DiversaMente › Cijfers › Hulp zoeken bij psychische klachten in cijfers
CijferoverzichtHulp zoeken bij psychische klachten, en wat er gebeurt als die hulp uitblijft
Deze pagina gaat over de drempel voor en bij de aanmelding: wie in Nederland hulp zoekt bij psychische klachten, wie behoefte aan hulp heeft en er niet om vraagt, en wie bij een zorgaanbieder wordt geweigerd. Elk cijfer komt uit een publicatie die wij zelf hebben opgevraagd en nagelezen: de eerste meting van NEMESIS-3 van het Trimbos-instituut, de Gezondheidsenquete van het CBS via de open-dataservice van StatLine, het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg, twee onderzoeken van MIND, twee rapporten van Zorginstituut Nederland en een ledenpeiling van de Landelijke Huisartsen Vereniging. Bij elk getal staat welk onderzoek het meet, onder wie en in welk jaar. Drie van de vier metingen op deze pagina meten iets anders dan de andere, en dat verschil is het belangrijkste wat hier te halen is.
Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.
15,6%volwassenen 18 tot 75 jaar, 2019-2022
Van de volwassen bevolking gebruikte 15,6 procent in twaalf maanden zorg vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, in de algemene gezondheidszorg, de ggz of beide. Dat komt neer op 1.966.000 mensen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden
3,6%onvervulde zorgbehoefte, 2019-2022
3,6 procent van de volwassenen had behoefte aan meer professionele hulp vanwege psychische problemen maar heeft die niet gezocht, oftewel 454.000 mensen. Bij vrouwen is dat 4,3 procent en bij mannen 2,9 procent.
13,9% tegen 9,8%contact psycholoog of psychiater, 2025
In 2025 had 13,9 procent van de vrouwen en 9,8 procent van de mannen minstens een contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater. Dat verschil is in de reeks vanaf 2014 elk jaar aanwezig en wordt groter.
8%van wie ggz-zorg nodig had, november 2024
Van de mensen die zorg van een ggz-zorgverlener nodig hadden, zag 8 procent daarvan af vanwege de kosten. Bij de fysiotherapeut was dat 13 procent en bij de tandarts 11 procent: de brede zorgmijdingscijfers gaan niet over de ggz.
Bron: Nivel, Ruim 1 op de 10 die fysiotherapie of mondzorg nodig heeft, mijdt dit door kosten (2025)
niet gemetenuitstel van hulp naar geslacht
Er bestaat voor Nederland geen cijfer over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht. Dat vrouwen vaker hulp zoeken is gemeten; dat zij later hulp zoeken is dat niet.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik en kosten, demografische kenmerken
Drie vragen die in de cijfers door elkaar lopen
Over hulp zoeken bij psychische klachten bestaan in Nederland vier losse metingen, en ze gaan over vier verschillende dingen. De eerste telt wie in een jaar daadwerkelijk zorg gebruikte. De tweede telt wie behoefte had aan meer professionele hulp maar die niet heeft gezocht. De derde telt wie van een bezoek afzag vanwege de kosten. De vierde telt wie door een aanbieder is geweigerd. Alleen de eerste twee komen uit een landelijk representatief bevolkingsonderzoek. De vierde komt uit zelfgeselecteerde steekproeven en zegt niets over hoe vaak afwijzing in Nederland voorkomt.
15,6%volwassenen 18 tot 75 jaar, 2019-2022
Van de volwassen bevolking gebruikte 15,6 procent in de voorgaande twaalf maanden zorg vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, in de algemene gezondheidszorg, de ggz of beide. Het betrouwbaarheidsinterval loopt van 14,2 tot 16,9 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
1.966.000volwassen Nederlanders, 2019-2022
Omgerekend naar de bevolking gaat het om bijna twee miljoen volwassenen die in twaalf maanden zorg gebruikten vanwege psychische problemen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden
3,6%volwassenen met een onvervulde zorgbehoefte
3,6 procent van de volwassen bevolking had behoefte aan meer professionele hulp vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, maar heeft die hulp niet gezocht. Dat zijn 454.000 mensen.
8%van wie ggz-zorg nodig had, november 2024
Van de mensen die in de voorgaande twaalf maanden zorg van een zorgverlener in de ggz nodig hadden, zag 8 procent daarvan af vanwege de kosten. Dit cijfer staat op 196 respondenten.
53%van 297 respondenten met toegangsproblemen, 2023
Van de 297 respondenten in het MIND-onderzoek die problemen hadden ervaren bij de toegang tot de ggz, was 157 personen oftewel 53 procent door een of meer zorgaanbieders geweigerd. De onderzoekers schrijven zelf dat dit geen representatief beeld van alle ggz-zorgvragers geeft.
Vier Nederlandse metingen rond hulp zoeken, met wat elke meting precies vaststelt. De uitkomsten zijn niet onderling uitwisselbaar: de teller, de noemer en de vraag verschillen per meting.
| Meting | Wat er wordt vastgesteld | Onderzoek en periode | Noemer | Uitkomst |
|---|---|---|---|---|
| Zorggebruik | Contact gehad met de algemene gezondheidszorg of de ggz vanwege psychische problemen | NEMESIS-3, diagnostisch interview, 2019-2022 | alle volwassenen 18 tot 75 jaar | 15,6% |
| Onvervulde zorgbehoefte | Behoefte aan meer professionele hulp gehad en die niet gezocht | NEMESIS-3, 2019-2022 | alle volwassenen 18 tot 75 jaar | 3,6% |
| Afzien vanwege de kosten | Een bezoek aan een ggz-zorgverlener niet gebracht vanwege de kosten | Nivel Consumentenpanel, vragenlijst november 2024 | wie die zorg nodig had, 196 respondenten | 8% |
| Weigering door een aanbieder | Door een of meer aanbieders niet in behandeling genomen of niet op de wachtlijst geplaatst | MIND-panel en open uitvraag, vragenlijst april 2023 | wie problemen ervoer bij de toegang, 297 respondenten | 53% |
De eerste twee regels komen uit hetzelfde onderzoek en zijn daarom onderling wel te vergelijken: van dezelfde bevolking gebruikte 15,6 procent zorg en had 3,6 procent een behoefte die niet in een hulpvraag is uitgemond. De derde en vierde regel hebben een andere noemer en een andere vraagstelling, en de vierde bovendien een zelfgeselecteerde steekproef.
Wie in een jaar hulp zoekt, en waar
NEMESIS-3 vroeg aan alle 6.194 deelnemers naar zorggebruik, ongeacht of er een aandoening was vastgesteld. Het onderscheidt drie soorten zorg: de algemene gezondheidszorg met de huisarts als grootste onderdeel, de ggz met de psychiater, psycholoog of psychotherapeut, en voorgeschreven medicatie. De huisartsenzorg is in deze meting de breedste ingang: 10,9 procent van de volwassenen had daar in een jaar contact over psychische problemen, tegen 8,8 procent in de ggz.
13,5%algemene gezondheidszorg, 2019-2022
13,5 procent van de volwassenen gebruikte zorg in de algemene gezondheidszorg vanwege psychische problemen, oftewel 1.702.400 mensen. Het betrouwbaarheidsinterval loopt van 12,4 tot 14,5 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel gebruik van de AGZ
10,9%huisartsenzorg, 2019-2022
De huisartsenzorg, inclusief de praktijkondersteuner ggz, was de vaakst gebruikte voorziening: 10,9 procent van de volwassenen had daar contact over psychische problemen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel gebruik van de AGZ
8,8%geestelijke gezondheidszorg, 2019-2022
8,8 procent van de volwassenen gebruikte zorg in de ggz, oftewel 1.117.200 mensen, met een betrouwbaarheidsinterval van 7,7 tot 10,0 procent. Dat was vrijwel altijd ambulante zorg.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel gebruik van de GGZ
6,4%voorgeschreven medicatie, 2019-2022
6,4 procent van de volwassenen kreeg medicatie voorgeschreven vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, oftewel 813.000 mensen. Het gaat om psychofarmaca van een arts, niet om vrij verkrijgbare middelen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
7,4%overige algemene gezondheidszorg, 2019-2022
7,4 procent gebruikte overige zorg binnen de algemene gezondheidszorg: de bedrijfsarts of arboarts, maatschappelijk werk, thuiszorg of wijkverpleging, fysiotherapie of haptonomie, of een medisch specialist.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel gebruik van de AGZ
1,8%andere zorg, 2019-2022
1,8 procent van de volwassenen gebruikte andere zorg vanwege psychische problemen: een alternatieve genezer, pastorale zorg, een zelfhulpgroep of een telefonische hulplijn. Dat komt overeen met 231.000 mensen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, paragraaf andere zorg
6,5%bij een stemmingsstoornis, andere zorg
Van de mensen met een stemmingsstoornis gebruikte 6,5 procent andere zorg, tegen 5,1 procent bij een angststoornis, 5,1 procent bij ADHD en 4,1 procent bij een middelenstoornis.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, figuur gebruik van andere zorg
Zorggebruik vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen in de voorgaande twaalf maanden, volwassenen van 18 tot 75 jaar, NEMESIS-3 (2019-2022). De absolute aantallen staan alleen in de bron voor de drie hoofdcategorieen.
| Voorziening | Aandeel | 95%-betrouwbaarheidsinterval | Aantal volwassenen |
|---|---|---|---|
| Algemene gezondheidszorg totaal | 13,5% | 12,4-14,5 | 1.702.400 |
| Huisartsenzorg | 10,9% | 10,0-11,8 | |
| Overige algemene gezondheidszorg | 7,4% | 6,6-8,2 | |
| Geestelijke gezondheidszorg totaal | 8,8% | 7,7-10,0 | 1.117.200 |
| Ambulante ggz | 8,8% | 7,6-10,0 | |
| Overige ggz, deeltijd of opname | |||
| Algemene gezondheidszorg of ggz | 15,6% | 14,2-16,9 | 1.966.000 |
| Voorgeschreven medicatie | 6,4% | 5,7-7,2 | 813.000 |
| Andere zorg | 1,8% | 231.000 |
Een lege cel betekent dat die meting in dat jaar niet is gedaan.
De cel voor overige ggz is leeg gelaten omdat de bron twee verschillende waarden geeft. De lopende tekst van de Trimbos-pagina noemt 0,5 procent voor de totale bevolking, terwijl de leeswijzer en de tabel 0,1 procent geven. In de tabel staat bij de totale bevolking 0,1 procent met het interval 0,3 tot 0,7, en bij de groep zonder stoornis 0,5 procent met het interval 0,0 tot 0,1. Die intervallen horen niet bij die percentages, dus de twee waarden lijken verwisseld. Het interval 0,3 tot 0,7 past bij de 0,5 procent uit de lopende tekst.
Of iemand in zorg komt, hangt sterk af van de aandoening
Van de volwassenen met een psychische aandoening in de voorgaande twaalf maanden gebruikte 37,8 procent zorg in de algemene gezondheidszorg of de ggz. Dat betekent dat ruim zes op de tien mensen met een vastgestelde aandoening in dat jaar geen enkel zorgcontact had. Het beeld verschilt sterk per aandoening: bij een bipolaire stoornis ging 72,0 procent naar de zorg, bij een specifieke fobie 30,9 procent. Bij ADHD is het aandeel met voorgeschreven medicatie het hoogst van alle aandoeningen.
