DiversaMente › Cijfers › Meisjes en jonge vrouwen in cijfers

Cijferoverzicht

Meisjes, jonge vrouwen en studenten: mentale gezondheid in cijfers

Bij Nederlandse volwassenen is sterke eenzaamheid geen vrouwenverhaal: in de Gezondheidsmonitor van 2024 gaat het om 13,0 procent van de mannen tegen 13,2 procent van de vrouwen. Onder scholieren in het voortgezet onderwijs ligt het heel anders: 6,1 procent van de jongens tegen 15,0 procent van de meisjes. Dat patroon loopt door alle metingen heen. Het man-vrouwverschil in mentale gezondheid is in Nederland klein bij volwassenen en groot bij jongeren. Op deze pagina staan de cijfers van de vijf onderzoeken die dat meten: het HBSC-onderzoek onder scholieren, de Gezondheidsmonitor Jeugd, de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen, de studentenmonitor van het RIVM en het Trimbos-instituut, en de Gezondheidsenquete van het CBS. Bij elk getal staat welk meetinstrument het heeft gemeten, onder wie en in welk jaar, want die vijf onderzoeken geven verschillende antwoorden op dezelfde vraag.

Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.

42,7%meisjes in het voortgezet onderwijs, 2025

42,7 procent van de meisjes van 12 tot en met 16 jaar in het voortgezet onderwijs scoort hoog op de emotionele problemenschaal van de SDQ, tegen 12,9 procent van de jongens. Dat is ruim drie keer zo veel.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

22,5procentpunt verschil, jonger dan 25 jaar, 2022/2023

In de Gezondheidsenquete was het verschil tussen vrouwen en mannen onder 25 jaar in 2022/2023 opgelopen tot 22,5 procentpunt: 58,7 tegen 36,2 procent met angst- of depressiegevoelens volgens de MHI-5. In de groep van 25 tot 45 jaar was het verschil in dezelfde periode 5,9 procentpunt.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

15,0% tegen 6,1%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

15,0 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs voelde zich het laatste jaar meestal of altijd eenzaam, tegen 6,1 procent van de jongens. Bij volwassenen van 18 jaar en ouder is dat verschil er niet: 13,2 procent van de vrouwen tegen 13,0 procent van de mannen.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

188.000scholieren, 2023

De Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 is afgenomen bij ruim 188.000 tweede- en vierdeklassers van het regulier voortgezet onderwijs, door alle 25 GGD'en samen met GGD GHOR Nederland en het RIVM.

Bron: RIVM StatLine, bronnen en methoden bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

83%studenten hbo en wo, 2025

83 procent van de ruim 27.000 deelnemende studenten had in 2025 angst- of depressiegevoelens volgens de MHI-5 met de nieuwe afkapwaarde van 76. Met de oude afkapwaarde kwam dezelfde monitor in 2023 op 44 procent uit.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

Deel 1

Het verschil tussen vrouwen en mannen zit bij de jongeren

De Gezondheidsenquete van het CBS meet angst- of depressiegevoelens met de MHI-5, een vragenlijst van vijf vragen over de afgelopen vier weken. Omdat de uitsplitsing naar geslacht en leeftijd op kleine aantallen stuit, publiceert het CBS die combinatie als gemiddelde over twee onderzoeksjaren. De tabel zet de groep jonger dan 25 jaar naast de groep van 25 tot 45 jaar. In beide groepen scoren vrouwen hoger, maar het verschil onder de 25 is in alle zes de perioden groter, en liep in 2022/2023 op tot 22,5 procentpunt.

58,7%vrouwen jonger dan 25 jaar, 2022/2023

In 2022/2023 had 58,7 procent van de vrouwen jonger dan 25 jaar angst- of depressiegevoelens volgens de MHI-5, de hoogste waarde in de hele reeks voor deze groep.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

41,2% naar 51,8%vrouwen jonger dan 25 jaar, 2014/2015 en 2024/2025

Over tien jaar liep het aandeel vrouwen jonger dan 25 jaar met angst- of depressiegevoelens op van 41,2 naar 51,8 procent, met een piek van 58,7 procent in 2022/2023.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

28,5% naar 39,3%mannen jonger dan 25 jaar, 2014/2015 en 2024/2025

Bij mannen jonger dan 25 jaar liep hetzelfde cijfer op van 28,5 naar 39,3 procent. De stijging is in absolute procentpunten vergelijkbaar, maar het niveau blijft lager.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

12,5procentpunt verschil, jonger dan 25 jaar, 2024/2025

In de meest recente periode is het verschil tussen vrouwen en mannen onder 25 jaar teruggelopen tot 12,5 procentpunt, doordat het cijfer bij vrouwen daalde en bij mannen steeg.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

52,6%vrouwen 25 tot 45 jaar, 2024/2025

Bij vrouwen van 25 tot 45 jaar is 2024/2025 juist het hoogste punt van de reeks, met 52,6 procent. In die groep is het patroon over de tijd dus anders dan bij de jongste groep.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

6 periodentweejaarsgemiddelden, 2014/2015 tot en met 2024/2025

De reeks bestaat uit zes tweejaarsgemiddelden. Het CBS is in deze tabel overgestapt op een andere manier om die tweejaarscijfers te berekenen, waardoor sommige waarden licht afwijken van de voorganger van de tabel.

