (inwoners), diverse kenmerken (7022gza), verslagjaar 2024
In totaal ging het in 2024 om 1.850 zelfdodingen, 10,3 per 100.000 inwoners. Bij 1.154 van hen registreerde het CBS psychische stoornissen als motief: 727 mannen en 427 vrouwen. Die motiefregistratie is een administratieve variabele en geen diagnose. Denk je aan zelfdoding of maak je je zorgen om iemand? Bij 113 Zelfmoordpreventie kun je dag en nacht terecht, anoniem, via 113.nl of 0800-0113.
Vrouwen komen vaker bij de hulpverlening, en missen ook vaker zorg
Dat vrouwen vaker contact hebben met een psycholoog of psychiater is hard gemeten en al tien jaar stabiel. In 2024 had 12,9 procent van de vrouwen minstens een contact, tegen 9,0 procent van de mannen. In NEMESIS-3 loopt het verschil in zorggebruik verder uiteen dan het verschil in prevalentie: vrouwen gebruikten bijna twee keer zo vaak enige zorg vanwege psychische problemen als mannen, terwijl zij maar 1,2 keer zo vaak een aandoening hadden. Tegelijk rapporteren vrouwen ook vaker een onvervulde zorgbehoefte.
12,9% tegen 9,0%contact psycholoog of psychiater, 2024
In 2024 had 12,9 procent van de vrouwen en 9,0 procent van de mannen van 4 jaar en ouder minstens een contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), contact psycholoog/psychiater
22,0%vrouwen 25 tot 45 jaar, 2024/2025
Van de vrouwen van 25 tot 45 jaar had 22,0 procent in 2024/2025 contact met een psycholoog of psychiater, tegen 13,3 procent van de mannen in die leeftijd en 5,1 procent van de vrouwen van 65 jaar en ouder.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (86325NED)
4,3% tegen 2,9%onvervulde zorgbehoefte, 12 maanden
Van de vrouwen had 4,3 procent een onvervulde zorgbehoefte in de afgelopen twaalf maanden, tegen 2,9 procent van de mannen, met een odds ratio van 1,43 na correctie voor leeftijd en het hebben van een psychische aandoening.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik en kosten, onvervulde zorgbehoefte
454.000volwassenen met onvervulde zorgbehoefte
In totaal rapporteerde 3,6 procent van de volwassenen een onvervulde zorgbehoefte, oftewel 454.000 mensen. Onder volwassenen met een psychische aandoening was dat 10 procent, en onder mensen met een stemmingsstoornis 17 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik en kosten, onvervulde zorgbehoefte
1,8% naar 4,0%onvervulde zorgbehoefte, 2007-2009 en 2019-2022
De onvervulde zorgbehoefte onder volwassenen van 18 tot en met 64 jaar nam toe van 1,8 procent in 2007-2009 naar 4,0 procent in 2019-2022, terwijl het zorggebruik in dezelfde periode juist steeg.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik en kosten, onvervulde zorgbehoefte, trend
Deze cijfers gaan over contact en gebruik, niet over wanneer iemand voor het eerst hulp zocht. Over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste contact bestaat voor Nederland geen uitsplitsing naar geslacht. Hulp zoeken is het onderwerp van een eigen pagina. De volledige reeks 2014 tot 2025, de uitsplitsingen naar leeftijd en opleiding, en wat er gebeurt als de hulp er niet komt staan op hulp zoeken bij psychische klachten in cijfers.
Hetzelfde instrument, een andere populatie, een ander cijfer
De MHI-5 wordt in Nederland in meerdere onderzoeken gebruikt, en levert per populatie en per onderzoek een ander percentage op. Bij jongvolwassen vrouwen van 16 tot en met 25 jaar loopt het op tot 57,3 procent in 2025, bij werkende vrouwen van 15 jaar en ouder is het 43,1 procent. Nog lastiger wordt het als twee onderzoeken hetzelfde instrument in hetzelfde jaar gebruiken: de Gezondheidsmonitor 2022 kwam voor 18-plussers op 47,3 procent, de Gezondheidsenquete 2022 op 44,4 procent. Met de oude afkapwaarde lopen die twee veel verder uiteen: 21,5 tegen 14,1 procent. Het CBS schrijft zelf dat de twee onderzoeken niet zonder meer vergelijkbaar zijn.
57,3%jongvolwassen vrouwen 16 tot 26 jaar, 2025
Van de vrouwen van 16 tot en met 25 jaar had 57,3 procent in 2025 angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken, tegen 46,8 procent van de mannen in die leeftijd.
65,0%jongvolwassen vrouwen, 2022
De piek in die reeks staat op 2022, toen 65,0 procent van de jongvolwassen vrouwen op de MHI-5 onder de grens uitkwam, tegen 42,6 procent van de jongvolwassen mannen. Dat is het hoogste percentage dat we in de Nederlandse MHI-5-cijfers hebben gevonden.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Angst- of depressiegevoelens (jongvolwassenen), trend
43,1% tegen 32,8%werkende vrouwen en mannen 15 jaar en ouder, 2025
Van de werkende vrouwen van 15 jaar en ouder had 43,1 procent in 2025 angst- of depressiegevoelens, tegen 32,8 procent van de werkende mannen.