37,8%volwassenen met een psychische aandoening
Van de mensen met een psychische aandoening in de voorgaande twaalf maanden gebruikte 37,8 procent zorg in de algemene gezondheidszorg of de ggz. Het betrouwbaarheidsinterval loopt van 35,3 tot 40,2 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
7,8%volwassenen zonder psychische stoornis
Ook zonder vastgestelde psychische stoornis gebruikte 7,8 procent van de volwassenen zorg vanwege psychische problemen. Het zorggebruik is dus geen afspiegeling van de vastgestelde aandoeningen.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
61,8%bij een stemmingsstoornis
Mensen met een stemmingsstoornis gebruikten het vaakst zorg: 61,8 procent. Daarna volgen ADHD met 45,6 procent, angststoornissen met 38,6 procent en middelenstoornissen met 31,0 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
30,8%medicatie bij ADHD
Bij medicatie ligt de rangorde anders: mensen met ADHD kregen het vaakst medicatie voorgeschreven vanwege psychische problemen, 30,8 procent, gevolgd door stemmingsstoornissen met 28,8 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
56,6% tegen 24,0%twee of meer stoornissen en precies een stoornis
Mensen met twee of meer psychische aandoeningen gebruikten ruim twee keer zo vaak zorg als mensen met precies een aandoening, 56,6 tegen 24,0 procent. Bij medicatie is het verschil bijna een factor vier: 30,7 tegen 8,3 procent.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
30,9%bij een specifieke fobie
De specifieke fobie is de aandoening met het laagste zorggebruik van alle afzonderlijk gemeten aandoeningen, 30,9 procent, terwijl dit bij vrouwen de meest voorkomende afzonderlijke angststoornis is.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel enige zorg en medicatie
Gebruik van de algemene gezondheidszorg of de ggz en van voorgeschreven medicatie vanwege psychische problemen in de voorgaande twaalf maanden, naar psychische aandoening volgens het diagnostisch interview, NEMESIS-3 (2019-2022). Alle waarden in procenten.
| Aandoening | Zorg (AGZ of ggz) | 95%-interval zorg | Medicatie | 95%-interval medicatie |
|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 15,6 | 14,2-16,9 | 6,4 | 5,7-7,2 |
| Geen psychische stoornis | 7,8 | 6,8-8,8 | 2,5 | 1,9-3,0 |
| Enige psychische stoornis | 37,8 | 35,3-40,2 | 17,7 | 15,6-19,8 |
| Enige stemmingsstoornis | 61,8 | 57,3-66,3 | 28,8 | 24,1-33,5 |
| Depressieve stoornis | 60,6 | 55,5-65,7 | 26,5 | 21,8-31,2 |
| Persisterende depressieve stoornis | 62,3 | 54,8-69,8 | 33,5 | 26,0-41,0 |
| Bipolaire stoornis | 72,0 | 60,3-83,6 | 43,3 | 28,1-58,4 |
| Enige angststoornis | 38,6 | 34,9-42,3 | 20,0 | 16,7-23,2 |
| Paniekstoornis | 63,0 | 53,7-72,3 | 37,6 | 28,6-46,6 |
| Agorafobie | 59,0 | 48,8-69,2 | 41,7 | 30,7-52,8 |
| Sociale fobie | 44,2 | 39,6-48,7 | 22,6 | 17,1-28,1 |
| Specifieke fobie | 30,9 | 26,9-35,0 | 16,0 | 12,3-19,7 |
| Gegeneraliseerde angststoornis | 66,0 | 58,6-73,4 | 36,9 | 29,2-44,5 |
| Enige middelenstoornis | 31,0 | 27,0-35,1 | 16,6 | 13,0-20,2 |
| Alcoholstoornis | 28,6 | 23,8-33,4 | 13,1 | 9,5-16,7 |
| Drugsstoornis | 39,9 | 29,8-49,9 | 25,8 | 18,4-33,1 |
| Cannabisstoornis | 36,0 | 23,0-49,0 | 17,0 | 9,6-24,5 |
| ADHD | 45,6 | 38,4-52,9 | 30,8 | 23,4-38,1 |
| Precies een stoornis | 24,0 | 21,2-26,8 | 8,3 | 6,2-10,3 |
| Twee of meer stoornissen | 56,6 | 52,3-60,9 | 30,7 | 26,9-34,5 |
Het zorggebruik is in het algemeen gevraagd, niet per aandoening. Iemand met een angststoornis die zorg gebruikte, kan die zorg hebben gekregen voor een bijkomende aandoening. Het Trimbos-instituut wijst daar zelf op. Voor autisme staat in deze tabel geen regel: NEMESIS-3 stelt stemmings-, angst- en middelenstoornissen en ADHD vast, en autisme hoort niet bij de gemeten aandoeningen.
De huisarts is voor de meeste aandoeningen de drukste deur
Bij vrijwel elke aandoening komen meer mensen bij de huisarts dan in de ambulante ggz. Bij een stemmingsstoornis is dat 50,0 tegen 35,5 procent, bij een angststoornis 28,8 tegen 23,9 procent. ADHD is de uitzondering in deze tabel: daar is de ambulante ggz met 34,1 procent iets groter dan de huisartsenzorg met 30,7 procent. Dat past bij een aandoening waarvoor medicatie door een arts in de ggz wordt voorgeschreven.
28,3% tegen 22,9%huisartsenzorg en ambulante ggz, bij een aandoening
Van de volwassenen met een psychische aandoening had 28,3 procent contact met de huisartsenzorg en 22,9 procent met de ambulante ggz. Veel mensen hadden beide.
34,1% tegen 30,7%ADHD, ambulante ggz en huisartsenzorg
Bij ADHD is de ambulante ggz met 34,1 procent de grootste ingang, net boven de huisartsenzorg met 30,7 procent. Bij alle andere aandoeningen in de tabel is de huisartsenzorg groter.
4,8%huisartsenzorg, zonder vastgestelde stoornis
Ook mensen zonder vastgestelde psychische stoornis komen bij de huisarts over psychische problemen: 4,8 procent in een jaar, tegen 3,9 procent in de ggz.
45,7%huisartsenzorg bij twee of meer stoornissen
Bij twee of meer psychische aandoeningen loopt het huisartscontact op tot 45,7 procent, tegen 15,6 procent bij precies een aandoening.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden, tabel gebruik van de AGZ
765 duizendmensen met ggz-gerelateerde huisartsenzorg, 2024
In de declaratiegegevens over 2024 kregen 765 duizend mensen ggz-gerelateerde zorg bij de huisarts, meestal afspraken met de praktijkondersteuner ggz. Van hen gingen 173 duizend mensen in datzelfde jaar ook naar de geneeskundige ggz.
Zorggebruik vanwege psychische problemen in de voorgaande twaalf maanden, uitgesplitst naar huisartsenzorg, overige algemene gezondheidszorg en ambulante ggz, NEMESIS-3 (2019-2022). Alle waarden in procenten; mensen kunnen in meer dan een kolom voorkomen.
| Aandoening | Huisartsenzorg | Overige AGZ | Ambulante ggz |
|---|---|---|---|
| Totale bevolking | 10,9 | 7,4 | 8,8 |
| Geen psychische stoornis | 4,8 | 3,5 | 3,9 |
| Enige psychische stoornis | 28,3 | 18,4 | 22,9 |
| Enige stemmingsstoornis | 50,0 | 30,6 | 35,5 |
| Depressieve stoornis | 49,8 | 28,9 | 33,5 |
| Bipolaire stoornis | 54,8 | 42,7 | 49,5 |
| Enige angststoornis | 28,8 | 20,0 | 23,9 |
| Paniekstoornis | 51,1 | 40,8 | 42,0 |
| Gegeneraliseerde angststoornis | 51,5 | 34,4 | 42,6 |
| Specifieke fobie | 22,3 | 13,7 | 17,4 |
| Enige middelenstoornis | 23,7 | 14,4 | 21,2 |
| ADHD | 30,7 | 18,9 | 34,1 |
| Precies een stoornis | 15,6 | 11,5 | 14,0 |
| Twee of meer stoornissen | 45,7 | 28,0 | 34,9 |
De huisartsenzorg is in NEMESIS inclusief de praktijkondersteuner ggz of de ggz-verpleegkundige in de huisartsenpraktijk. Onder overige algemene gezondheidszorg vallen de bedrijfsarts of arboarts, maatschappelijk werk, thuiszorg of wijkverpleging, fysiotherapie of haptonomie, en de medisch specialist. De kolommen tellen daarom niet op tot het totaal.
Vrouwen zoeken vaker hulp, en dat is twaalf jaar lang gemeten
De Gezondheidsenquete van het CBS vraagt elk jaar of iemand in de voorgaande twaalf maanden contact had met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater. In die reeks liggen vrouwen sinds 2014 elk jaar boven de mannen, en het verschil wordt groter: van 2,3 procentpunt in 2014 naar 4,1 procentpunt in 2025. In NEMESIS-3 is het verschil in zorggebruik bovendien groter dan het verschil in het voorkomen van aandoeningen. Vrouwen gebruikten 1,95 keer zo vaak zorg, terwijl zij 1,24 keer zo vaak een aandoening hadden.
13,9% tegen 9,8%contact psycholoog of psychiater, 2025
In 2025 had 13,9 procent van de vrouwen en 9,8 procent van de mannen van 4 jaar en ouder minstens een contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater. Dat is het hoogste niveau in de reeks vanaf 2014.
12,9% tegen 9,0%contact psycholoog of psychiater, 2024
Een jaar eerder, in 2024, was dat 12,9 procent van de vrouwen tegen 9,0 procent van de mannen. Het betrouwbaarheidsinterval loopt bij vrouwen van 11,9 tot 13,9 procent en bij mannen van 8,1 tot 9,9 procent, dus de intervallen overlappen niet.
19,8% tegen 11,3%zorg vanwege psychische problemen, 2019-2022
In NEMESIS-3 gebruikte 19,8 procent van de vrouwen en 11,3 procent van de mannen zorg in de algemene gezondheidszorg of de ggz vanwege psychische problemen, met een odds ratio van 1,95 na correctie voor leeftijd en het hebben van een aandoening.
17,2% tegen 9,8%algemene gezondheidszorg
In de algemene gezondheidszorg was het verschil het grootst: 17,2 procent van de vrouwen tegen 9,8 procent van de mannen, met een odds ratio van 1,89 en een interval van 1,62 tot 2,21.
10,7% tegen 7,0%geestelijke gezondheidszorg
In de ggz was het verschil kleiner: 10,7 tegen 7,0 procent, met een odds ratio van 1,53 en een interval van 1,27 tot 1,83.
1,7 tegen 1,0contacten per persoon, 2024
Gerekend over de hele bevolking hadden vrouwen in 2024 gemiddeld 1,7 contacten met een psycholoog of psychiater en mannen 1,0. Onder alleen de mensen met minstens een contact lagen die aantallen veel dichter bij elkaar: 13,0 tegen 11,4 contacten.
Personen met minstens een contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater in de voorgaande twaalf maanden, 4 jaar en ouder, naar geslacht. De kolom verschil is de aftrekking van de twee gepubliceerde percentages en staat niet als zodanig in de bron.
| Jaar | Mannen | Vrouwen | Verschil in procentpunten | Totaal |
|---|---|---|---|---|
| 2014 | 7,2% | 9,5% | 2,3 | 8,4% |
| 2015 | 7,1% | 10,6% | 3,5 | 8,9% |
| 2016 | 8,4% | 10,6% | 2,2 | 9,5% |
| 2017 | 7,7% | 10,5% | 2,8 | 9,1% |
| 2018 | 8,6% | 11,2% | 2,6 | 9,9% |
| 2019 | 8,3% | 11,0% | 2,7 | 9,7% |
| 2020 | 7,3% | 11,4% | 4,1 | 9,4% |
| 2021 | 8,5% | 11,7% | 3,2 | 10,1% |
| 2022 | 9,6% | 13,1% | 3,5 | 11,3% |
| 2023 | 9,3% | 13,1% | 3,8 | 11,2% |
| 2024 | 9,0% | 12,9% | 3,9 | 11,0% |
| 2025 | 9,8% | 13,9% | 4,1 | 11,8% |
Deze reeks is zelfrapportage uit een enquete onder de bevolking in particuliere huishoudens en meet contact, niet behandeling. De Gezondheidsenquete is in 2014 herontworpen, dus eerdere jaren zijn niet met deze reeks vergelijkbaar. In 2020 en 2021 viel de meting samen met de coronaperiode; bij mannen daalde het cijfer in 2020 naar 7,3 procent en bij vrouwen steeg het naar 11,4 procent.