Bron: CBS StatLine, toelichting bij tabel 86325NED over de tweejaarscijfers en de herziene rekenmethode

Angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken volgens de MHI-5 (somscore 76 of lager), naar geslacht en leeftijd, Gezondheidsenquete van het CBS, in procenten. De cijfers zijn gemiddelden over twee onderzoeksjaren.

VerslagperiodeMannen jonger dan 25Vrouwen jonger dan 25Verschil in procentpuntenMannen 25 tot 45Vrouwen 25 tot 45Verschil in procentpunten
2014/201528,541,212,732,239,77,5
2016/201729,840,410,635,344,99,6
2018/201931,946,014,135,043,68,6
2020/202137,754,616,940,250,910,7
2022/202336,258,722,544,550,45,9
2024/202539,351,812,542,152,610,5

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, persoonskenmerken (tabel 86325NED), Gezondheidsenquete

De perioden 2020/2021 en 2022/2023 bevatten coronajaren. Het CBS heeft het weegmodel van de Gezondheidsenquete voor 2020 en 2021 aangepast omdat huisbezoeken deels wegvielen en de respons alleen via internet binnenkwam.

Deel 2

Per leeftijdsgroep per jaar: de twintigers scoren het hoogst

Dezelfde Gezondheidsenquete publiceert per afzonderlijk jaar wel een uitsplitsing naar leeftijd, alleen niet gekruist met geslacht. Die reeks loopt van 2014 tot en met 2025 en laat zien dat de groep van 20 tot 30 jaar structureel het hoogst scoort, hoger dan het landelijke gemiddelde van iedereen van 12 jaar en ouder. Bij de jongste groep, 12 tot 16 jaar, schommelen de cijfers sterk, wat past bij een kleine steekproef in die leeftijd.

52,5%20 tot 30 jaar, 2025

Van de 20- tot 30-jarigen had 52,5 procent in 2025 angst- of depressiegevoelens volgens de MHI-5, tegen 41,7 procent van de hele bevolking van 12 jaar en ouder.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

39,1% naar 52,5%20 tot 30 jaar, 2014 en 2025

Bij 20- tot 30-jarigen liep het cijfer op van 39,1 procent in 2014 naar 52,5 procent in 2025, met een piek van 55,0 procent in 2022.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

51,6%16 tot 20 jaar, 2024

De 16- tot 20-jarigen kwamen in 2024 op 51,6 procent, het hoogste punt in hun reeks. Een jaar eerder stond diezelfde groep op 43,3 procent, wat de schommeling in deze leeftijdsgroep illustreert.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

27,0%12 tot 16 jaar, 2025

Bij 12- tot 16-jarigen is het cijfer in 2025 juist het laagst sinds 2018, met 27,0 procent. In 2022 stond diezelfde groep op 37,0 procent.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

22,8%12 tot 16 jaar, 2017

Het laagste cijfer in de hele tabel staat bij 12- tot 16-jarigen in 2017, met 22,8 procent. Het hoogste staat bij 20- tot 30-jarigen in 2022, met 55,0 procent.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

16,1%16 tot 20 jaar, 2024

Van de 16- tot 20-jarigen gaf 16,1 procent in 2024 aan in de afgelopen twaalf maanden een angstige of bezorgde periode van minstens twee weken te hebben gehad. Bij 20- tot 30-jarigen was dat 22,8 procent.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

13,5%20 tot 30 jaar, 2025

13,5 procent van de 20- tot 30-jarigen gaf in 2025 aan in de afgelopen twaalf maanden een depressie te hebben gehad. Dat is zelfrapportage, geen vastgestelde diagnose.

Bron: CBS StatLine, indicatordefinities bij tabel 85454NED (Gezondheidsenquete)

Angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken volgens de MHI-5 (somscore 76 of lager), per leeftijdsgroep en per jaar, Gezondheidsenquete van het CBS, in procenten. Deze uitsplitsing is niet gekruist met geslacht.

Jaar12 tot 16 jaar16 tot 20 jaar20 tot 30 jaar12 jaar en ouder
201429,235,639,136,0
201524,941,135,836,4
201628,036,943,438,0
201722,832,542,436,8
201826,442,142,038,1
201931,941,143,938,8
202031,246,648,540,1
202136,448,454,943,9
202237,050,355,044,0
202332,743,354,442,4
202431,651,651,943,7
202527,048,252,541,7

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), Gezondheidsenquete, via de open-dataservice

Deze reeks is gerekend met de afkapwaarde 76, die het CBS in 2024 heeft ingevoerd en met terugwerkende kracht op alle jaren heeft toegepast. De oude indicator, met een score lager dan 60, is tot en met verslagjaar 2023 gepubliceerd en daarna gestopt. Voor 12- tot 16-jarigen gaf die oude indicator 8,0 procent in 2023, waar de nieuwe op 32,7 procent komt.

Deel 3

HBSC 2025: meisjes in het voortgezet onderwijs scoren op bijna alles ongunstiger

Het HBSC-onderzoek wordt sinds 2001 elke vier jaar uitgevoerd onder leerlingen van groep 8 van de basisschool en jongeren van 12 tot en met 16 jaar in het voortgezet onderwijs. In het najaar van 2025 vulden 1.510 basisschoolleerlingen en 5.103 middelbare scholieren de vragenlijst klassikaal in, onder begeleiding van onderzoeksassistenten van het Trimbos-instituut. Het onderzoek gebruikt de SDQ voor mentale problemen, een aparte schaal voor emotioneel welbevinden en losse vragen over klachten en eenzaamheid. De sekseverschillen zijn het grootst bij emotionele problemen.