Bron: RIVM, Monitor mentale gezondheid, Angst- of depressiegevoelens (werkenden), CBS Gezondheidsenquete
47,3% tegen 44,4%twee onderzoeken, zelfde instrument, 2022
Voor 18-plussers in 2022 kwam de Gezondheidsmonitor met de MHI-5 op 47,3 procent en de Gezondheidsenquete op 44,4 procent. Met de oude afkapwaarde van 60 liepen diezelfde twee onderzoeken veel verder uiteen: 21,5 tegen 14,1 procent.
46,4%Gezondheidsmonitor, 18 jaar en ouder, 2024
In 2024 kwam de Gezondheidsmonitor voor 18-plussers op 46,4 procent met angst- of depressiegevoelens, met een betrouwbaarheidsinterval van 46,2 tot 46,6 procent, tegen 44,2 procent in de Gezondheidsenquete. Binnen de Gezondheidsmonitor was dat 49,1 procent bij 18- tot 65-jarigen en 38,5 procent bij 65-plussers.
Bron: CBS StatLine, Gezondheidsmonitor; bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (86137NED)
38,9 tot 49,3%spreiding tussen provincies, 2024
Binnen de Gezondheidsmonitor 2024 varieert het aandeel 18-plussers met angst- of depressiegevoelens per provincie van 38,9 procent in Fryslan tot 49,3 procent in Zuid-Holland, en per landsdeel van 41,9 procent in Noord-Nederland tot 48,5 procent in West-Nederland. Die spreiding van 10,4 procentpunt tussen provincies is ongeveer even groot als het verschil tussen vrouwen en mannen.
Bron: CBS StatLine, Gezondheidsmonitor; bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (86137NED)
Angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken volgens de MHI-5 (somscore 76 of lager) in drie populaties, naar geslacht en jaar. Alle drie de reeksen komen uit dezelfde CBS Gezondheidsenquete, maar over andere groepen.
| Populatie | Mannen 2024 | Vrouwen 2024 | Mannen 2025 | Vrouwen 2025 |
|---|---|---|---|---|
| Hele bevolking, 12 jaar en ouder | 38,3% | 49,0% | 36,0% | 47,2% |
| Jongvolwassenen, 16 tot en met 25 jaar | 44,9% | 59,2% | 46,8% | 57,3% |
| Werkenden, 15 jaar en ouder | 36,6% | 47,0% | 32,8% | 43,1% |
De vier kolommen zijn alleen binnen een rij vergelijkbaar. Een cijfer over werkenden sluit mensen uit die door psychische problemen niet werken, en een cijfer over jongvolwassenen gaat over de leeftijdsgroep waar de uitkomst het hoogst is. Let op bij jongvolwassenen: de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen komt voor dezelfde leeftijdsgroep, met dezelfde vragenlijst en dezelfde afkapwaarde, op 87,4 procent bij vrouwen waar de Gezondheidsenquete hier 57,3 procent geeft. Dat verschil zit in de onderzoeksopzet en niet in de jongeren. Het staat uitgewerkt op de pagina over meisjes en jonge vrouwen.
Het leeftijdspatroon verschilt per instrument
Welk instrument je kiest, bepaalt niet alleen hoe groot het verschil tussen vrouwen en mannen is, maar ook bij welke leeftijd het probleem het grootst lijkt. De MHI-5 geeft bij vrouwen een vrij vlak patroon met een piek onder de 45 jaar en nog altijd 43,3 procent bij 65-plussers. De SF-12 laat de uitkomst sterk dalen met de leeftijd, van 26,2 procent bij 18- tot 25-jarigen naar 9,9 procent bij 75-plussers. De K10 daalt nog harder: van 12,1 procent bij vrouwen van 18 tot 65 jaar naar 5,0 procent bij vrouwen van 65 jaar en ouder. Het diagnostisch interview laat de scherpste daling zien, van 39,6 procent bij 18- tot 25-jarigen naar 13,9 procent bij 65- tot 75-jarigen.
52,6%vrouwen 25 tot 45 jaar, MHI-5, 2024/2025
Volgens de MHI-5 hadden vrouwen van 25 tot 45 jaar in 2024/2025 het hoogste aandeel met angst- of depressiegevoelens, 52,6 procent, tegen 42,1 procent bij mannen in die leeftijd.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (86325NED)
43,3%vrouwen 65 jaar en ouder, MHI-5, 2024/2025
Bij vrouwen van 65 jaar en ouder blijft de MHI-5 op 43,3 procent staan, terwijl de K10 voor diezelfde leeftijdsgroep op 5,0 procent uitkomt. Een van de redenen voor de herijking was juist dat de oude MHI-5-afkapwaarde nooit voor 65-plussers was gevalideerd.