Welke groepen vaker in zorg komen, en welke niet
Het zorggebruik loopt op tot de leeftijdsgroep van 35 tot 44 jaar en zakt daarna terug. Mensen zonder betaald werk gebruikten vaker zorg en veel vaker medicatie dan mensen met betaald werk. Bij opleiding en woonsituatie is het verschil in zorggebruik niet significant, maar bij medicatie wel. Opvallend is de omgekeerde richting bij jonge mensen: 18- tot 24-jarigen gebruikten vaker zorg dan 65-plussers, maar kregen juist minder vaak medicatie, met een odds ratio van 0,46.
20,7% tegen 7,0%35 tot 44 jaar en 65 jaar en ouder
Het zorggebruik piekt bij 35- tot 44-jarigen op 20,7 procent en is het laagst bij 65-plussers met 7,0 procent, een verschil van bijna een factor drie.
0,46odds ratio medicatie, 18 tot 24 jaar
Jonge volwassenen van 18 tot 24 jaar kregen juist minder vaak medicatie voorgeschreven dan 65-plussers: 3,8 tegen 4,1 procent, met een odds ratio van 0,46 en een interval van 0,28 tot 0,74.
10,7% tegen 4,5%medicatie zonder en met betaald werk
Van de mensen zonder betaald werk kreeg 10,7 procent medicatie vanwege psychische problemen, tegen 4,5 procent van de mensen met betaald werk, met een odds ratio van 2,05.
2,03odds ratio medicatie, laag inkomen
Bij een laag huishoudinkomen is de kans op voorgeschreven medicatie het sterkst verhoogd van alle kenmerken in de tabel: odds ratio 2,03 met een interval van 1,46 tot 2,81, bij 8,1 procent tegen 3,6 procent bij een hoog inkomen.
geen verschilopleiding en zorggebruik
Voor het gebruik van de ggz zijn er geen verschillen tussen de opleidingscategorieen: 8,9 procent bij basisonderwijs, lbo, mavo of vmbo, 9,0 procent bij mbo, havo of vwo en 8,6 procent bij hbo of universiteit.
11,1% tegen 6,1%ggz-gebruik, zeer hoge en zeer lage stedelijkheid
In zeer sterk stedelijke gebieden gebruikte 11,1 procent van de volwassenen ggz-zorg tegen 6,1 procent in zeer weinig stedelijke gebieden, maar dat verschil is niet significant.
Gebruik van zorg (algemene gezondheidszorg of ggz) en van voorgeschreven medicatie vanwege psychische problemen in de voorgaande twaalf maanden, naar demografische kenmerken, NEMESIS-3 (2019-2022). De odds ratios zijn gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd en het hebben van een psychische aandoening.
| Kenmerk | Zorg | Odds ratio zorg (95%-interval) | Medicatie | Odds ratio medicatie (95%-interval) |
|---|---|---|---|---|
| Mannen | 11,3 | referentie | 4,9 | referentie |
| Vrouwen | 19,8 | 1,95 (1,67-2,27) | 7,9 | 1,54 (1,25-1,89) |
| 18 tot 24 jaar | 16,5 | 1,57 (1,20-2,04) | 3,8 | 0,46 (0,28-0,74) |
| 25 tot 34 jaar | 20,5 | 2,32 (1,74-3,09) | 5,7 | 0,76 (0,50-1,16) |
| 35 tot 44 jaar | 20,7 | 2,76 (2,09-3,64) | 8,5 | 1,47 (0,92-2,35) |
| 45 tot 54 jaar | 16,0 | 2,26 (1,69-3,02) | 8,1 | 1,68 (1,13-2,49) |
| 55 tot 64 jaar | 12,9 | 1,69 (1,23-2,32) | 7,3 | 1,48 (0,96-2,30) |
| 65 jaar en ouder | 7,0 | referentie | 4,1 | referentie |
| Basisonderwijs, lbo, mavo, vmbo | 16,3 | 1,25 (0,95-1,64) | 9,0 | 1,49 (1,13-1,97) |
| Mbo, havo, vwo | 16,3 | 1,17 (0,93-1,47) | 6,0 | 1,10 (0,85-1,41) |
| Hbo, universiteit | 14,2 | referentie | 5,2 | referentie |
| Met partner | 13,1 | referentie | 5,3 | referentie |
| Zonder partner | 19,7 | 1,18 (0,97-1,44) | 8,3 | 1,39 (1,05-1,84) |
| Betaald werk | 13,9 | referentie | 4,5 | referentie |
| Geen betaald werk | 19,3 | 1,40 (1,20-1,63) | 10,7 | 2,05 (1,65-2,56) |
| Laag huishoudinkomen | 17,9 | 1,22 (0,91-1,63) | 8,1 | 2,03 (1,46-2,81) |
| Midden huishoudinkomen | 15,9 | 1,27 (1,02-1,59) | 7,0 | 1,87 (1,29-2,70) |
| Hoog huishoudinkomen | 11,7 | referentie | 3,6 | referentie |
| Nederlandse herkomst | 14,8 | referentie | 6,3 | referentie |
| Niet-Nederlandse herkomst | 18,8 | 1,15 (0,94-1,41) | 7,1 | 1,06 (0,79-1,43) |
Een odds ratio waarvan het interval de waarde 1 omsluit, betekent dat er geen verschil met de referentiegroep is aangetoond. Dat geldt hier onder meer voor opleiding en woonsituatie bij zorggebruik, en voor herkomst bij zowel zorg als medicatie. De percentages in de kolommen zijn ruwe percentages, de odds ratios zijn gecorrigeerd; die twee kunnen daarom in verschillende richtingen wijzen.
Onvervulde zorgbehoefte: hulp nodig hebben en er niet om vragen
NEMESIS-3 meet ook de groep die geen zorg zocht terwijl die wel behoefte had aan meer professionele hulp. Dat is de enige Nederlandse maat die specifiek over de ggz gaat en expliciet over niet gezochte hulp. Het gaat om 3,6 procent van alle volwassenen, oftewel 454.000 mensen. Onder mensen met een stemmingsstoornis is het aandeel het hoogst, bij een middelenstoornis het laagst, en bij ADHD ligt het met 10,8 procent net boven het gemiddelde van alle aandoeningen.
454.000volwassenen, 2019-2022
3,6 procent van de volwassen bevolking van 18 tot 75 jaar had in de voorgaande twaalf maanden een onvervulde zorgbehoefte, oftewel 454.000 mensen.
9,8%bij een psychische aandoening
Van de volwassenen met een psychische aandoening in de voorgaande twaalf maanden rapporteerde 9,8 procent een onvervulde zorgbehoefte. Het Trimbos-instituut rondt dat in de tekst af naar 10 procent.
17,2%bij een stemmingsstoornis
Mensen met een stemmingsstoornis hadden het vaakst een onvervulde zorgbehoefte, 17,2 procent. Dat is bijna vijf keer het bevolkingsgemiddelde van 3,6 procent.
10,8%bij ADHD
Bij ADHD is de onvervulde zorgbehoefte 10,8 procent, net boven het gemiddelde van 9,8 procent voor alle gemeten aandoeningen. Bij een angststoornis is het 11,7 procent en bij een middelenstoornis 9,0 procent.
16% tegen 5%twee of meer aandoeningen en precies een aandoening
Volwassenen met meerdere psychische aandoeningen hadden ruim drie keer zo vaak een onvervulde zorgbehoefte als volwassenen met precies een aandoening: 16 tegen 5 procent.
1,8% naar 4,0%18 tot 64 jaar, 2007-2009 en 2019-2022
Terwijl het zorggebruik toenam, nam de onvervulde zorgbehoefte ook toe: van 1,8 procent in 2007-2009 naar 4,0 procent in 2019-2022, met een odds ratio van 1,71 en een interval van 1,29 tot 2,28.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, trend in onvervulde zorgbehoefte
Onvervulde zorgbehoefte in de voorgaande twaalf maanden, naar psychische aandoening, NEMESIS-3 (2019-2022). Een onvervulde zorgbehoefte is behoefte aan meer professionele hulp vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, zonder dat die hulp is gezocht.
| Groep | Onvervulde zorgbehoefte |
|---|---|
| Alle volwassenen 18 tot 75 jaar | 3,6% |
| Enige psychische stoornis | 9,8% |
| Enige stemmingsstoornis | 17,2% |
| Enige angststoornis | 11,7% |
| ADHD | 10,8% |
| Enige middelenstoornis | 9,0% |
| Precies een psychische aandoening | 5% |
| Twee of meer psychische aandoeningen | 16% |
De waarden voor een en voor twee of meer aandoeningen staan in de bron alleen als afgerond heel getal in de lopende tekst, de overige waarden staan met een decimaal in de figuur. Daarom staan hier beide notaties naast elkaar. Deze maat gaat uitsluitend over hulp die niet is gezocht en zegt niets over mensen die hulp zochten en die niet kregen; dat laatste wordt in dit onderzoek niet gemeten.
Wie een onvervulde zorgbehoefte rapporteert
Bij de onvervulde zorgbehoefte zijn maar drie kenmerken significant: geslacht, leeftijd en woonsituatie. Vrouwen rapporteren vaker een onvervulde zorgbehoefte dan mannen, 4,3 tegen 2,9 procent. Jongere mensen rapporteren het vaker dan ouderen, met een vrijwel rechte lijn van 6,1 procent bij 18- tot 24-jarigen naar 1,7 procent bij 65-plussers. Mensen die niet met een partner wonen rapporteren het ruim twee keer zo vaak. Opleiding, werksituatie, inkomen en herkomst laten geen verschil zien.