42,7% tegen 12,9%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

Op de SDQ-schaal voor emotionele problemen scoort 42,7 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs hoog, tegen 12,9 procent van de jongens.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

61,3% tegen 40,2%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

61,3 procent van de meisjes rapporteert meer dan een keer per week een of meer psychische klachten, tegen 40,2 procent van de jongens.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

37,3% tegen 16,1%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

37,3 procent van de meisjes heeft een laag emotioneel welbevinden, gemeten als een somscore lager dan 13 op vijf stellingen. Bij jongens is dat 16,1 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

6,8 tegen 7,7meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

Meisjes in het voortgezet onderwijs geven hun leven gemiddeld een 6,8 op een schaal van 0 tot 10, jongens een 7,7. In het basisonderwijs is het verschil kleiner, 7,8 tegen 8,1.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

41,0% tegen 32,4%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

Ook op hyperactiviteit en aandachtsproblemen scoren meisjes hoger dan jongens, 41,0 tegen 32,4 procent. De onderzoekers noemen dat opvallend, omdat jongens hier traditioneel hoger op scoren.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

54,0% tegen 35,7%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

54,0 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs ervaart nogal veel of veel druk door schoolwerk, tegen 35,7 procent van de jongens. Over alle leerlingen loopt dat op van 33,5 procent bij 12-jarigen tot 53,4 procent bij 16-jarigen.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

27,0% tegen 17,3%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

27,0 procent van de meisjes maakt zich heel vaak of vaak zorgen over oorlogen, tegen 17,3 procent van de jongens. Voor de huizenmarkt is dat 25,6 tegen 17,8 procent en voor klimaatverandering 13,1 tegen 8,3 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

23,9% tegen 15,9%meisjes en jongens in groep 8, 2025

In het basisonderwijs ervaart 23,9 procent van de meisjes nogal veel of veel stress van het schooladvies, tegen 15,9 procent van de jongens.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

Welbevinden en mentale problemen naar onderwijstype en geslacht, HBSC 2025, in procenten tenzij anders vermeld. Basisonderwijs is groep 8 (n is 1.510), voortgezet onderwijs is 12 tot en met 16 jaar (n is 5.103).

IndicatorJongens basisonderwijsMeisjes basisonderwijsJongens voortgezet onderwijsMeisjes voortgezet onderwijsTotaal voortgezet onderwijs
Cijfer voor het eigen leven (0 tot 10)8,17,87,76,87,3
Laag emotioneel welbevinden7,315,416,137,326,5
Meestal of altijd eenzaam3,710,06,115,010,4
Psychische klachten, meer dan 1 keer per week35,945,940,261,350,5
Lichamelijke klachten, meer dan 1 keer per week18,729,625,849,837,5
SDQ emotionele problemen13,026,212,942,727,5
SDQ gedragsproblemen17,114,019,021,320,1
SDQ hyperactiviteit en aandachtsproblemen24,825,332,441,036,6
SDQ problemen met leeftijdsgenoten14,417,420,619,520,1
SDQ totale problemen18,923,522,840,031,2
Nogal veel of veel druk door schoolwerk18,518,935,754,044,6

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

De SDQ-afkappunten zijn in 2005 zo vastgesteld dat ongeveer 15 procent van de jongeren er toen boven scoorde. De percentages zijn daarmee een vergelijking met die lichting van 2005, geen maat voor het aandeel jongeren met een aandoening.

Deel 4

De reeks sinds 2005: de sprong zit tussen 2019 en 2021

Het HBSC-onderzoek loopt lang genoeg door om te zien wanneer het beeld kantelde. Tussen 2005 en 2017 schommelde het aandeel meisjes met emotionele problemen rond de 21 tot 31 procent. Tussen 2019 en 2021, de periode waarin de coronacrisis uitbrak, schoot het omhoog naar 43,7 procent. Daarna is het niet meer gedaald. Het Peilstationsonderzoek, dat tussen de HBSC-metingen in valt en met dezelfde vraagstelling en steekproefopzet werkt, vult de jaren 2019 en 2023 aan.

29,5% naar 43,7%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2019 en 2021

Tussen 2019 en 2021 steeg het aandeel meisjes in het voortgezet onderwijs met emotionele problemen van 29,5 naar 43,7 procent. Bij jongens ging het van 9,0 naar 13,3 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

42,7%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2025

In 2025 staat het cijfer op 42,7 procent, statistisch niet verschillend van 2021. De stijging is dus niet teruggedraaid, maar ook niet doorgezet.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

19,2% naar 14,6%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2005 en 2009

De reeks is niet alleen maar oplopend: de totale probleemscore van meisjes in het voortgezet onderwijs daalde tussen 2005 en 2009 van 19,2 naar 14,6 procent, en steeg daarna naar 24,1 procent in 2013.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

62,5% naar 61,3%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2021 en 2025

Het aandeel meisjes met psychische klachten meer dan een keer per week stond in 2021 op 62,5 procent en in 2025 op 61,3 procent. In 2017 was dat 46,1 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