0,73 tot 0,85sensitiviteit MHI-5 per leeftijdsgroep
De sensitiviteit van de MHI-5 bij afkapwaarde 76 varieert per leeftijdsgroep van 0,73 bij 65- tot 75-jarigen tot 0,85 bij 45- tot 54-jarigen. Voor enige angststoornis zakt de sensitiviteit bij 65- tot 75-jarigen naar 0,59, en dat gebruik wordt voor die leeftijdsgroep afgeraden.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 4
0,81 tegen 0,76sensitiviteit bij vrouwen en mannen
De MHI-5 is bij vrouwen iets gevoeliger en bij mannen iets specifieker: de sensitiviteit is 0,81 bij vrouwen en 0,76 bij mannen, de specificiteit 0,75 bij vrouwen en 0,83 bij mannen. Een deel van het gemeten verschil tussen vrouwen en mannen zit dus in het instrument zelf.
Bron: Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 4
37,1% tegen 26,5%angstige periode ooit, 2024
Van de vrouwen van 12 jaar en ouder had 37,1 procent ooit een angstige periode doorgemaakt en 20,4 procent in de afgelopen twaalf maanden. Bij mannen was dat 26,5 en 13,5 procent.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), angst
10,6% tegen 8,9%zelfgerapporteerde depressie, 2024
Van de vrouwen van 12 jaar en ouder gaf 10,6 procent aan in de afgelopen twaalf maanden een depressie te hebben (gehad), tegen 8,9 procent van de mannen. Dat is een vijfde maat, naast de vier instrumenten op deze pagina, en het verschil tussen vrouwen en mannen is daar het kleinst.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), depressie
Angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken volgens de MHI-5 (somscore 76 of lager), naar geslacht en leeftijd, verslagperiode 2024/2025.
| Leeftijd | Mannen | Vrouwen | Totaal | Verschil in procentpunten |
|---|---|---|---|---|
| Jonger dan 25 jaar | 39,3% | 51,8% | 45,4% | 12,5 |
| 25 tot 45 jaar | 42,1% | 52,6% | 47,3% | 10,5 |
| 45 tot 65 jaar | 35,4% | 45,5% | 40,5% | 10,1 |
| 65 jaar en ouder | 31,1% | 43,3% | 37,5% | 12,2 |
| Totaal | 37,2% | 48,1% | 42,7% | 10,9 |
De verschilkolom is berekend uit de twee kolommen ervoor. Deze tabel bundelt twee verslagjaren, waardoor de totalen iets afwijken van de jaarcijfers in de MHI-5-reeks hierboven: 48,1 procent voor 2024/2025 tegen 49,0 procent voor 2024 alleen. Slaapproblemen hebben een eigen pagina, met de drie meetlagen naast elkaar: slaapproblemen bij vrouwen in cijfers.
De toename is bij beide geslachten zichtbaar, en bij jongeren het sterkst
Alle vier de metingen laten dezelfde richting zien: meer psychische problemen dan tien tot twintig jaar terug, bij vrouwen en bij mannen. Het diagnostisch interview, waarvan de methode tussen 2007-2009 en 2019-2022 gelijk is gehouden, laat de stijging het scherpst zien. Bij vrouwen ging de jaarprevalentie van 18,1 naar 28,4 procent, bij mannen van 16,6 naar 23,8 procent. De grootste stijging zit niet bij een geslacht maar bij een leeftijdsgroep: bij 18- tot 25-jarigen ging het van 26,0 naar 43,0 procent.
17% naar 26%volwassenen 18 tot 65 jaar, 2007-2009 en 2019-2022
Het aandeel Nederlandse volwassenen van 18 tot en met 64 jaar met een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden ging van 17 procent in 2007-2009 naar ruim een kwart, 26 procent, in 2019-2022. De vergelijking gebruikt DSM-IV-aandoeningen, omdat die in beide studies op dezelfde manier zijn vastgesteld.
5% naar 9%depressieve stoornis, 12 maanden
Het aandeel met een depressieve stoornis in de afgelopen twaalf maanden ging van 5 procent in 2007-2009 naar bijna het dubbele, 9 procent, in 2019-2022.
33% naar 41%comorbiditeit onder mensen met een aandoening
Onder volwassenen met een psychische aandoening steeg het aandeel met een tweede aandoening van 33 procent in 2007-2009 naar 41 procent in 2019-2022. De ernstverdeling bleef gelijk: in beide perioden had 34 procent een ernstige aandoening.
26,0% naar 43,0%18 tot 25 jaar, 2007-2009 en 2019-2022
Bij 18- tot 25-jarigen steeg de jaarprevalentie van 26,0 naar 43,0 procent, de grootste stijging van alle onderscheiden groepen. Bij 55-plussers ging het van 12,3 naar 18,7 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS, Trends prevalentie naar demografie
22,4% naar 43,7%studenten, 2007-2009 en 2019-2022
Bij studenten bijna verdubbelde de jaarprevalentie, van 22,4 naar 43,7 procent. Bij gepensioneerden daalde die van 11,4 naar 9,5 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS, Trends prevalentie naar demografie
36% naar 44%angst- of depressiegevoelens, 12 jaar en ouder, 2014 en 2024
Volgens de MHI-5 steeg het aandeel 12-plussers met angst- of depressiegevoelens van 36,0 procent in 2014 naar 43,7 procent in 2024. De SF-12 laat over een langere periode hetzelfde patroon zien: van 11,4 procent in 2001 naar 17,9 procent in 2024.
Psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden volgens het diagnostisch interview, 18 tot en met 64 jaar, DSM-IV-aandoeningen, met 95%-betrouwbaarheidsintervallen. Vergelijking tussen NEMESIS-2 (2007-2009) en NEMESIS-3 (2019-2022).
| Groep | 2007-2009 | 95%-interval | 2019-2022 | 95%-interval |
|---|---|---|---|---|
| Mannen | 16,6% | 14,7-18,6 | 23,8% | 21,4-26,2 |
| Vrouwen | 18,1% | 16,2-20,1 | 28,4% | 26,2-30,6 |
| 18 tot 25 jaar | 26,0% | 20,4-31,7 | 43,0% | 39,1-46,9 |
| 25 tot 35 jaar | 18,9% | 16,1-21,8 | 31,3% | 27,8-34,8 |
| 35 tot 45 jaar | 17,3% | 14,7-19,9 | 24,2% | 21,3-27,1 |
| 45 tot 55 jaar | 16,0% | 13,5-18,5 | 19,4% | 16,8-22,1 |
| 55 jaar en ouder | 12,3% | 10,3-14,4 | 18,7% | 16,2-21,3 |
| Met partner | 13,3% | 12,0-14,5 | 19,8% | 18,2-21,4 |
| Zonder partner | 25,8% | 23,4-28,2 | 36,0% | 33,0-39,0 |
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS, Trends prevalentie naar demografie
In 2007-2009 overlapten de betrouwbaarheidsintervallen van vrouwen en mannen nog; in 2019-2022 niet meer. Het verschil tussen mensen met en zonder partner is in beide perioden groter dan het verschil tussen vrouwen en mannen.
Wat er niet gemeten is
Op een aantal punten die veel worden beweerd, bestaat voor Nederland geen cijfer. Die gaten zijn even hard als de getallen hierboven, en ze bepalen wat je met deze cijfers wel en niet kunt zeggen.
niet gemetenuitstel van hulp naar geslacht
Er bestaat voor Nederland geen cijfer over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht. De bewering dat vrouwen later hulp zoeken dan mannen is in Nederland niet gemeten. Wat wel is gemeten: vrouwen hebben vaker contact met een psycholoog of psychiater (12,9 tegen 9,0 procent in 2024) en rapporteren ook vaker een onvervulde zorgbehoefte (4,3 tegen 2,9 procent).
Bron: CBS StatLine (85454NED) en Trimbos-instituut, NEMESIS-3, onvervulde zorgbehoefte
1 van 4onderzoeken met een categorie buiten man en vrouw
Van de vier metingen op deze pagina publiceert alleen de Gezondheidsmonitor een categorie buiten man en vrouw. Daar staat met 35,4 procent bij 18-plussers en 38,1 procent bij 18- tot 65-jarigen het hoogste K10-cijfer van alle groepen. De Gezondheidsenquete en NEMESIS-3 publiceren alleen man en vrouw.
1 keer per 4 jaarmeetfrequentie van de K10
De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen wordt eens per vier jaar uitgevoerd, met 2022 als extra corona-editie. Voor 2014 en 2018 bestaan er dus geen K10-cijfers, en het eerstvolgende reguliere meetmoment na 2024 ligt bij die frequentie in 2028.
geen reeks voor 2014MHI-5 met de nieuwe afkapwaarde
Het CBS heeft de nieuwe MHI-5-indicator teruggerekend tot 2014, maar niet verder. Voor de jaren voor 2014 bestaat alleen de oude maat, die niet met de huidige cijfers vergelijkbaar is. Bovendien is de Gezondheidsenquete in 2014 herontworpen, waardoor sommige cijfers vanaf dat jaar niet goed te vergelijken zijn met eerdere jaren.
Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), bronnen en methoden
laatste jaar 2024SF-12 in de Gezondheidsenquete
De SF-12 stond in 2025 niet in de Gezondheidsenquete en komt volgens het voornemen van het CBS terug in 2027 en 2030. Voor 2025 en 2026 bestaat er dus geen SF-12-cijfer over de psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking.
4.688deelnemers tweede meting, 2023-2024
De tweede meting van NEMESIS-3 liep van januari 2023 tot en met november 2024, met 4.688 van de oorspronkelijke 6.194 deelnemers, een respons van 76,4 procent. Die meting gaat over het ontstaan en het beloop van aandoeningen; de prevalentiecijfers naar geslacht op deze pagina komen nog uit de eerste meting van 2019-2022.
45,4%non-respons NEMESIS-3
Van de 12.133 geschikte personen deed 45,4 procent niet mee aan NEMESIS-3. Het Trimbos-instituut schrijft zelf dat niet bekend is of psychische aandoeningen even vaak voorkomen bij mensen die wel en niet meededen, al verschilden de drie wervingsfasen onderling niet in prevalentie.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Meting 1 (2019-2022), respons en non-respons
De 45,4 procent non-respons is het complement van de gewogen respons van 54,6 procent die het Trimbos-instituut rapporteert. Ongewogen was de respons 51,1 procent, en gecorrigeerd voor niet-geschikte personen 51,2 procent.