4,3% tegen 2,9%vrouwen en mannen
Van de vrouwen had 4,3 procent een onvervulde zorgbehoefte in de voorgaande twaalf maanden, tegen 2,9 procent van de mannen. De odds ratio is 1,43 met een interval van 1,07 tot 1,90, gecorrigeerd voor leeftijd en het hebben van een psychische aandoening.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
6,1% tegen 1,7%18 tot 24 jaar en 65 jaar en ouder
Het leeftijdspatroon is sterker dan het verschil tussen vrouwen en mannen: 6,1 procent bij 18- tot 24-jarigen tegen 1,7 procent bij 65-plussers, met een odds ratio van 2,16.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
5,7% tegen 2,4%zonder en met partner
Mensen die niet met een partner wonen rapporteren ruim twee keer zo vaak een onvervulde zorgbehoefte: 5,7 tegen 2,4 procent, met een odds ratio van 1,71 en een interval van 1,21 tot 2,41.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
4,0% tegen 3,4%hbo of universiteit en lagere opleidingsniveaus
Bij opleiding is de richting omgekeerd ten opzichte van wat vaak wordt aangenomen: hoger opgeleiden rapporteren iets vaker een onvervulde zorgbehoefte, 4,0 tegen 3,4 procent, en dat verschil is niet significant.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
geen verschilhuishoudinkomen
Het huishoudinkomen hangt niet samen met de onvervulde zorgbehoefte: 4,0 procent bij een laag inkomen, 3,4 procent bij een midden inkomen en 3,5 procent bij een hoog inkomen. Dat is een belangrijk verschil met de maat van het afzien van zorg vanwege de kosten.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
Onvervulde zorgbehoefte in de voorgaande twaalf maanden naar demografische kenmerken, NEMESIS-3 (2019-2022), in procenten. De odds ratios zijn gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd en het hebben van een psychische aandoening in de voorgaande twaalf maanden.
| Kenmerk | Onvervulde zorgbehoefte | Odds ratio (95%-interval) |
|---|---|---|
| Mannen | 2,9 | referentie |
| Vrouwen | 4,3 | 1,43 (1,07-1,90) |
| 18 tot 24 jaar | 6,1 | 2,16 (1,20-3,89) |
| 25 tot 34 jaar | 5,3 | 1,99 (1,21-3,30) |
| 35 tot 44 jaar | 4,2 | 1,78 (1,00-3,19) |
| 45 tot 54 jaar | 2,6 | 1,27 (0,76-2,12) |
| 55 tot 64 jaar | 2,5 | 1,23 (0,76-1,99) |
| 65 jaar en ouder | 1,7 | referentie |
| Basisonderwijs, lbo, mavo, vmbo | 3,4 | 0,92 (0,52-1,64) |
| Mbo, havo, vwo | 3,4 | 0,83 (0,58-1,18) |
| Hbo, universiteit | 4,0 | referentie |
| Met partner | 2,4 | referentie |
| Zonder partner | 5,7 | 1,71 (1,21-2,41) |
| Betaald werk | 3,3 | referentie |
| Geen betaald werk | 4,3 | 1,27 (0,92-1,76) |
| Laag huishoudinkomen | 4,0 | 0,79 (0,53-1,19) |
| Midden huishoudinkomen | 3,4 | 0,82 (0,59-1,14) |
| Hoog huishoudinkomen | 3,5 | referentie |
| Nederlandse herkomst | 3,4 | referentie |
| Niet-Nederlandse herkomst | 4,5 | 1,11 (0,77-1,61) |
| Zeer lage stedelijkheid | 3,3 | referentie |
| Lage stedelijkheid | 2,2 | 0,58 (0,35-0,96) |
| Matige stedelijkheid | 3,3 | 0,82 (0,43-1,54) |
| Hoge stedelijkheid | 4,3 | 1,00 (0,60-1,65) |
| Zeer hoge stedelijkheid | 4,1 | 0,79 (0,45-1,40) |
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
Bij lage stedelijkheid is de odds ratio 0,58 met een interval van 0,35 tot 0,96, formeel significant, terwijl de Trimbos-pagina in de lopende tekst schrijft dat voor stedelijkheid geen verschillen worden gezien. Bij 35- tot 44-jarigen raakt de ondergrens van het interval precies de waarde 1,00. Bij beide waarden is voorzichtigheid op zijn plaats.
Zorgmijding is een andere maat, en gaat vooral niet over de ggz
De cijfers die in het publieke debat als zorgmijding langskomen, komen bijna allemaal uit het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg en gaan over afzien van zorg vanwege de kosten. In die meting staan mondzorg en fysiotherapie bovenaan, niet de ggz. Van de mensen die fysiotherapie nodig hadden zag 13 procent daarvan af vanwege de kosten, bij de mondhygienist 12 procent en bij de tandarts 11 procent. Voor een zorgverlener in de ggz was dat 8 procent, op 196 respondenten. Nivel noemt als verklaring dat mondzorg en fysiotherapie buiten de basisverzekering vallen, terwijl voor de ggz alleen het eigen risico geldt.
13%, 12% en 11%fysiotherapeut, mondhygienist en tandarts, november 2024
Het afzien van zorg vanwege de kosten is het hoogst bij de fysiotherapeut met 13 procent, de mondhygienist met 12 procent en de tandarts met 11 procent, gerekend over de mensen die die zorg nodig hadden.
8%zorgverlener in de ggz, november 2024
Van de 196 respondenten die zorg van een zorgverlener in de ggz nodig hadden, zag 8 procent daarvan af vanwege de kosten. Bij de huisarts was dat 5 procent op 634 respondenten en bij een arts of verpleegkundige in het ziekenhuis 4 procent op 500 respondenten.
19% tegen 4%matige of slechte en goede ervaren gezondheid, ggz
Mensen met een matig of slecht ervaren gezondheid zagen veel vaker af van een bezoek aan een ggz-zorgverlener dan mensen met een goede ervaren gezondheid: 19 tegen 4 procent.
27% tegen 4%schulden of spaargeld en geld over, ggz
Van de mensen die schulden moeten maken of spaargeld moeten aanspreken zag 27 procent af van een bezoek aan een ggz-zorgverlener, tegen 4 procent van de mensen die een beetje of veel geld overhouden.
8%burgers die van ten minste een vorm van zorg afzagen, 2024
In 2024 gaf 8 procent van de burgers aan te hebben afgezien van een doktersbezoek, een aanbevolen onderzoek of behandeling, of medicijnen vanwege de kosten. In 2016 was dat 16 procent. Van alle drie de vormen zag 0,4 procent af.
Bron: Nivel, Infographic Toegang tot zorg, afzien van zorg vanwege de kosten 2016-2024 (2025)
3 tot 21%bandbreedte Nederlandse zorgmijdingscijfers
In een literatuuroverzicht van veertien nationale en internationale publicaties komt het Nivel voor Nederland op een bandbreedte van 3 tot 21 procent voor zorg mijden om financiele redenen. Het verschil komt door de gebruikte definitie en de onderzoekspopulatie.
Aandeel dat in de voorgaande twaalf maanden vanwege de kosten afzag van een bezoek aan een zorgverlener, onder de mensen die die zorg nodig hadden. Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg, vragenlijst november 2024, 782 respondenten van de 1.500 aangeschreven panelleden.
| Groep | Huisarts | Ziekenhuis | Tandarts | Mondhygienist | Fysiotherapeut | Ggz-zorgverlener |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Alle respondenten | 5% | 4% | 11% | 12% | 13% | 8% |
| Inkomen onder 1.750 euro | 4% | 2% | 20% | 7% | 14% | 4% |
| Inkomen 1.750 tot 2.700 euro | 5% | 6% | 15% | 13% | 14% | 16% |
| Inkomen boven 2.700 euro | 5% | 3% | 9% | 12% | 11% | 7% |
| Moet schulden maken of spaargeld aanspreken | 7% | 6% | 24% | 26% | 29% | 27% |
| Kan precies rondkomen | 8% | 9% | 17% | 14% | 13% | 15% |
| Houdt een beetje of veel geld over | 4% | 3% | 8% | 10% | 11% | 4% |
| 18 tot 39 jaar | 5% | 4% | 10% | 17% | 16% | 11% |
| 40 tot 64 jaar | 6% | 6% | 14% | 14% | 14% | 7% |
| 65 jaar en ouder | 3% | 2% | 6% | 2% | 8% | 6% |
| Matig of slecht ervaren gezondheid | 5% | 5% | 18% | 20% | 17% | 19% |
| Goed ervaren gezondheid | 4% | 4% | 11% | 11% | 12% | 4% |
| Uitstekend of zeer goed ervaren gezondheid | 6% | 3% | 6% | 10% | 9% | 5% |
De aantallen per kolom verschillen sterk omdat wie de betreffende zorg niet nodig had buiten de analyse valt: 634 respondenten bij de huisarts, 638 bij de tandarts, 500 in het ziekenhuis, 447 bij de mondhygienist, 423 bij de fysiotherapeut en 196 bij een ggz-zorgverlener. Bij de ggz-kolom staan de uitkomsten per inkomensgroep daardoor niet in een oplopende lijn: 4 procent bij de laagste inkomens, 16 procent in het midden en 7 procent bij de hoogste. Nivel markeert in de bron per kolom welke percentages significant van de referentiecategorie afwijken; die markering is hier weggelaten omdat die niet uit de brontekst te herleiden was. Alleen de verschillen die Nivel in de tekst noemt zijn significant.
Afgewezen bij of na de aanmelding: wat er wel is gemeten
Over afwijzing door een ggz-aanbieder bestaat geen landelijke registratie. Het meest uitgebreide Nederlandse cijfermateriaal komt uit een vragenlijstonderzoek dat Bureau Lenz in 2023 uitvoerde in opdracht van MIND. De vragenlijst stond open van 5 tot 24 april 2023 onder het MIND-panel van bijna 4.000 deelnemers en werd ook via de kanalen van MIND verspreid. De lijst werd 454 keer ingevuld; voor ongeveer een derde was het onderzoek niet van toepassing, zodat 297 respondenten overbleven. De onderzoekers schrijven dat de resultaten zeker geen representatief beeld van alle ggz-zorgvragers geven en dat dit ook niet de bedoeling was. Alle percentages hieronder gaan dus over mensen die zich meldden omdat zij een probleem hadden.
157 van 297respondenten met toegangsproblemen, 2023
157 van de 297 respondenten, oftewel 53 procent, was door een of meer zorgaanbieders geweigerd voor behandeling of voor plaatsing op een wachtlijst.
46%afwijzing direct bij aanmelding
Van de 157 afgewezen respondenten kreeg 73 personen oftewel 46 procent direct bij de aanmelding te horen dat de aanbieder geen behandeling kon leveren. 34 personen oftewel 22 procent hoorde dat tijdens of direct na het intakegesprek, en 42 personen oftewel 27 procent pas in een later stadium. 8 personen wisten het niet meer.
87 van 157te complex als reden
In 87 van de 157 gevallen, oftewel 55 procent, vond de zorgaanbieder de problemen te complex. Dat is de vaakst genoemde reden; respondenten konden meerdere redenen aankruisen.
63 van 157kan nog nergens terecht
63 van de 157 afgewezen respondenten, oftewel 40 procent, had op het moment van invullen nog geen andere zorgaanbieder gevonden. 86 personen oftewel 55 procent vond wel een plek, maar met veel extra tijd en moeite; 8 personen oftewel 5 procent vond vrij makkelijk een plek.
63%kreeg geen hulp bij het zoeken
187 van de 297 respondenten, oftewel 63 procent, kreeg geen hulp in de zoektocht naar een passende behandeling. Van die groep wist 77 personen oftewel 41 procent niet waar zij hulp konden krijgen, en bij 47 personen oftewel 25 procent werd de gevraagde hulp geweigerd.
7%hulp van de zorgbemiddeling van de verzekeraar
Van de 110 respondenten die wel hulp kregen, kwam die bij 43 personen oftewel 39 procent van de huisarts of de praktijkondersteuner, bij 23 personen oftewel 21 procent van de instelling zelf, en bij slechts 8 personen oftewel 7 procent van de afdeling zorgadvies en bemiddeling van de zorgverzekeraar. Een clientondersteuner hielp 5 personen.
Reden die de zorgaanbieder aanvoerde om iemand niet in behandeling te nemen, 157 respondenten die voor behandeling zijn afgewezen. Meerdere antwoorden waren mogelijk, dus de percentages tellen op tot meer dan 100.
| Reden | Aantal | Aandeel van 157 |
|---|---|---|
| Mijn problemen waren te complex | 87 | 55% |
| Er was geen passend zorgaanbod | 52 | 33% |
| Een andere reden | 49 | 31% |
| Ik woonde niet in het werkgebied van de zorgaanbieder | 18 | 11% |
| Ik moest eerst een andere behandeling volgen bij een andere aanbieder | 12 | 8% |
| De behandeling kon niet meer betaald worden binnen de contractafspraken | 12 | 8% |
Bij de 49 keer genoemde categorie andere reden gaat het volgens de toelichtingen vaak om een aanmeld- of opnamestop bij de zorgaanbieder, of om situaties waarin de aanbieder vond dat de client genoeg behandeld of uitbehandeld was. Het opschrift van tabel 19 in de bron noemt 187 respondenten, terwijl de percentages in die tabel op de 110 respondenten zijn gebaseerd die wel hulp kregen; 43 van 110 is 39 procent.