32,6% naar 26,2%meisjes in groep 8, 2021 en 2025

In het basisonderwijs zijn er voorzichtige tekenen van herstel: emotionele problemen bij meisjes in groep 8 gingen van 14,4 procent in 2017 naar 32,6 procent in 2021 en liggen in 2025 op 26,2 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

84% naar 71%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2017 en 2025

Het aandeel meisjes dat de sfeer tussen klasgenoten goed of heel goed vindt, liep terug van 84 procent in 2017 naar 71 procent in 2025. Voor de relatie met leraren ging het van 62 naar 56 procent.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

19,0%responspercentage middelbare scholen, 2025

Van de 300 benaderde middelbare scholen deden er uiteindelijk 57 mee, een respons van 19,0 procent. In het basisonderwijs was dat 25,2 procent, 67 van de 266 scholen.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

11%afwezige leerlingen voortgezet onderwijs, 2025

Tijdens de afname was 11 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs afwezig en had 1 procent bezwaar gemaakt tegen deelname.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

Emotionele problemen volgens de SDQ en het cijfer voor het eigen leven, voortgezet onderwijs 12 tot en met 16 jaar, naar geslacht en meetjaar. HBSC en Peilstationsonderzoek Scholieren, percentages en gemiddelde cijfers.

JaarOnderzoekEmotionele problemen jongensEmotionele problemen meisjesCijfer eigen leven jongensCijfer eigen leven meisjes
2005HBSC7,223,28,07,5
2009HBSC7,821,48,07,7
2013HBSC9,431,07,87,3
2017HBSC9,328,67,87,3
2019Peilstationsonderzoek9,029,57,77,3
2021HBSC13,343,77,56,7
2023Peilstationsonderzoek11,439,07,87,0
2025HBSC12,942,77,76,8

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

Er zit een trendbreuk in het voortgezet onderwijs tussen 2013 en 2017, omdat de samenstelling van de steekproef veranderde: tot en met 2013 ging het om leerjaar 1 tot en met 4, vanaf 2017 om alle scholieren van 12 tot en met 16 jaar. Vergelijkingen over die breuk heen zijn in het rapport apart getoetst.

Deel 5

Gezondheidsmonitor Jeugd 2023: 188.000 scholieren, dezelfde richting

De Gezondheidsmonitor Jeugd is een ander onderzoek dan HBSC: alle 25 GGD'en nemen de vragenlijst af bij alle tweede- en vierdeklassers van het regulier voortgezet onderwijs die zij via de scholen kunnen bereiken. In 2023 leverde dat gegevens over ruim 188.000 scholieren op. Deze monitor meet psychische klachten met de MHI-5 en niet met de SDQ, en komt daardoor op andere percentages uit dan HBSC. De richting van het sekseverschil is wel dezelfde.

36,8% tegen 16,6%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

36,8 procent van de meisjes in klas 2 en 4 van het voortgezet onderwijs heeft psychische klachten volgens de MHI-5 met een somscore van 60 of lager, tegen 16,6 procent van de jongens.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

3,9% tegen 1,3%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

Bij de strengere afkapwaarde van 33 of lager, die de monitor ernstige psychische klachten noemt, gaat het om 3,9 procent van de meisjes en 1,3 procent van de jongens.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

63,7% tegen 35,1%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

63,7 procent van de meisjes voelt zich vaak of zeer vaak gestrest door een of meer van vijf voorgelegde bronnen, tegen 35,1 procent van de jongens.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

53,8% tegen 75,2%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

53,8 procent van de meisjes zegt snel te herstellen na een moeilijke periode, tegen 75,2 procent van de jongens. Dat is het grootste verschil in de hele tabel.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

24,5% tegen 15,6%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

24,5 procent van de meisjes heeft er in de afgelopen twaalf maanden een enkele keer tot heel vaak serieus over gedacht een eind te maken aan het eigen leven, tegen 15,6 procent van de jongens. Voor heel vaak of vaak gaat het om 5,1 tegen 3,2 procent.

Bron: RIVM StatLine, indicatordefinities bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

16,7% tegen 8,8%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

16,7 procent van de meisjes heeft risico op problematisch gebruik van sociale media, tegen 8,8 procent van de jongens. Bij problematisch gamen is het omgekeerd: 1,3 procent van de meisjes tegen 5,5 procent van de jongens.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

23,8% tegen 17,9%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2023

23,8 procent van de meisjes groeit op met een gezinslid met een langdurige ernstige ziekte, beperking of verslaving, tegen 17,9 procent van de jongens. De monitor rekent die scholieren tot de jonge mantelzorgers, ook zonder zorgtaken.

Bron: RIVM StatLine, indicatordefinities bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

95,9%scholieren klas 2 en 4, 2023

95,9 procent van alle scholieren zegt bij iemand terecht te kunnen als zij een probleem hebben. Bij meisjes is dat 95,7 procent en bij jongens 96,3 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

Gezondheidsmonitor Jeugd 2023, tweede- en vierdeklassers van het regulier voortgezet onderwijs, naar gender, in procenten. De kolom gender anders dan jongen of meisje betreft een kleine groep respondenten.