Valkuilen voordat je deze cijfers citeert
- Vier instrumenten, vier percentages, geen van de vier is het cijfer Voor dezelfde vraag, hoeveel Nederlandse vrouwen psychische problemen hebben, bestaan vier antwoorden: 49,0 procent (MHI-5, 2024), 20,5 procent (SF-12, 2024), 12,1 procent (K10, 2024) en 27,8 procent (diagnostisch interview, 2019-2022). Ze zijn allemaal correct en geen van de vier is uitwisselbaar met een ander. Wie een cijfer overneemt zonder het instrument, het meetjaar en de populatie, zet een getal neer dat niemand kan terugvinden. De MHI-5 en de SF-12 komen zelfs uit dezelfde enquete en hetzelfde jaar, en schelen 28,5 procentpunt.
- De MHI-5-afkapwaarde is in 2024 verschoven, dus trek de reeks er niet door Tot september 2024 gold een MHI-5-somscore van 60 of lager als psychische klachten, daarna 76 of lager als angst- of depressiegevoelens. In dezelfde NEMESIS-3-steekproef levert dat 7,5 tegen 24,8 procent op: hetzelfde instrument, dezelfde mensen, hetzelfde moment, een ruim drie keer zo hoog cijfer. In 2023, het laatste jaar met beide indicatoren, stond bij vrouwen 15,5 procent naast 48,2 procent. Een grafiek die van 13,0 procent in 2014 naar 49,0 procent in 2024 loopt, meet twee verschillende dingen.
- Twee onderzoeken met hetzelfde instrument geven een ander cijfer In 2022 kwam de Gezondheidsmonitor voor 18-plussers met de MHI-5 op 47,3 procent en de Gezondheidsenquete op 44,4 procent. Met de oude afkapwaarde liep datzelfde verschil op tot 21,5 tegen 14,1 procent, een factor 1,5. Het CBS schrijft in de toelichting bij de Gezondheidsmonitor zelf dat de cijfers niet zonder meer met die uit de Gezondheidsenquete vergeleken kunnen worden omdat er methodologische verschillen tussen beide onderzoeken bestaan. Beide cijfers staan op StatLine, en ze zijn niet elkaars controle.
- Een score onder de afkapwaarde is geen diagnose Van de mensen met een MHI-5-score van 76 of lager had 20,8 procent volgens het diagnostisch interview ook werkelijk een angst- of stemmingsstoornis in de afgelopen maand. De vragenlijst is dan ook expliciet geen diagnostisch instrument: hij vraagt naar gevoelens in de afgelopen vier weken. Een kop die 49 procent van de vrouwen een psychische aandoening toeschrijft, verwart een screeningsuitslag met een diagnose.
- Vrouwen zoeken niet aantoonbaar later hulp, wel vaker Dat vrouwen vaker contact hebben met een psycholoog of psychiater is hard: 12,9 tegen 9,0 procent in 2024, en in NEMESIS-3 19,8 tegen 11,3 procent zorggebruik vanwege psychische problemen. Voor de bewering dat vrouwen later hulp zoeken, of langer op een diagnose wachten, bestaat voor Nederland geen cijfer over uitstel of diagnostische vertraging naar geslacht. De maat die er het dichtst bij komt is de onvervulde zorgbehoefte, en die wijst de andere kant op: 4,3 procent bij vrouwen tegen 2,9 procent bij mannen.
- Eenzaamheid is bij Nederlandse volwassenen geen vrouwenverhaal Van de mensen van 18 tot en met 64 jaar gaf in 2025 10,9 procent van de mannen en 10,8 procent van de vrouwen aan sterk eenzaam te zijn; bij 65-plussers 8,6 tegen 8,4 procent. In de Gezondheidsmonitor 2024 gaf 47,7 procent van de mannen en 44,6 procent van de vrouwen aan eenzaam te zijn. VZinfo schrijft zelf dat eenzaamheid iets vaker bij mannen voorkomt dan bij vrouwen. Alleen bij scholieren van 12 tot en met 16 jaar is er een duidelijk verschil in de andere richting, 15,6 tegen 7,0 procent.
- Niet elke maat wijst dezelfde kant op Bij middelenstoornissen staan mannen voor: 9,5 tegen 4,8 procent in de afgelopen twaalf maanden, met een odds ratio van 0,48 voor vrouwen. Bij zelfdoding is de verhouding 14,0 per 100.000 mannen tegen 6,6 per 100.000 vrouwen in 2024. Bij bipolaire stoornis overlappen de betrouwbaarheidsintervallen volledig, 1,3 tegen 1,1 procent, en is er dus geen verschil aangetoond. Wie uit het gemiddelde beeld concludeert dat vrouwen er op elke psychische maat slechter voor staan, laat de helft van de cijfers weg.
- Het verschil tussen leeftijdsgroepen is groter dan het verschil tussen geslachten Volgens het diagnostisch interview is de jaarprevalentie bij 18- tot 25-jarigen 39,6 procent en bij 65- tot 75-jarigen 13,9 procent, bijna een factor drie. Tussen vrouwen en mannen is het een factor 1,2, van 24,0 naar 27,8 procent. Hetzelfde geldt voor opleiding bij de K10: 16,5 tegen 7,5 procent, waar het verschil tussen vrouwen en mannen 12,1 tegen 8,7 procent is. Een artikel dat alleen op geslacht uitsplitst, mist het sterkere patroon.