Exclusiecriteria: afgeschaft op papier, gemeten op websites
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord van 2025 is afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen en voor een aantal laagvolume, hoogcomplexe zorgvragen. Twee Nederlandse metingen laten zien hoe het daarvoor en daarna stond. Het Zorginstituut beoordeelde in 2025 de websites van 60 zorgaanbieders en vond bij de helft geen exclusiecriteria, en bij ruim een derde van de instellingen criteria die specifiek op het weigeren van mensen met complexe problemen gericht waren. MIND deed in mei en juni 2026 een open uitvraag onder mensen die in 2026 waren geweigerd.
vanaf 2026afspraak 10 uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord van 2025 staat als tiende afspraak: zorgaanbieders stoppen vanaf 2026 met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dat strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Alleen voor een aantal laagvolume, hoogcomplexe zorgvragen kunnen exclusiecriteria gelden, met doorverwijzing uit de regio naar een landelijke derdelijnsvoorziening. Zorgverzekeraars nemen het inperken van exclusiecriteria mee in het inkoopbeleid voor de ggz vanaf 2027.
Bron: Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (2025), afspraak 10 over exclusiecriteria
36,7% van 30ggz-instellingen met complexe exclusiecriteria, 2025
Van de 30 onderzochte ggz-instellingen noemde 36,7 procent op de website een of meer exclusiecriteria die specifiek gericht zijn op het weigeren van mensen met complexe psychische problemen. Bij de 30 vrijgevestigde aanbieders was dat 0 procent.
Bron: Zorginstituut Nederland, Informatievoorziening op websites in de ggz (18 december 2025), tabel 9
50% en 50%instellingen en vrijgevestigden zonder exclusiecriteria
Bij zowel de ggz-instellingen als de vrijgevestigde aanbieders maakte 50 procent op de website geen melding van exclusiecriteria. Bij de vrijgevestigden ging het bij de andere helft uitsluitend om praktische criteria, bij de instellingen bij 13,3 procent.
Bron: Zorginstituut Nederland, Informatievoorziening op websites in de ggz (18 december 2025), tabel 9
78 van 98respondenten geweigerd sinds 1 januari 2026
In de open uitvraag van MIND gaf 78 van de 98 bruikbare respondenten, oftewel 80 procent, aan sinds 1 januari 2026 niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder. 13 respondenten waren niet geweigerd en 7 wisten het niet of twijfelden.
Bron: MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 2.1
37 van 51te complex als reden, 2026
Bij de vraag naar de reden bleek het in 37 van de 51 keer dat de categorie andere reden was aangekruist, te gaan om de reden te complex. Dat is bijna 38 procent van alle respondenten in de uitvraag.
Bron: MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 2.1, vraag 2
19 keer autismegenoemde exclusiegrond, 2026
Autisme werd 19 keer genoemd als reden om geen behandeling te starten, crisisgevoeligheid 17 keer en suicidaliteit 11 keer.
Bron: MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 2.1, vraag 2
67 van 78geen hulp bij het vinden van een plek
Van de geweigerde respondenten gaf 67 personen oftewel 86 procent aan dat de instelling niet heeft geholpen bij het vinden van een passende behandelplek. In 69 procent van de gevallen ging het om een grote ggz-instelling en in 31 procent om een vrijgevestigde of kleine instelling.
Bron: MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 2.1, vragen 4 en 6
21 van 21exclusiecriteria op de toetslijst van het Zorginstituut
De lijst waaraan het Zorginstituut de websites toetste bevat 21 criteria voor het weigeren van mensen met complexere problemen, waaronder acute suicidaliteit, crisisgevoeligheid, verslaving, bipolaire stoornis, persoonlijkheidsstoornissen en comorbiditeit, plus 5 praktische criteria zoals gebrek aan ruimte en budgettaire beperkingen.
Bron: Zorginstituut Nederland, Informatievoorziening op websites in de ggz (18 december 2025), bijlage 3
Exclusiecriteria op de websites van 30 ggz-instellingen en 30 vrijgevestigde aanbieders, willekeurig geselecteerd uit het Landelijk Register Zorgaanbieders, beoordeeld door Zorginstituut Nederland (rapport 18 december 2025).
| Soort exclusiecriteria op de website | Ggz-instellingen (n=30) | Vrijgevestigde aanbieders (n=30) |
|---|---|---|
| Geen exclusiecriteria genoemd | 50% | 50% |
| Alleen praktische exclusiecriteria | 13,3% | 50% |
| Exclusiecriteria gericht op complexe problemen | 36,7% | 0% |
| Zowel praktische als complexe exclusiecriteria | 0% | 0% |
Bron: Zorginstituut Nederland, Informatievoorziening op websites in de ggz (18 december 2025), tabel 9
Het Zorginstituut noemt zelf drie beperkingen die beide kanten op werken. De steekproef van 60 aanbieders is klein. De lijst met exclusiecriteria is door de onderzoekers zelf opgesteld omdat er geen standaardlijst bestaat, waardoor criteria die niet op de lijst stonden niet zijn meegeteld; dat kan het aandeel aanbieders met exclusiecriteria te laag maken. En er is niet gemeten hoe vindbaar de informatie op de website was. Wat een aanbieder op de website zet is bovendien niet hetzelfde als wat bij een aanmelding gebeurt.
Hetzelfde beeld van de kant van de verwijzer
De Landelijke Huisartsen Vereniging hield in februari 2025 een peiling onder haar leden over de zorg aan patienten met psychische klachten en de samenwerking met de ggz. Er werden 8.575 huisartsen uitgenodigd en 1.641 vulden de lijst in, een respons van 19 procent. Van hen ervaart 93 procent weinig tot geen mogelijkheden om patienten naar de gespecialiseerde ggz te verwijzen. Na de wachttijden is het afwijzen van verwijzingen het vaakst genoemde knelpunt: 72 procent noemt dat voor de gespecialiseerde ggz en 31 procent voor de basis-ggz.
93% en 67%weinig tot geen verwijsmogelijkheden, februari 2025
68 procent van de huisartsen ziet weinig en 25 procent geen mogelijkheden om naar de gespecialiseerde ggz te verwijzen, samen 93 procent. Voor de generalistische basis-ggz is dat 63 plus 5, samen 67 procent. Slechts 7 procent ziet voldoende verwijsmogelijkheden naar de gespecialiseerde ggz, tegen 32 procent naar de basis-ggz.
72%afwijzing van verwijzingen naar de gespecialiseerde ggz
72 procent van de huisartsen noemt de afwijzing van verwijzingen naar de gespecialiseerde ggz als knelpunt in de samenwerking. Voor de basis-ggz noemt 31 procent dat. Het hoogste knelpunt blijven de wachttijden met 92 procent.
71%toename patienten met psychische problematiek
71 procent van de huisartsen zag het aantal patienten met psychische problematiek toenemen, 77 procent zag de complexiteit van de klachten toenemen en 81 procent zag de overname van patienten uit de gespecialiseerde ggz toenemen.
42%te vroege beeindiging van de behandelrelatie
42 procent van de huisartsen noemt het te vroeg beeindigen van de behandelrelatie door de ggz als knelpunt, en 39 procent het ontbreken van passend aanbod bij de ggz-aanbieder.
3,7 uur per weekoverbruggingszorg in de huisartsenpraktijk
Huisartsen bieden gemiddeld ongeveer 3,7 uur per week overbruggingszorg, in de meeste praktijken door de praktijkondersteuner ggz. Slechts een kwart van de huisartsen kent de mogelijkheden voor overbruggingszorg buiten de praktijk; wie ze kent, verwijst er in 77 procent van de gevallen weleens naar.
74%onvoldoende gespecialiseerde zorg beschikbaar
Bij de overname van patienten uit de gespecialiseerde ggz noemt 74 procent van de huisartsen dat er onvoldoende gespecialiseerde zorg beschikbaar is, en 64 procent dat zij zich onvoldoende bekwaam voelen.
Knelpunten die huisartsen ervaren in de samenwerking met de ggz in de dagzorg, peiling onder 1.641 huisartsen van 25 februari tot 11 maart 2025. Meerdere antwoorden mogelijk.
| Knelpunt | Aandeel huisartsen |
|---|---|
| Wachttijden gespecialiseerde ggz | 92% |
| Afwijzing van verwijzing naar de gespecialiseerde ggz | 72% |
| Wachttijden generalistische basis-ggz | 50% |
| Problemen rond ernstige psychiatrische aandoeningen | 44% |
| Te vroege beeindiging van de behandelrelatie door de ggz | 42% |
| Ontbreken van passend aanbod bij de ggz-aanbieder | 39% |
| Geen mogelijkheid om urgentie mee te geven bij de verwijzing | 35% |
| Afwijzing van verwijzing naar de basis-ggz | 31% |
| Geen mogelijkheid voor consultatie van een psychiater | 26% |
| Personele beschikbaarheid in de eigen praktijk | 7% |
| Geen problemen | 0% |
Dit is een ledenpeiling met een respons van 19 procent, geen aselecte steekproef onder alle huisartsen. De LHV meldt dat er geen grote regionale verschillen zijn gevonden. Het nieuwsbericht van de LHV noemt 72 procent voor problemen in de samenwerking rond informatieoverdracht en collegiaal overleg, terwijl de infographic bij samenwerking met de psychiatrie 71 procent geeft; wij volgen de infographic.
De deur kan ook om financiele redenen dichtgaan
Naast afwijzing op inhoudelijke gronden bestaat er een tweede soort gesloten deur: de aanbieder heeft het met een zorgverzekeraar afgesproken maximumbedrag voor dat jaar bereikt en neemt daarom geen nieuwe patienten van die verzekeraar meer aan, terwijl mensen met een andere polis nog wel terechtkunnen. Dat wordt niet landelijk geregistreerd. De enige systematische Nederlandse meting komt van de onderzoeksredactie van Pointer, die van begin mei tot eind augustus 2026 de wachttijdpaginas van 397 ggz-aanbieders bijhield. Bij 98 van die aanbieders ging in die periode de deur dicht voor minstens een zorgverzekeraar.
98 van 397ggz-aanbieders met een behandelstop, mei tot augustus 2026
Bij 98 van de 397 gemonitorde ggz-aanbieders, bijna een kwart, ging tussen begin mei en eind augustus 2026 de deur dicht voor minstens een zorgverzekeraar, terwijl clienten met een andere polis wel behandeld werden.
Bron: Pointer (KRO-NCRV), Wachttijd ggz mede bepaald door zorgplafond (8 september 2026)
vier op de tienaanbieders waar de polis de wachttijd mede bepaalt
Bij vier op de tien van de 397 gemonitorde ggz-aanbieders bepaalt de zorgverzekering mede hoe lang iemand moet wachten. De verschillen spelen vooral bij kleine en middelgrote instellingen.
Bron: Pointer (KRO-NCRV), Wachttijd ggz mede bepaald door zorgplafond (8 september 2026)
80 aanbiedersstop voor de vier grootste verzekeraars, eind augustus 2026
Eind augustus 2026 hadden 80 ggz-instellingen een stop voor Achmea, VGZ, CZ of Menzis. In meer dan de helft van die gevallen konden klanten van de kleinere verzekeraar DSW er wel terecht.
Bron: Pointer (KRO-NCRV), Wachttijd ggz mede bepaald door zorgplafond (8 september 2026)
28.000 clientenzorgbemiddeling in de ggz, 2024
Zorgverzekeraars hebben in 2024 voor ongeveer 28.000 clienten zorg bemiddeld in de ggz. 12,5 procent van die clienten kon niet succesvol worden bemiddeld; als redenen worden onder meer genoemd dat er geen aanbod of expertise beschikbaar was en dat aanbieders patienten bij vermeende hoge complexiteit weigeren.
vanaf 2026verwijsdatum verplicht op de declaratie
De NZa heeft de regels aangepast: vanaf 2026 moeten zorgaanbieders de verwijsdatum van de patient registreren en op de declaratie vermelden. Daarmee kan pas vanaf dat jaar uit declaratiegegevens worden afgeleid hoe lang iemand na de verwijzing wachtte.