IndicatorJongensMeisjesGender andersTotaal
Ervaren gezondheid goed of zeer goed86,374,848,780,3
Voelt zich meestal gelukkig81,173,840,677,1
Psychische klachten (MHI-5, 60 of lager)16,636,862,827,0
Ernstige psychische klachten (MHI-5, 33 of lager)1,33,920,32,8
Voldoende weerbaar93,085,069,388,8
Suicidegedachten in de afgelopen 12 maanden15,624,559,120,4
Herstelt snel na een moeilijke periode75,253,839,764,3
Vaak tot altijd eenzaam, afgelopen 4 weken6,412,737,49,8
Soms tot altijd eenzaam, afgelopen 4 weken20,138,157,629,4
Stress door school of huiswerk, vaak24,146,458,935,5
Stress door wat anderen van hen vinden, vaak9,731,043,120,6
Stress door alles wat moet, vaak18,041,951,730,2
Stress door een of meer factoren, vaak of zeer vaak35,163,776,149,8
Prestatiedruk regelmatig of vaak26,342,159,734,5
Weinig of geen vertrouwen in de toekomst9,114,248,012,0
Risico op problematisch gebruik van sociale media8,816,725,712,9
Te kort geslapen door sociale media14,719,728,717,3
Jonge mantelzorger in het eigen gezin17,923,838,321,0

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

De kolom gender anders dan jongen of meisje gaat over een klein aantal respondenten met uitzonderlijk ongunstige scores op bijna elke indicator. Die cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaar met de twee andere kolommen en mogen niet als een landelijke prevalentie voor deze groep worden gelezen.

Deel 6

Dezelfde monitor, een ander meetinstrument: 2019 tegen 2021

De Gezondheidsmonitor Jeugd is in 2015, 2019, 2021 en 2023 uitgevoerd, maar niet steeds met dezelfde vragenlijst voor mentale gezondheid. In 2015 en 2019 werd de SDQ gebruikt, in 2021 en 2023 de MHI-5. Dat betekent dat er geen doorlopende reeks van deze monitor bestaat voor psychische klachten onder scholieren. De tabel zet de losse metingen naast elkaar, met bij elke rij het instrument en de afkapwaarde, zodat zichtbaar is wat wel en niet vergelijkbaar is.

42,8% tegen 17,0%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2019

In 2019, met de SDQ-subschaal emotionele problemen, kwam de Gezondheidsmonitor Jeugd op 42,8 procent van de meisjes tegen 17,0 procent van de jongens. Dat ligt heel dicht bij wat HBSC in 2025 met dezelfde schaal meet.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019; regio (tabel 50077NED), GGD'en en RIVM

29,1% tegen 20,2%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2019

Op de totale SDQ-probleemscore was het verschil veel kleiner: 29,1 procent van de meisjes tegen 20,2 procent van de jongens. De totale score telt ook gedragsproblemen mee, waarop jongens hoger scoren.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019; regio (tabel 50077NED), GGD'en en RIVM

30,4% tegen 29,3%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2019

Op de SDQ-subschaal hyperactiviteit en aandachtstekort was er in 2019 vrijwel geen verschil tussen meisjes en jongens: 30,4 tegen 29,3 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019; regio (tabel 50077NED), GGD'en en RIVM

24,3% tegen 19,3%meisjes en jongens, klas 2 en 4, 2015

In 2015 kwam de totale SDQ-probleemscore uit op 24,3 procent van de meisjes en 19,3 procent van de jongens. Het verschil van 5,0 procentpunt liep in 2019 op naar 8,9 procentpunt.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2015; regio (tabel 50063NED), GGD'en en RIVM

170.000 en 167.000scholieren, 2019 en 2021

De monitor is afgenomen bij ruim 170.000 scholieren in 2019 en bijna 167.000 in 2021. De meting van 2021 heet Corona Gezondheidsmonitor Jeugd en viel in de nasleep van de coronamaatregelen.

Bron: RIVM StatLine, bronnen en methoden bij de Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021 (tabel 50092NED)

36,7% en 36,8%meisjes, klas 2 en 4, 2021 en 2023

Tussen 2021 en 2023 bleef het aandeel meisjes met psychische klachten volgens de MHI-5 vrijwel gelijk, 36,7 en 36,8 procent. Bij jongens 16,4 en 16,6 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

58,0% naar 63,7%meisjes, klas 2 en 4, 2021 en 2023

Stress door een of meer factoren nam bij meisjes juist toe, van 58,0 procent in 2021 naar 63,7 procent in 2023. Bij jongens van 29,7 naar 35,1 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

2027volgende meting

De volgende reguliere Gezondheidsmonitor Jeugd gaat over het jaar 2027 en wordt medio 2028 verwacht. De monitor wordt elke vier jaar herhaald.

Bron: RIVM StatLine, bronnen en methoden bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

Mentale gezondheid in de Gezondheidsmonitor Jeugd, tweede- en vierdeklassers van het regulier voortgezet onderwijs, per meetjaar en per meetinstrument, in procenten. Rijen met een ander instrument zijn niet onderling vergelijkbaar.