- Een deel van het verschil zit in het instrument zelf Bij de afkapwaarde van 76 is de MHI-5 bij vrouwen gevoeliger (sensitiviteit 0,81 tegen 0,76) en bij mannen specifieker (specificiteit 0,83 tegen 0,75). Dat betekent dat de vragenlijst bij vrouwen eerder iets oppikt en bij mannen eerder iets mist. Hoe groot dat effect is op het gemeten verschil van 10,7 procentpunt, is in de bron niet becijferd; het is wel een reden om het verschil niet volledig als een verschil in gezondheid te lezen.
- De SF-12-reeks heeft een gat van zes jaar en is in 2025 gestopt De SF-12 stond van 2014 tot en met 2019 niet in de Gezondheidsenquete en in 2025 opnieuw niet, omdat de Europese gezondheidsenquete ruimte opeiste. De reeks loopt dus van 2001 tot en met 2013 en van 2020 tot en met 2024, met een gat ertussen. Wie 2013 (13,5 procent bij vrouwen) naast 2020 (18,9 procent) zet, overbrugt zeven jaar zonder metingen en de coronaperiode in een stap.
Belangrijkste conclusies
- Op de vraag hoeveel Nederlandse vrouwen psychische problemen hebben bestaan vier juiste antwoorden: 49,0 procent met de MHI-5, 20,5 procent met de SF-12, 12,1 procent met de K10 en 27,8 procent met een diagnostisch interview. Het cijfer dat je noemt, is vooral een keuze voor een instrument.
- Het verschil tussen vrouwen en mannen is bij elk instrument aanwezig, maar klein ten opzichte van het verschil dat het instrument zelf maakt: 10,7 procentpunt tussen vrouwen en mannen bij de MHI-5, tegen 28,5 procentpunt tussen de MHI-5 en de SF-12 in dezelfde enquete en hetzelfde jaar.
- De MHI-5-afkapwaarde is in 2024 van 60 naar 76 gegaan. In dezelfde steekproef levert dat 7,5 tegen 24,8 procent op, dus elke reeks die door 2024 heen loopt zonder die breuk te benoemen is onbruikbaar.
- Het verschil tussen vrouwen en mannen is het kleinst bij de meting die het meest op een diagnose lijkt: 27,8 tegen 24,0 procent in het diagnostisch interview, een factor 1,2.
- Vrouwen krijgen vaker zorg vanwege psychische problemen dan mannen, 19,8 tegen 11,3 procent, en dat verschil is groter dan het verschil in prevalentie. Over wanneer iemand voor het eerst hulp zoekt, bestaat voor Nederland geen uitsplitsing naar geslacht.
- Niet elke maat wijst dezelfde kant op: bij middelenstoornissen staan mannen voor (9,5 tegen 4,8 procent), bij zelfdoding is het 14,0 tegen 6,6 per 100.000, en bij sterke eenzaamheid onder volwassenen is er geen verschil (10,9 tegen 10,8 procent).
- Leeftijd en opleiding verklaren meer variatie dan geslacht. De jaarprevalentie loopt van 39,6 procent bij 18- tot 25-jarigen naar 13,9 procent bij 65- tot 75-jarigen, en het K10-risico van 16,5 procent bij het laagste naar 7,5 procent bij het hoogste opleidingsniveau.
- Alle vier de instrumenten laten over tien tot twintig jaar dezelfde richting zien, bij vrouwen en bij mannen. Volgens het diagnostisch interview ging het bij vrouwen van 18,1 naar 28,4 procent en bij mannen van 16,6 naar 23,8 procent.
Methodologie en bronnen
De cijfers op deze pagina komen uit vijf bronnen die wij afzonderlijk hebben opgevraagd. De Gezondheidsenquete van het CBS is een doorlopend onderzoek onder de Nederlandse bevolking in particuliere huishoudens, waarbij elk jaar naar minimaal 9.500 deelnemers wordt gestreefd; daaruit komen de MHI-5-cijfers (StatLine-tabellen 85454NED en 86325NED) en de SF-12-cijfers (de publicatie Statistische Trends van 5 maart 2026, waarin de SF-12 over 2001 tot en met 2024 is uitgewerkt). De Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen is een onderzoek van de GGD'en, het CBS en het RIVM dat eens per vier jaar wordt uitgevoerd onder 18-plussers, met 2022 als extra editie vanwege corona; daaruit komen de K10-cijfers en de eenzaamheidscijfers die het RIVM in de Monitor mentale gezondheid publiceert. NEMESIS-3 van het Trimbos-instituut is een landelijk onderzoek waarin 6.194 personen van 18 tot en met 75 jaar tussen november 2019 en maart 2022 een diagnostisch interview van gemiddeld 91 minuten hebben gehad, met een gewogen respons van 54,6 procent; daaruit komen de prevalentiecijfers naar DSM-5. De herijking van de MHI-5-afkapwaarde komt uit de factsheet van het Trimbos-instituut uit 2024, waarin de volledige tabel met prevalenties, sensitiviteit en specificiteit per afkapwaarde staat. De zelfdodingscijfers komen uit de doodsoorzakenstatistiek van het CBS (tabel 7022gza) en zijn volledige registratie, geen steekproef. Bij elk cijfer op deze pagina staat welk instrument het heeft gemeten, over welke periode, in welke populatie en in welk meetjaar. Cijfers uit verschillende instrumenten zijn niet bij elkaar op te tellen en niet met elkaar te vergelijken; cijfers uit hetzelfde instrument zijn alleen te vergelijken binnen dezelfde reeks en aan dezelfde kant van een methodebreuk.
Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.
Gebruikte bronnen
- CBS StatLine (85454NED) en CBS, Statistische Trends, Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid in Nederland (2026)
- CBS StatLine (85454NED) en Trimbos-instituut, NEMESIS-3, onvervulde zorgbehoefte
- CBS StatLine 85454NED en RIVM, Monitor mentale gezondheid, Angst- of depressiegevoelens (jongvolwassenen en werkenden)
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (86325NED) en Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024)
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (86325NED), verslagperiode 2024/2025
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), Mental Health Inventory (MHI-5)
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), Mental Health Inventory (MHI-5), 12 jaar en ouder
- CBS StatLine, Gezondheidsmonitor; bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2022 (85563NED) en Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED)
- CBS StatLine, Gezondheidsmonitor; bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (86137NED)
- CBS StatLine, Overledenen; zelfdoding (inwoners), diverse kenmerken (7022gza), verslagjaar 2024
- CBS, Statistische Trends, Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid in Nederland (2026), bijlage B1
- CBS, Statistische Trends, Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid in Nederland (2026), paragraaf 2.2
- CBS, Statistische Trends, Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid in Nederland (2026), tabel 3.2.2
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Angst- of depressiegevoelens (werkenden), CBS Gezondheidsenquete
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Eenzaamheid (ouderen), Sociale Samenhang en Welzijn, CBS
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Eenzaamheid (volwassenen), Sociale Samenhang en Welzijn, CBS
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Enige psychische aandoening (algemene bevolking), NEMESIS-3
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Risico op angststoornis of depressie (volwassenen), Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2024
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Risico op een angststoornis of depressie (algemene bevolking), updatefrequentie
- RIVM, Monitor mentale gezondheid, Twee of meer psychische aandoeningen (algemene bevolking), NEMESIS-3
- Trimbos-instituut, Factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5 (2024), tabel 4
- Trimbos-instituut, NEMESIS, Trends prevalentie
- Trimbos-instituut, NEMESIS, Trends prevalentie naar demografie
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Demografische kenmerken
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Meting 1 (2019-2022), respons en non-respons
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Meting 2 (2023-2024)
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Prevalentie van psychische aandoeningen, prevalentie in de afgelopen 12 maanden naar geslacht
- VZinfo, Eenzaamheid, Leeftijd en geslacht, Peilstationsonderzoek Scholieren 2023
Veelgestelde vragen
Hoeveel vrouwen in Nederland hebben psychische problemen?
Dat hangt af van het instrument. Met de MHI-5 had 49,0 procent van de vrouwen van 12 jaar en ouder in 2024 angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken. Met de SF-12 had 20,5 procent in datzelfde jaar een minder goede psychische gezondheid. Met de K10 had 12,1 procent van de vrouwen van 18 tot 65 jaar in 2024 een hoog risico op een angststoornis of depressie. Met een diagnostisch interview had 27,8 procent van de vrouwen van 18 tot 75 jaar in 2019-2022 een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden. Alle vier zijn juist en meten iets anders.
Waarom geeft de MHI-5 een veel hoger percentage dan de K10?
De MHI-5 vraagt met vijf vragen naar gevoelens in de afgelopen vier weken en legt de grens bij een somscore van 76 of lager op een schaal van 0 tot 100. Die grens is zo gekozen dat de kans om mensen met een angst- of stemmingsstoornis te herkennen en mensen zonder zo'n stoornis uit te sluiten samen zo groot mogelijk is, wat 24,8 procent van de bevolking boven de streep brengt. De K10 legt de grens bij een somscore van 30 of hoger op een schaal van 10 tot 50 en selecteert daarmee een veel kleinere groep met een hoog risico. Dat zijn verschillende drempels voor verschillende begrippen.
Wat betekent de herijking van de MHI-5 in 2024 voor oudere cijfers?
Tot september 2024 gold een somscore van 60 of lager als psychische klachten; sindsdien geldt 76 of lager als angst- of depressiegevoelens. Omdat de grens hoger ligt, worden er meer mensen meegeteld. In de NEMESIS-3-steekproef gaat het om 7,5 procent bij de oude en 24,8 procent bij de nieuwe grens. Het CBS heeft de nieuwe indicator teruggerekend tot 2014, dus binnen die reeks is vergelijken wel mogelijk. Cijfers van voor 2014 en cijfers die met de oude grens zijn gepubliceerd, zijn niet met de huidige te vergelijken.
Zoeken vrouwen later hulp dan mannen?