Bron: Nederlandse Zorgautoriteit, Toegang tot geestelijke gezondheidszorg verder onder druk (22 juli 2025)
aanmeldpauzebegrip uit het actieplan van 2021
In het actieplan dat MIND, de Nederlandse ggz, MeerGGZ, Sociaal Werk Nederland en Zorgverzekeraars Nederland in februari 2021 presenteerden, is de aanmeldpauze opgenomen: een aanbieder die structureel de wachttijdnorm overschrijdt, plaatst geen nieuwe patienten op de wachtlijst maar begeleidt hen naar een aanbieder waar behandeling sneller mogelijk is.
Bron: Zorgverzekeraars Nederland, Meer inzicht in wachtlijsten voor ggz-behandelingen (11 februari 2021)
Wat er over gesloten deuren bij ggz-aanbieders feitelijk is geteld. Dit is journalistiek onderzoek op basis van de wachttijdinformatie die aanbieders zelf publiceren, geen registratie van een toezichthouder.
| Meting | Uitkomst |
|---|---|
| Gemonitorde ggz-aanbieders, begin mei tot eind augustus 2026 | 397 |
| Aanbieders met een behandelstop voor minstens een verzekeraar | 98 |
| Aanbieders met eind augustus een stop voor Achmea, VGZ, CZ of Menzis | 80 |
Bron: Pointer (KRO-NCRV), Wachttijd ggz mede bepaald door zorgplafond (8 september 2026)
Zilveren Kruis stelt tegenover Pointer dat de informatie op de wachttijdpaginas van sommige aanbieders niet klopt en dat er wel verzekerden van Zilveren Kruis werden aangenomen. Het cijfer van 28.000 bemiddelde clienten en de 12,5 procent staan in een voetnoot van het Zorginstituut, die verwijst naar een factsheet Zorgbemiddeling; die onderliggende factsheet was op het moment van samenstellen niet meer op een werkend webadres te vinden.
Meer mensen in zorg, en in de ggz minder vaak een intensieve behandeling
Tussen 2007-2009 en 2019-2022 is het zorggebruik vanwege psychische problemen sterk gestegen: van 9 naar 15 procent in de algemene gezondheidszorg en van 6 naar 10 procent in de ggz, onder 18- tot 64-jarigen. Die stijging wordt niet verklaard door de toename van psychische aandoeningen in de bevolking in dezelfde periode. Bij vrouwen en bij mensen zonder betaald werk was de stijging het sterkst. Tegelijkertijd gebeurde er binnen de ggz iets anders: wie er binnenkwam met een matige of ernstige aandoening kreeg in 2019-2022 juist minder vaak een intensieve behandeling dan twaalf jaar eerder.
9,0% naar 15,0%algemene gezondheidszorg, 18 tot 64 jaar
Het gebruik van de algemene gezondheidszorg vanwege psychische problemen steeg van 9,0 procent in 2007-2009 naar 15,0 procent in 2019-2022, met een odds ratio van 1,77 en na correctie voor demografie en het hebben van een aandoening 1,52.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, tabel trends in zorggebruik
6,2% naar 10,0%geestelijke gezondheidszorg, 18 tot 64 jaar
Het gebruik van de ggz steeg van 6,2 naar 10,0 procent, met een odds ratio van 1,69 en gecorrigeerd 1,39. Het medicatiegebruik steeg van 5,7 naar 6,9 procent, maar die stijging is na correctie niet langer significant: de gecorrigeerde odds ratio is 0,99.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, tabel trends in zorggebruik
12,4% naar 22,1%vrouwen, zorg vanwege psychische problemen
Bij vrouwen steeg het zorggebruik van 12,4 naar 22,1 procent, bij mannen van 9,1 naar 12,4 procent. De sterkere stijging bij vrouwen blijft bestaan na correctie voor demografische veranderingen en voor de toename van psychische aandoeningen in de bevolking.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, figuur trend in zorggebruik naar geslacht
15,7% naar 29,3%zonder betaald werk
Bij volwassenen zonder betaald werk verdubbelde het zorggebruik bijna, van 15,7 naar 29,3 procent, tegen 9,2 naar 14,2 procent bij mensen met betaald werk. Ook dit verschil is niet door bevolkingsveranderingen verklaard.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, figuur trend naar werksituatie
67,2% naar 53,2%intensieve behandeling in de ggz, matige of ernstige aandoening
Van de mensen met een matige of ernstige psychische aandoening die ggz-zorg kregen, kreeg in 2007-2009 67,2 procent een intensieve behandeling en in 2019-2022 53,2 procent. Intensief betekent hier minstens acht sessies per jaar, of minstens vier sessies in combinatie met medicijnen voor de aandoening.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, figuur intensieve behandeling in de GGZ
13,7% naar 32,1%intensieve behandeling in de AGZ, matige of ernstige aandoening
In de algemene gezondheidszorg ging het precies de andere kant op: daar steeg het aandeel met een intensieve behandeling bij een matige of ernstige aandoening van 13,7 naar 32,1 procent, sterker dan bij mensen zonder of met een lichte aandoening (16,9 naar 19,1 procent).
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, figuur intensieve behandeling in de AGZ
geen verschil naar ernsttoename van het ggz-gebruik
De toename van het ggz-gebruik hing niet samen met de ernst van de aandoening. Bij een ernstige aandoening steeg het van 36,4 naar 39,6 procent, en die toename was vergelijkbaar met die bij mensen zonder psychische aandoening (3,0 naar 4,5 procent).
Zorggebruik vanwege psychische problemen in de voorgaande twaalf maanden, 18- tot 64-jarigen, NEMESIS-2 (2007-2009) tegenover de eerste meting van NEMESIS-3 (2019-2022). De laatste vier regels gaan over het aandeel dat een intensieve behandeling kreeg onder de mensen die zorg kregen, en hebben dus een andere noemer dan de regels erboven.
| Maat | 2007-2009 | 2019-2022 |
|---|---|---|
| Algemene gezondheidszorg, totaal | 9,0% | 15,0% |
| Geestelijke gezondheidszorg, totaal | 6,2% | 10,0% |
| Voorgeschreven medicatie | 5,7% | 6,9% |
| Zorg (AGZ of ggz), vrouwen | 12,4% | 22,1% |
| Zorg (AGZ of ggz), mannen | 9,1% | 12,4% |
| Zorg (AGZ of ggz), met betaald werk | 9,2% | 14,2% |
| Zorg (AGZ of ggz), zonder betaald werk | 15,7% | 29,3% |
| Alleen AGZ, totaal | 4,5% | 7,3% |
| Alleen AGZ, geen psychische aandoening | 3,0% | 4,1% |
| Alleen AGZ, lichte aandoening | 4,7% | 6,3% |
| Alleen AGZ, matig ernstige aandoening | 10,6% | 17,6% |
| Alleen AGZ, ernstige aandoening | 20,9% | 21,4% |
| Ggz, geen psychische aandoening | 3,0% | 4,5% |
| Ggz, lichte aandoening | 9,0% | 12,5% |
| Ggz, matig ernstige aandoening | 17,7% | 18,4% |
| Ggz, ernstige aandoening | 36,4% | 39,6% |
| Intensieve behandeling in de ggz, matige of ernstige aandoening | 67,2% | 53,2% |
| Intensieve behandeling in de ggz, geen of lichte aandoening | 43,9% | 41,7% |
| Intensieve behandeling in de AGZ, matige of ernstige aandoening | 13,7% | 32,1% |
| Intensieve behandeling in de AGZ, geen of lichte aandoening | 16,9% | 19,1% |
De regels alleen AGZ gaan over mensen die contact hadden met de algemene gezondheidszorg en niet ook met de ggz. Dat is een andere maat dan de eerste regel: het totale AGZ-gebruik is 9,0 naar 15,0 procent, het gebruik van alleen de AGZ is 4,5 naar 7,3 procent. Beide staan op dezelfde Trimbos-pagina en worden gemakkelijk verwisseld. De vergelijking beperkt zich tot 18- tot 64-jarigen omdat alleen die leeftijdsgroep aan beide studies deelnam; de cijfers in de rest van deze pagina gaan over 18 tot 75 jaar.
Wat er niet gemeten is
Op een aantal punten die veel worden beweerd, bestaat voor Nederland geen cijfer. Die gaten bepalen wat met de cijfers hierboven wel en niet gezegd kan worden, en ze zijn even hard als de getallen zelf.
niet gemetenuitstel van hulp naar geslacht
Er bestaat voor Nederland geen cijfer over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht. De bewering dat vrouwen later hulp zoeken dan mannen is in Nederland niet gemeten. NEMESIS-3 publiceert zorggebruik en onvervulde zorgbehoefte naar geslacht, maar geen maat voor uitstel of diagnostische vertraging, en de Gezondheidsenquete van het CBS vraagt alleen of er in de voorgaande twaalf maanden contact was.
vaker, niet laterwat wel gemeten is
Op de vraag of vrouwen vaker hulp zoeken is het antwoord hard ja: 12,9 tegen 9,0 procent contact met een psycholoog of psychiater in 2024, 19,8 tegen 11,3 procent zorggebruik in NEMESIS-3. Vrouwen rapporteren ook vaker een onvervulde zorgbehoefte, 4,3 tegen 2,9 procent. Over het moment waarop zij hulp zoeken zegt geen van deze cijfers iets.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte, tabel onvervulde zorgbehoefte naar demografie
geen autismecijferonvervulde zorgbehoefte en zorggebruik bij autisme
NEMESIS-3 stelt stemmings-, angst- en middelenstoornissen en ADHD vast. Autisme hoort niet bij de gemeten aandoeningen. Daarom bestaat er voor ADHD wel een cijfer voor zorggebruik (45,6 procent) en voor onvervulde zorgbehoefte (10,8 procent), en voor autisme niet.
geen registratieafwijzingen door ggz-aanbieders
Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat door een ggz-aanbieder wordt geweigerd of na een intake wordt terugverwezen. De cijfers die er zijn, komen uit zelfgeselecteerde vragenlijsten van MIND (297 respondenten in 2023 en 98 in 2026) en uit een beoordeling van 60 websites door het Zorginstituut. Geen van die bronnen kan zeggen hoe vaak afwijzing in Nederland voorkomt.
Bron: MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 4, beperkingen van deze uitvraag
geen standaardlijstdefinitie van exclusiecriteria
Er bestaat geen standaardlijst van exclusiecriteria. Het Zorginstituut moest voor het onderzoek zelf een lijst opstellen, en meldt dat geobserveerde criteria die niet op die lijst stonden niet zijn meegeteld. Zonder vaste definitie is er ook geen maat om de afspraak uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord aan te toetsen.
ontbreektinzicht in wachttijden voor de cruciale ggz
Het Zorginstituut schrijft in februari 2026 dat precies inzicht in de wachttijden voor de groep die cruciale ggz nodig heeft ontbreekt, en dat landelijk en regionaal aan verbetering van dat inzicht wordt gewerkt.
niet eerder dan 2026wachttijd gerekend vanaf de verwijzing
Omdat de verwijsdatum pas vanaf 2026 verplicht op de declaratie staat, bestaat er voor eerdere jaren geen declaratiegebaseerde maat voor de tijd tussen de verwijzing door de huisarts en de start van de zorg.
Bron: Nederlandse Zorgautoriteit, Toegang tot geestelijke gezondheidszorg verder onder druk (22 juli 2025)
niet beschikbaartweede meting van NEMESIS-3 naar zorggebruik
De cijfers over zorggebruik en onvervulde zorgbehoefte op deze pagina komen uit de eerste meting van NEMESIS-3, met veldwerk van november 2019 tot maart 2022. Een actueler Nederlands bevolkingsonderzoek met een diagnostisch interview dat deze maten naar geslacht publiceert, is er niet.