MeetjaarInstrument en afkapwaardeIndicatorJongensMeisjesTotaal
2015SDQ, totale probleemscore 14 of hogerPsychosociale problemen19,324,321,4
2019SDQ, totale probleemscore 14 of hogerPsychosociale problemen20,229,124,6
2019SDQ, subschaal emotionele problemenEmotionele problemen17,042,829,8
2019SDQ, subschaal hyperactiviteit en aandachtstekortHyperactiviteit en aandachtstekort29,330,429,9
2021MHI-5, somscore 60 of lagerPsychische klachten16,436,727,4
2023MHI-5, somscore 60 of lagerPsychische klachten16,636,827,0
2023MHI-5, somscore 33 of lagerErnstige psychische klachten1,33,92,8
2019Vijf losse vragen over stressbronnenStress door een of meer factoren34,055,044,5
2021Vijf losse vragen over stressbronnenStress door een of meer factoren29,758,044,4
2023Vijf losse vragen over stressbronnenStress door een of meer factoren35,163,749,8
2015Acht uitspraken over weerbaarheidVoldoende weerbaar94,890,492,9
2023Acht uitspraken over weerbaarheidVoldoende weerbaar93,085,088,8

Bron: RIVM StatLine, indicatordefinities bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

Het RIVM meldt bij de oude indicator zelf dat psychische klachten op basis van de MHI-5 vanaf september 2024 niet meer wordt gebruikt, en vervangen is door angst- of depressiegevoelens met de afkapwaarde 76. De cijfers van 2021 en 2023 in deze tabel staan nog op de oude afkapwaarde.

Deel 7

Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024: 16 tot en met 25 jaar

De Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen is een landelijk online onderzoek onder 16- tot en met 25-jarigen, uitgevoerd door alle GGD'en met GGD GHOR Nederland en het RIVM. De meting van 2024 leverde gegevens over ruim 135.000 jongvolwassenen op, 6 procent van die leeftijdsgroep. De vragenlijst was in te vullen via een open link en deelnemers zijn geworven via een campagne op sociale media. Het RIVM waarschuwt daar zelf bij dat jongvolwassenen met een ongunstigere mentale gezondheid daardoor mogelijk vaker meededen. De percentages liggen dan ook hoger dan in de Gezondheidsenquete, maar het sekseverschil loopt dezelfde kant op.

87,4% tegen 73,8%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2024

87,4 procent van de jonge vrouwen had angst- of depressiegevoelens volgens de MHI-5 met afkapwaarde 76, tegen 73,8 procent van de jonge mannen. Over de hele groep 80,7 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

43,4% tegen 58,9%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2024

43,4 procent van de jonge vrouwen beoordeelt de eigen mentale gezondheid als goed of zeer goed, tegen 58,9 procent van de jonge mannen. Over de hele groep 50,9 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

46,2% tegen 26,9%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2024

De stressbron met het grootste verschil is de combinatie van alles wat moet: 46,2 procent van de vrouwen tegen 26,9 procent van de mannen, een verschil van 19,3 procentpunt. Daarna komen de eisen die zij aan zichzelf stellen, 49,4 tegen 31,0 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

36,2% tegen 21,4%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2024

36,2 procent van de jonge vrouwen vindt het moeilijk om stressvolle gebeurtenissen te doorstaan, tegen 21,4 procent van de jonge mannen.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

82,4% tegen 76,0%21 tot 26 jaar en 16 tot 18 jaar, 2024

Binnen de groep lopen de cijfers op met de leeftijd: 76,0 procent van de 16- tot 18-jarigen tegen 82,4 procent van de 21- tot 26-jarigen heeft angst- of depressiegevoelens.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

35,3% tegen 17,6%laagste en hoogste onderwijsniveau, 2024

Sterke eenzaamheid verschilt sterker naar onderwijsniveau dan naar geslacht: 35,3 procent bij jongvolwassenen met basisonderwijs, vmbo of mbo-1 tegen 17,6 procent bij hbo en wo.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

79,1% tegen 49,2%16 tot 18 jaar en 21 tot 26 jaar, 2024

Stress door studie of school loopt juist terug met de leeftijd, van 79,1 procent bij 16- tot 18-jarigen naar 49,2 procent bij 21- tot 26-jarigen. Stress door werk of bijbaan gaat de andere kant op, van 25,6 naar 53,9 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

60,0% tegen 36,1%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2022

In de meting van 2022 voelde 60,0 procent van de jonge vrouwen zich heel vaak gestrest, tegen 36,1 procent van de jonge mannen. Over de hele groep 48,3 procent.

Bron: RIVM StatLine, Corona Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2022; GGD-regio (tabel 50115NED), GGD'en en RIVM

62,7% tegen 43,2%vrouwen en mannen 16 tot en met 25 jaar, 2022

Met de oude afkapwaarde van 60 kwam de meting van 2022 op 62,7 procent van de jonge vrouwen met psychische klachten, tegen 43,2 procent van de jonge mannen. Met de nieuwe afkapwaarde van 76 wordt dat 90,0 tegen 77,2 procent.

Bron: RIVM StatLine, Corona Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2022; GGD-regio (tabel 50115NED), GGD'en en RIVM

Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024, 16 tot en met 25 jaar, naar gender, in procenten. Ruim 135.000 deelnemers, geworven via een open link en een campagne op sociale media, gestandaardiseerd naar regio, leeftijd en gender.