Voor Nederland bestaat daar geen cijfer over. Er is geen landelijke meting van de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht. Wat wel is gemeten, is dat vrouwen vaker contact hebben: 12,9 procent van de vrouwen tegen 9,0 procent van de mannen had in 2024 minstens een contact met een psycholoog of psychiater, en in NEMESIS-3 gebruikte 19,8 procent van de vrouwen tegen 11,3 procent van de mannen zorg vanwege psychische problemen. Vrouwen rapporteren ook vaker een onvervulde zorgbehoefte, 4,3 tegen 2,9 procent.
Zijn vrouwen vaker eenzaam dan mannen?
Bij Nederlandse volwassenen niet. In 2025 gaf 10,9 procent van de mannen en 10,8 procent van de vrouwen van 18 tot 65 jaar aan sterk eenzaam te zijn; bij 65-plussers was dat 8,6 tegen 8,4 procent. In de Gezondheidsmonitor 2024 gaf 47,7 procent van de mannen en 44,6 procent van de vrouwen van 18 jaar en ouder aan eenzaam te zijn. VZinfo schrijft zelf dat eenzaamheid iets vaker bij mannen voorkomt. Alleen bij scholieren van 12 tot 16 jaar is het beeld omgekeerd: 15,6 procent van de meisjes tegen 7,0 procent van de jongens.
Bij welke psychische problemen staan mannen voor?
Bij middelenstoornissen. In de afgelopen twaalf maanden had 9,5 procent van de mannen en 4,8 procent van de vrouwen een middelenstoornis, bij alcoholstoornis 7,5 tegen 3,3 procent. Ooit in het leven is dat 22,5 tegen 11,0 procent. Ook bij zelfdoding is het aantal mannen hoger: in 2024 ging het om 1.251 mannen (14,0 per 100.000) en 599 vrouwen (6,6 per 100.000). Bij bipolaire stoornis is geen verschil aangetoond: 1,3 procent bij mannen en 1,1 procent bij vrouwen, met volledig overlappende betrouwbaarheidsintervallen.
In welke leeftijdsgroep komen psychische problemen het meest voor?
Bij jongvolwassenen, bij elk instrument. Volgens het diagnostisch interview had 39,6 procent van de 18- tot 25-jarigen in 2019-2022 een psychische aandoening in de afgelopen twaalf maanden, tegen 13,9 procent van de 65- tot 75-jarigen. Volgens de SF-12 had in 2024 26,2 procent van de 18- tot 25-jarigen een minder goede psychische gezondheid, tegen 9,9 procent van de 75-plussers. Bij de MHI-5 is het leeftijdspatroon het vlakst: 51,8 procent bij vrouwen onder de 25 en nog 43,3 procent bij vrouwen van 65 jaar en ouder.
Nemen psychische problemen in Nederland toe?
Alle vier de metingen wijzen dezelfde kant op. Volgens het diagnostisch interview, waarvan de methode gelijk is gehouden, ging de jaarprevalentie bij volwassenen van 18 tot 65 jaar van 17 procent in 2007-2009 naar 26 procent in 2019-2022, bij vrouwen van 18,1 naar 28,4 procent en bij mannen van 16,6 naar 23,8 procent. Volgens de SF-12 steeg het aandeel 12-plussers met een minder goede psychische gezondheid van 11,4 procent in 2001 naar 17,9 procent in 2024, ook als je rekening houdt met de vergrijzing. De sterkste stijging zit bij jongvolwassenen en studenten, niet bij een van beide geslachten.
Welk cijfer moet ik gebruiken als ik over mentale gezondheid schrijf?
Dat hangt af van wat je wilt zeggen. Gaat het over aandoeningen, gebruik dan het diagnostisch interview van NEMESIS-3 (27,8 procent bij vrouwen, 24,0 procent bij mannen, 2019-2022). Gaat het over gevoelens van angst of neerslachtigheid in de afgelopen weken, gebruik dan de MHI-5 uit de Gezondheidsenquete (49,0 en 38,3 procent, 2024). Gaat het over een hoog risico dat aandacht vraagt, gebruik dan de K10 uit de Gezondheidsmonitor (12,1 en 8,7 procent, 2024). Noem in alle gevallen het instrument, het meetjaar en de populatie, en vermeld bij MHI-5-reeksen de afkapwaardebreuk van 2024.
Wie deze cijfers verzamelde
Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.
De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.
Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.
Meer cijferoverzichten
- Burn-out bij vrouwen in cijfers
- Wachttijden in de ggz bij ADHD en autisme
- ADHD, autisme en werk in cijfers
- ADHD en autisme bij vrouwen en mannen
- ADHD-medicatie bij vrouwen
- Autisme bij vrouwen in cijfers
- Hulp zoeken bij psychische klachten in cijfers
- Mantelzorg en dubbele belasting in cijfers
- Meisjes en jonge vrouwen in cijfers
- Overgang en werk in cijfers
- Psychologen in Nederland in cijfers
- Slaapproblemen bij vrouwen in cijfers
- Van huisarts tot arbeidsongeschiktheid in cijfers
- Verzuim door psychische klachten in cijfers
- Kosten van de ggz
- Wat psychische hulp zelf kost in cijfers
- Werkdruk en werkstress in cijfers
- Zelfstandigen en burn-out in cijfers