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Over de studie, Meting 1 (2019-2022)
Bij elk van deze gaten geldt hetzelfde: het ontbreken van een cijfer is geen bewijs dat het verschijnsel niet bestaat, en ook geen bewijs dat het wel bestaat. Het betekent dat er in Nederland niets over is vastgesteld.
Valkuilen voordat je deze cijfers citeert
- De zorgmijdingscijfers die rondgaan, gaan niet over de ggz De cijfers die in het publieke debat als zorgmijding worden aangehaald, komen uit het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg en meten of iemand vanwege de kosten van een bezoek afzag. In die meting staan fysiotherapie met 13 procent, de mondhygienist met 12 procent en de tandarts met 11 procent bovenaan. Nivel verklaart dat zelf uit het feit dat die zorg buiten de basisverzekering valt. Voor een zorgverlener in de ggz is het 8 procent, en dat cijfer staat op 196 respondenten. Het Nivel-cijfer van 8 procent dat vaak als landelijk zorgmijdingscijfer wordt genoemd, is iets anders: dat is het aandeel burgers dat in 2024 van ten minste een van drie vormen van zorg afzag, namelijk een doktersbezoek, een aanbevolen onderzoek of behandeling, of medicijnen. Dat die twee getallen beide 8 procent zijn, is toeval.
- Onvervulde zorgbehoefte is geen zorgmijding De 3,6 procent uit NEMESIS-3 meet mensen die behoefte hadden aan meer professionele hulp vanwege psychische problemen en die hulp niet hebben gezocht. De reden wordt daarbij niet gemeten. De Nivel-maat meet iets anders: van de mensen die ggz-zorg nodig hadden zag 8 procent daarvan af vanwege de kosten. Andere teller, andere noemer, andere vraag. Dat blijkt ook uit de uitsplitsingen: bij de onvervulde zorgbehoefte hangt de uitkomst niet samen met het huishoudinkomen (4,0 procent bij een laag, 3,4 bij een midden en 3,5 bij een hoog inkomen), terwijl bij het afzien vanwege de kosten de financiele situatie juist het sterkste verband geeft (27 procent bij wie schulden moet maken tegen 4 procent bij wie geld overhoudt).
- Zelfrapportage en registratie tellen niet dezelfde mensen In NEMESIS-3 zeggen 1.117.200 volwassenen dat zij in twaalf maanden zorg in de ggz gebruikten vanwege psychische problemen. In de declaratiegegevens over 2024 zijn 978 duizend mensen behandeld in de geneeskundige ggz. Dat zijn twee verschillende dingen: NEMESIS vraagt naar contact met een psychiater, psycholoog of psychotherapeut in de periode 2019 tot 2022 en is zelfrapportage, Vektis telt gedeclareerde zorg binnen de Zorgverzekeringswet in 2024. De aantallen mogen niet als reeks naast elkaar worden gezet.
- De afwijzingscijfers komen uit zelfgeselecteerde steekproeven De 53 procent uit het MIND-onderzoek van 2023 is het aandeel van 297 respondenten die zich meldden omdat zij problemen hadden ervaren bij de toegang tot de ggz. De vragenlijst werd 454 keer ingevuld en was voor ongeveer een derde niet van toepassing. De onderzoekers schrijven uitdrukkelijk dat de resultaten geen representatief beeld van alle ggz-zorgvragers geven. De 80 procent uit de MIND-uitvraag van 2026 is nog sterker geselecteerd: dat was een open oproep aan mensen die in 2026 waren geweigerd, met 98 bruikbare reacties. Beide getallen zeggen wat er gebeurt bij mensen die vastlopen, niet hoe vaak vastlopen in Nederland voorkomt.
- Twee bronnen rekenen hun eigen aantallen niet rond In de MIND-uitvraag van 2026 staat dat de vragenlijst 105 keer is ingevuld en dat 5 reacties zijn afgevallen, waarna met 98 respondenten wordt gerekend. Die drie getallen sluiten niet op elkaar aan. In het MIND-rapport van 2023 noemt het opschrift van tabel 19 187 respondenten die hulp hebben gekregen, terwijl de percentages in die tabel op de 110 respondenten zijn gebaseerd die volgens tabel 18 wel hulp kregen; 43 van 110 is de 39 procent die in de tabel staat. Wie uit die tabel citeert, moet de 110 als noemer nemen.
- Een verwisselde cel in de Trimbos-tabel over overige ggz De Trimbos-pagina over zorggebruik noemt in de lopende tekst dat 0,5 procent van de volwassenen overige ggz gebruikte, oftewel deeltijdbehandeling of opname. De leeswijzer en de tabel bij dezelfde paragraaf geven 0,1 procent. In de tabel staat bij de totale bevolking 0,1 procent met het betrouwbaarheidsinterval 0,3 tot 0,7, en bij de groep zonder stoornis 0,5 procent met het interval 0,0 tot 0,1. Een interval kan de puntschatting niet uitsluiten, dus de twee percentages lijken verwisseld. Wij publiceren die cel daarom niet.
- Alleen de huisarts of ook de ggz: twee trendreeksen op een pagina Op de Trimbos-pagina over trends staan twee reeksen die op elkaar lijken. Het totale gebruik van de algemene gezondheidszorg steeg van 9,0 naar 15,0 procent. Het gebruik van alleen de algemene gezondheidszorg, dus zonder ook ggz-contact, steeg van 4,5 naar 7,3 procent. Wie die reeksen door elkaar haalt, halveert of verdubbelt het zorggebruik. Dezelfde voorzichtigheid geldt voor de leeftijdsgrens: de trendcijfers gaan over 18- tot 64-jarigen, de overige NEMESIS-3-cijfers over 18 tot 75 jaar.
- Een norm, twee weergaven De NZa schrijft dat de Treeknorm voor aanmelding vier weken is en voor behandeling tien weken. Het MIND-onderzoek rekent met maximaal vier weken voor het intakegesprek en maximaal veertien weken voor de start van de behandeling, inclusief de wachttijd voor de intake. Dat is dezelfde norm, de een gerekend vanaf de intake en de ander vanaf de aanmelding. Wie de veertien weken naast de tien weken zet, vergelijkt twee startpunten.
- Voor ADHD bestaat het cijfer, voor autisme niet NEMESIS-3 stelt met een diagnostisch interview stemmings-, angst- en middelenstoornissen en ADHD vast. Autisme hoort niet bij de gemeten aandoeningen. Daardoor bestaat er voor ADHD een zorggebruikcijfer (45,6 procent gebruikte zorg, 30,8 procent kreeg medicatie) en een cijfer voor onvervulde zorgbehoefte (10,8 procent), en voor autisme niet. Wie een vergelijkbaar autismecijfer tegenkomt, moet de bron en de meetmethode nakijken, want die komt niet uit dit onderzoek.
- Een percentage van zestig websites is geen percentage van de sector De 36,7 procent van de ggz-instellingen die volgens het Zorginstituut op hun website exclusiecriteria voor complexe problemen noemt, is 11 van de 30 onderzochte instellingen. Het Zorginstituut noemt zelf drie beperkingen: de steekproef is klein, de lijst met getoetste criteria is door de onderzoekers zelf opgesteld omdat er geen standaardlijst bestaat, en de vindbaarheid van de informatie is niet meegewogen. Bovendien meet dit wat een aanbieder publiceert, niet wat bij een aanmelding gebeurt.
Belangrijkste conclusies
- Hulp zoeken bij psychische klachten wordt in Nederland op vier manieren gemeten en de uitkomsten liggen ver uiteen: 15,6 procent van de volwassenen gebruikte zorg, 3,6 procent had een onvervulde zorgbehoefte, 8 procent van wie ggz-zorg nodig had zag af vanwege de kosten, en 53 procent van een zelfgeselecteerde groep met toegangsproblemen was door een aanbieder geweigerd.
- Het enige ggz-specifieke cijfer over hulp die niet komt, is de onvervulde zorgbehoefte uit NEMESIS-3: 3,6 procent van de volwassenen, oftewel 454.000 mensen. Dat meet behoefte zonder hulpvraag, niet afzien vanwege kosten.
- De brede zorgmijdingscijfers gaan over mondzorg en fysiotherapie, niet over de ggz. In de meting van Nivel staan de fysiotherapeut (13 procent), de mondhygienist (12 procent) en de tandarts (11 procent) bovenaan, en de verklaring die Nivel zelf geeft is dat die zorg buiten de basisverzekering valt.
- Dat vrouwen vaker hulp zoeken is hard gemeten en al twaalf jaar stabiel: in 2025 had 13,9 procent van de vrouwen contact met een psycholoog of psychiater tegen 9,8 procent van de mannen, en het verschil liep op van 2,3 naar 4,1 procentpunt. Vrouwen rapporteren ook vaker een onvervulde zorgbehoefte, 4,3 tegen 2,9 procent.
- Dat vrouwen later hulp zouden zoeken is in Nederland niet gemeten. Er bestaat geen Nederlands cijfer over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht.
- Bij de onvervulde zorgbehoefte is leeftijd een sterkere scheidslijn dan geslacht: 6,1 procent bij 18- tot 24-jarigen tegen 1,7 procent bij 65-plussers, en 5,7 procent zonder partner tegen 2,4 procent met partner. Opleiding, inkomen, werksituatie en herkomst laten geen verschil zien.
- Ruim zes op de tien mensen met een vastgestelde psychische aandoening had in datzelfde jaar geen enkel zorgcontact: van de mensen met een aandoening gebruikte 37,8 procent zorg in de algemene gezondheidszorg of de ggz.
- Over afwijzing bij de aanmelding bestaat geen landelijke registratie. Wat er is, komt uit zelfgeselecteerde vragenlijsten en uit een beoordeling van zestig websites, en geen van die bronnen kan zeggen hoe vaak afwijzing in Nederland voorkomt.
- Waar wel geteld is, is het patroon consistent: in het MIND-onderzoek van 2023 kreeg 46 procent van de afgewezen respondenten de afwijzing direct bij de aanmelding en 55 procent hoorde dat de problemen te complex waren, in de uitvraag van 2026 was te complex opnieuw de vaakst genoemde reden, en 93 procent van de huisartsen ziet weinig tot geen mogelijkheden om naar de gespecialiseerde ggz te verwijzen.
- Wat na een afwijzing gebeurt, is het tweede deel van het probleem: 40 procent van de afgewezen respondenten in 2023 kon nog nergens terecht, 63 procent van alle respondenten kreeg geen hulp bij het zoeken, en in de uitvraag van 2026 gaf 86 procent aan dat de instelling niet heeft geholpen bij het vinden van een passende plek.
- Meer mensen in zorg betekent niet automatisch meer behandeling: het ggz-gebruik steeg van 6,2 naar 10,0 procent, terwijl het aandeel met een intensieve behandeling onder mensen met een matige of ernstige aandoening in de ggz daalde van 67,2 naar 53,2 procent.
- De stijging van het zorggebruik is het sterkst bij vrouwen (van 12,4 naar 22,1 procent) en bij mensen zonder betaald werk (van 15,7 naar 29,3 procent), en wordt niet verklaard door de toename van psychische aandoeningen in de bevolking.