IndicatorMannenVrouwenGender andersTotaal
Beoordeelt de eigen mentale gezondheid als goed58,943,415,850,9
Angst- of depressiegevoelens (MHI-5, 76 of lager)73,887,496,480,7
Voelde zich vaak gelukkig, afgelopen 4 weken66,659,132,562,6
Vaak tot voortdurend beperkt door psychische klachten13,822,054,518,2
Slaapt meestal slecht of zeer slecht18,520,039,819,5
Vindt het moeilijk stressvolle gebeurtenissen te doorstaan21,436,252,829,1
Prestatiedruk vanuit zichzelf of anderen50,162,376,456,4
Sterk eenzaam19,625,042,822,5
Enigszins tot sterk eenzaam53,958,981,456,7
Stress door studie of school55,566,162,860,8
Stress door werk of bijbaan42,447,042,944,7
Stress door de eisen die ze aan zichzelf stellen31,049,455,840,3
Stress door de combinatie van alles wat moet26,946,259,936,7
Stress door wat anderen van hen vinden20,836,043,528,5
Stress door verwachtingen van anderen23,439,850,431,8
Stress door geldzaken of schulden25,828,039,527,0
Veel zorgen over maatschappelijke thema's83,589,897,586,8
Zorgen over de eigen studieschuld14,919,329,417,2

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

Het RIVM schrijft bij deze tabel letterlijk dat standaardisatie niet kan corrigeren voor aspecten die niet gemeten zijn, en dat het door de wervingsmethode mogelijk is dat respondenten met een ongunstigere mentale gezondheid relatief vaker aan het onderzoek deelnamen. De meting van 2022 had bijna 70.000 deelnemers, 3,2 procent van de leeftijdsgroep, en heet Corona Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen. De CBS-Gezondheidsenquete komt voor dezelfde leeftijdsgroep, met dezelfde vragenlijst en dezelfde afkapwaarde, uit op 57,3 procent bij vrouwen. Dat cijfer staat op de pagina over mentale gezondheid van vrouwen en mannen. De twee spreken elkaar niet tegen: het verschil zit in de werving, zie de valkuilen hieronder.

Deel 8

Studenten in het hoger onderwijs: het verschil per gender

De Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten wordt sinds 2021 elke twee jaar uitgevoerd door het RIVM, het Trimbos-instituut en GGD GHOR Nederland, op verzoek van de ministeries van OCW en VWS. De meting van 2023 is ingevuld door 32.558 studenten van 11 universiteiten en 13 hogescholen, 6,5 procent van de 500.024 studenten aan die instellingen. Dit is de meting die de uitkomsten per gender in percentages publiceert, met man als vergelijkingsgroep.

49% tegen 36%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

49 procent van de vrouwelijke studenten had depressie- of angstklachten volgens de MHI-5 met de oude afkapwaarde, tegen 36 procent van de mannelijke studenten. Over alle deelnemers 44 procent.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

45% tegen 67%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

45 procent van de vrouwelijke studenten heeft een gemiddelde tot hoge mate van veerkracht, tegen 67 procent van de mannelijke studenten. Dat is het grootste genderverschil in de monitor.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

63% tegen 46%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

63 procent van de vrouwelijke studenten ervaarde veel of heel veel stress in de afgelopen vier weken, tegen 46 procent van de mannelijke studenten.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

49% tegen 36%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

49 procent van de vrouwelijke studenten ervaart vaak prestatiedruk vanuit zichzelf of anderen, tegen 36 procent van de mannelijke studenten.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

62% tegen 61%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

Bij eenzaamheid is er onder studenten geen verschil: 62 procent van de vrouwen tegen 61 procent van de mannen is enigszins of sterk eenzaam. De effectgrootte van dat verschil is verwaarloosbaar.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

27% tegen 24%vrouwelijke en mannelijke studenten, 2023

Ook op levensmoeheid is het verschil klein: 27 procent van de vrouwen tegen 24 procent van de mannen had af en toe of vaker de wens om dood te zijn of nooit meer wakker te worden.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

70%studenten met gender anders dan man of vrouw, 2023

Bij studenten die zich niet als man of vrouw identificeren, lag het aandeel met depressie- of angstklachten op 70 procent, bijna twee keer zo hoog als bij mannen. Bij levensmoeheid 58 procent tegen 24 procent.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

54%aandeel vrouwen in de steekproef, 2023

Van de deelnemende studenten identificeert ruim de helft zich als vrouw, 54 procent. De gegevens zijn gewogen naar geslacht, leeftijd, herkomst, onderwijstype en opleidingsvorm.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

9%studenten met ernstige klachten, 2023

Binnen de 44 procent met depressie- of angstklachten gaat het bij 21 procent van alle studenten om lichte klachten, bij 13 procent om matige en bij 9 procent om ernstige klachten.

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

Mentale gezondheid van studenten in het hoger onderwijs naar gender, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten 2023, in procenten tenzij anders vermeld. Multivariate analyse op gewogen gegevens, n is 32.558.

Maat voor mentale gezondheidManVrouwGender anders
Levenstevredenheid, gemiddeld cijfer van 0 tot 106,76,65,9
Gemiddelde tot hoge mate van veerkracht674531
Floreren, bovengemiddelde positieve mentale gezondheid23188
Depressie- of angstklachten (MHI-5, lager dan 60)364970
Emotionele uitputtingsklachten536376
Af en toe of vaker levensmoe242758
Veel of heel veel stress, afgelopen 4 weken466374
Vaak prestatiedruk364962
Enigszins of sterk eenzaam616284

Bron: RIVM-rapport 2023-0412, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (RIVM en Trimbos-instituut)

In de monitor van 2025 zijn de uitkomsten per gender niet meer als losse percentages gepubliceerd, maar alleen als richting en effectgrootte in een multivariate analyse. Daaruit komt gender nog steeds naar voren: een minder goede mentale gezondheid komt vaker voor onder vrouwen en onder studenten die zich niet als man of vrouw identificeren.