Methodologie en bronnen
Elk cijfer op deze pagina komt uit een publicatie die wij zelf hebben opgevraagd en uitgelezen, niet uit een samenvatting of een zoekresultaat. De belangrijkste bron is de eerste meting van NEMESIS-3 van het Trimbos-instituut: 6.194 face-to-face interviews met een diagnostisch instrument volgens de DSM-5 onder Nederlanders van 18 tot en met 75 jaar, afgenomen tussen november 2019 en maart 2022, met een gewogen respons van 54,6 procent op 12.133 geschikte personen en een gemiddelde interviewduur van 91 minuten. Het zorggebruik daarin is zelfgerapporteerd en geen registratiecijfer. De reeks over contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater komt uit tabel 85454NED van CBS StatLine, opgehaald via de open-dataservice, waarbij wij per jaar de waarde en de onder- en bovengrens van het 95-procentinterval hebben uitgelezen voor de verslagjaren 2014 tot en met 2025. De cijfers over afzien van zorg vanwege de kosten komen uit het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg, waarin in november 2024 een vragenlijst is uitgezet onder 1.500 panelleden met 782 respondenten, en uit de Nivel-kennisvraag van oktober 2024 met een literatuuroverzicht van veertien publicaties. De cijfers over afwijzing komen uit het onderzoek van Bureau Lenz in opdracht van MIND onder 297 respondenten in april 2023 en uit de MIND-uitvraag onder 98 respondenten tussen 28 mei en 17 juni 2026; beide steekproeven zijn zelfgeselecteerd en dat staat bij elk cijfer vermeld. De cijfers over exclusiecriteria komen uit de beoordeling door Zorginstituut Nederland van de websites van 30 ggz-instellingen en 30 vrijgevestigde aanbieders, gepubliceerd op 18 december 2025. De cijfers van de verwijzerskant komen uit de ledenpeiling van de Landelijke Huisartsen Vereniging onder 1.641 van 8.575 uitgenodigde huisartsen, gehouden van 25 februari tot 11 maart 2025. De monitoring van behandelstops onder 397 ggz-aanbieders is journalistiek onderzoek van Pointer en geen registratie. Waar de lopende tekst van een publicatie afwijkt van de bijbehorende tabel, melden wij beide waarden en volgen wij de tabel, behalve waar een betrouwbaarheidsinterval aantoont dat de tabelcel niet kan kloppen. Cijfers die wij niet in een primaire bron konden terugvinden, staan niet op deze pagina.
Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.
Gebruikte bronnen
- Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (2025), afspraak 10 over exclusiecriteria
- Bureau Lenz in opdracht van MIND, Toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (augustus 2023), tabel 7
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (85454NED), contact psycholoog of psychiater
- CBS, open-dataservice StatLine, tabel 85454NED, TypedDataSet, onderwerpen contacten per persoon en contacten per persoon met minimaal 1 contact
- Landelijke Huisartsen Vereniging, Resultaten peiling samenwerking huisarts en ggz (juni 2025), ervaren knelpunten in de dagzorg
- MIND, Uitvraag exclusiecriteria (18 juni 2026), paragraaf 4, beperkingen van deze uitvraag
- Nederlandse Zorgautoriteit, Toegang tot geestelijke gezondheidszorg verder onder druk (22 juli 2025)
- Nivel, Infographic Toegang tot zorg, afzien van zorg vanwege de kosten 2016-2024 (2025)
- Nivel, Kennisvraag: kenmerken van mensen die afzien van zorg om financiele redenen (oktober 2024), hoofdstuk 3.1, omvang zorg mijden
- Nivel, Ruim 1 op de 10 die fysiotherapie of mondzorg nodig heeft, mijdt dit door kosten (2025)
- Pointer (KRO-NCRV), Wachttijd ggz mede bepaald door zorgplafond (8 september 2026)
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Onvervulde zorgbehoefte
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Over de studie, Meting 1 (2019-2022)
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Trends in zorggebruik, tabel en figuren trends in zorggebruik en passende zorg
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik en kosten, demografische kenmerken
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3, Zorggebruik in de afgelopen 12 maanden
- Vektis, Factsheet ggz, cijfers over 2024
- Zorginstituut Nederland, Informatievoorziening op websites in de ggz (18 december 2025), hoofdstuk 4, limitaties van het onderzoek
- Zorginstituut Nederland, Inventarisatie knelpunten en oplossingen, eindrapportage actieaanpak toegankelijke cruciale ggz (16 februari 2026), voetnoot 4
- Zorgverzekeraars Nederland, Meer inzicht in wachtlijsten voor ggz-behandelingen (11 februari 2021)
Veelgestelde vragen
Hoeveel mensen zoeken in Nederland hulp bij psychische klachten?
In de eerste meting van NEMESIS-3 gebruikte 15,6 procent van de volwassenen van 18 tot 75 jaar in twaalf maanden zorg vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, oftewel 1.966.000 mensen. Daarvan ging 13,5 procent naar de algemene gezondheidszorg, met de huisartsenzorg als grootste onderdeel (10,9 procent), en 8,8 procent naar de ggz. 6,4 procent kreeg medicatie voorgeschreven. Dit is zelfrapportage over de periode 2019 tot 2022, geen registratie.
Wat is een onvervulde zorgbehoefte, en hoeveel mensen hebben die?
Een onvervulde zorgbehoefte betekent volgens de definitie van het Trimbos-instituut dat iemand behoefte heeft aan meer professionele hulp vanwege psychische problemen of alcohol- of drugsproblemen, maar die hulp niet heeft gezocht. In NEMESIS-3 gold dat voor 3,6 procent van de volwassenen, oftewel 454.000 mensen. Onder mensen met een psychische aandoening was het 9,8 procent, bij een stemmingsstoornis 17,2 procent en bij ADHD 10,8 procent. Tussen 2007-2009 en 2019-2022 steeg het van 1,8 naar 4,0 procent onder 18- tot 64-jarigen.
Hoeveel mensen mijden ggz-zorg vanwege de kosten?
Van de 196 respondenten in het Nivel Consumentenpanel die in november 2024 aangaven in de voorgaande twaalf maanden zorg van een zorgverlener in de ggz nodig te hebben, zag 8 procent daarvan af vanwege de kosten. Dat is lager dan bij de fysiotherapeut (13 procent), de mondhygienist (12 procent) en de tandarts (11 procent). De verschillen binnen de ggz-groep zijn groot: 27 procent bij mensen die schulden moeten maken of spaargeld moeten aanspreken, tegen 4 procent bij mensen die geld overhouden.
Zoeken vrouwen vaker hulp dan mannen?
Ja, dat is gemeten. In 2025 had 13,9 procent van de vrouwen en 9,8 procent van de mannen minstens een contact met een psycholoog, psychotherapeut of psychiater; in 2024 was dat 12,9 tegen 9,0 procent. In NEMESIS-3 gebruikte 19,8 procent van de vrouwen en 11,3 procent van de mannen zorg vanwege psychische problemen, met een odds ratio van 1,95. Dat verschil is groter dan het verschil in het voorkomen van aandoeningen, waar de odds ratio 1,24 is.
Zoeken vrouwen later hulp dan mannen?
Dat is in Nederland niet gemeten. Er bestaat geen Nederlands cijfer over de tijd tussen de eerste klachten en het eerste zorgcontact, uitgesplitst naar geslacht. NEMESIS-3 publiceert zorggebruik en onvervulde zorgbehoefte naar geslacht, maar geen maat voor uitstel of diagnostische vertraging, en de Gezondheidsenquete van het CBS vraagt alleen of er in de voorgaande twaalf maanden contact was. Wat wel is gemeten, is dat vrouwen vaker hulp zoeken en ook vaker een onvervulde zorgbehoefte rapporteren (4,3 tegen 2,9 procent).
Hoe vaak worden mensen door een ggz-aanbieder geweigerd?
Daar bestaat geen landelijk cijfer voor, omdat afwijzingen niet worden geregistreerd. In het onderzoek dat Bureau Lenz in 2023 voor MIND uitvoerde was 53 procent van de 297 respondenten door een of meer aanbieders geweigerd, maar dat waren mensen die zich meldden omdat zij toegangsproblemen hadden ervaren; de onderzoekers schrijven zelf dat dit geen representatief beeld geeft. In de open uitvraag van MIND in 2026 gaf 80 procent van de 98 respondenten aan sinds 1 januari 2026 niet in behandeling te zijn genomen. Beide getallen beschrijven wat deze groepen meemaakten, niet hoe vaak afwijzing in Nederland voorkomt.
Welke redenen geven zorgaanbieders voor een afwijzing?
In het MIND-onderzoek van 2023 noemden de 157 afgewezen respondenten als vaakste reden dat de aanbieder de problemen te complex vond (87 keer, 55 procent), gevolgd door het ontbreken van passend zorgaanbod (52 keer, 33 procent) en een andere reden (49 keer, 31 procent), waarbij de toelichtingen vaak op een aanmeld- of opnamestop wijzen. In de uitvraag van 2026 ging het in 37 van de 51 keer dat de categorie andere reden was gekozen om te complex; autisme werd 19 keer genoemd, crisisgevoeligheid 17 keer en suicidaliteit 11 keer.
Wat zijn exclusiecriteria en mogen die nog?
Exclusiecriteria zijn voorwaarden waardoor iemand bij een zorgaanbieder geen behandeling krijgt. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord van 2025 is afgesproken dat zorgaanbieders daar vanaf 2026 mee stoppen, behalve wanneer dat strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen; voor een aantal laagvolume, hoogcomplexe zorgvragen kunnen ze blijven gelden met doorverwijzing naar een landelijke voorziening. Zorginstituut Nederland vond in 2025 bij 36,7 procent van 30 onderzochte ggz-instellingen op de website exclusiecriteria gericht op mensen met complexe problemen, en bij de 30 onderzochte vrijgevestigde aanbieders bij geen enkele.
Wat gebeurt er met mensen na een afwijzing?
In het MIND-onderzoek van 2023 had 40 procent van de 157 afgewezen respondenten op het moment van invullen nog geen andere plek gevonden, 55 procent vond er wel een maar met veel extra tijd en moeite, en 5 procent vond vrij makkelijk een plek. Van alle 297 respondenten kreeg 63 procent geen hulp in de zoektocht; van wie wel hulp kreeg, kwam die bij 39 procent van de huisarts of praktijkondersteuner en bij 7 procent van de zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar. In de uitvraag van 2026 gaf 86 procent van de geweigerde respondenten aan dat de instelling niet heeft geholpen bij het vinden van een passende plek.
Hoe kijken huisartsen naar de toegang tot de ggz?
In de ledenpeiling van de Landelijke Huisartsen Vereniging van februari 2025 onder 1.641 huisartsen zag 93 procent weinig tot geen mogelijkheden om patienten naar de gespecialiseerde ggz te verwijzen, en 67 procent naar de generalistische basis-ggz. Als knelpunt noemde 92 procent de wachttijden en 72 procent de afwijzing van verwijzingen naar de gespecialiseerde ggz. 71 procent zag het aantal patienten met psychische problematiek toenemen en 77 procent de complexiteit van de klachten. Huisartsen bieden gemiddeld ongeveer 3,7 uur per week overbruggingszorg.
Wie deze cijfers verzamelde
Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.
De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.
Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.
Meer cijferoverzichten
- Burn-out bij vrouwen in cijfers
- Wachttijden in de ggz bij ADHD en autisme
- ADHD, autisme en werk in cijfers
- ADHD en autisme bij vrouwen en mannen
- ADHD-medicatie bij vrouwen
- Autisme bij vrouwen in cijfers
- Mantelzorg en dubbele belasting in cijfers
- Meisjes en jonge vrouwen in cijfers
- Mentale gezondheid in cijfers
- Overgang en werk in cijfers
- Psychologen in Nederland in cijfers
- Slaapproblemen bij vrouwen in cijfers
- Van huisarts tot arbeidsongeschiktheid in cijfers
- Verzuim door psychische klachten in cijfers
- Kosten van de ggz
- Wat psychische hulp zelf kost in cijfers
- Werkdruk en werkstress in cijfers
- Zelfstandigen en burn-out in cijfers