Deel 9

Drie metingen onder studenten, en waar zij hulp vandaan halen

De studentenmonitor is nu drie keer uitgevoerd: in het voorjaar van 2021, 2023 en 2025. De eerste meting viel midden in de derde lockdown, wat de uitkomsten vermoedelijk flink heeft beinvloed. Op vijf van de tien maten is in 2025 een betekenisvolle verbetering te zien ten opzichte van 2021, waarbij het grootste deel van die verbetering al tussen 2021 en 2023 plaatsvond. De grootste daling zit bij eenzaamheid.

79% naar 60%studenten hbo en wo, 2021 en 2025

Het aandeel studenten dat enigszins of sterk eenzaam is, daalde van 79 procent in 2021 naar 62 procent in 2023 en 60 procent in 2025. Dat is de enige verbetering met een middelgrote effectgrootte.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

68% naar 56%studenten hbo en wo, 2021 en 2025

Emotionele uitputtingsklachten gingen van 68 procent in 2021 naar 59 procent in 2023 en 56 procent in 2025. De daling zat tussen 2021 en 2023 en zette daarna niet door.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

6,0 naar 6,8studenten hbo en wo, 2021 en 2025

Het gemiddelde cijfer dat studenten hun leven geven op een schaal van 0 tot 10 ging van 6,0 in 2021 naar 6,7 in 2023 en 6,8 in 2025.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

25% en 25%studenten hbo en wo, 2021 en 2025

Levensmoeheid is de enige maat die over drie metingen nagenoeg gelijk bleef: 25 procent in 2021, 26 procent in 2023 en 25 procent in 2025. Bij 4 procent gaat het om meestal of bijna altijd.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

58%studenten met stress, 2025

Van de studenten die minstens enige stress ervaarden, noemt 58 procent de studie als bron van veel of heel veel stress. Van de maatschappelijke problemen staan de kosten van het dagelijks leven bovenaan met 36 procent.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

42%studenten met angst- of depressiegevoelens, 2025

Van de studenten met angst- of depressiegevoelens in de afgelopen vier weken ervaarde 42 procent geen of een beetje hinder van psychische klachten in hun functioneren, 24 procent matige hinder en 34 procent veel of heel veel hinder.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

66%studenten met psychische klachten, 2025

Van de studenten met psychische klachten, 51 procent van alle deelnemers, heeft 66 procent in de afgelopen twaalf maanden advies of hulp ontvangen. Dat betekent dat 34 procent geen hulp of advies kreeg, ook niet uit de directe omgeving.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

23% naar 32%studenten met psychische klachten, 2021 en 2025

Het aandeel dat advies of hulp kreeg binnen de eigen onderwijsinstelling liep op van 23 naar 32 procent, en buiten de instelling van 43 naar 55 procent. Die stijging vond vooral tussen 2021 en 2023 plaats.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

53% en 54%studenten zonder hulp, 2025

De meest genoemde reden om geen advies of hulp te ontvangen, is dat studenten hun problemen zelf wilden oplossen: 53 procent binnen de instelling en 54 procent buiten de instelling. Daarna komt geen hulpbehoefte hebben, 37 en 44 procent.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

5,9%respons, 2025

Van de 466.313 studenten aan de 23 deelnemende instellingen vulde 5,9 procent de vragenlijst in, 27.446 studenten. Het RIVM noemt die lage respons zelf een beperking en schrijft dat de prevalentiecijfers een indicatie geven en geen precieze schatting.

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

Mentale gezondheid van studenten hbo en wo over drie metingen, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten 2021, 2023 en 2025, in procenten tenzij anders vermeld. Alleen maten die over de drie jaren met hetzelfde instrument en dezelfde afkapwaarde zijn gemeten.

Maat202120232025
Aantal deelnemende studenten28.37532.55827.446
Levenstevredenheid, gemiddeld cijfer van 0 tot 106,06,76,8
Gemiddelde tot hoge mate van veerkracht515457
Floreren, bovengemiddelde positieve mentale gezondheid182023
Emotionele uitputtingsklachten685956
Af en toe of vaker levensmoe252625
Veel of heel veel stress, afgelopen 4 weken625653
Vaak prestatiedruk544441
Enigszins of sterk eenzaam796260

Bron: RIVM-rapport 2025-0106, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 (RIVM en Trimbos-instituut)

Depressie- of angstklachten staat niet in deze tabel omdat de afkapwaarde van de MHI-5 tussen de metingen is veranderd. Met de oude afkapwaarde kwam de monitor op 51 procent in 2021 en 44 procent in 2023; met de nieuwe afkapwaarde van 76 op 83 procent in 2025. Het rapport meldt dat er met de nieuwe afkapwaarde in alle meetjaren geen betekenisvolle verschillen tussen de drie jaren zijn.

Deel 10

Eenzaamheid: een groot verschil bij meisjes, geen verschil bij volwassenen

Eenzaamheid is het onderwerp waar het leeftijdscontrast het scherpst te zien is. Bij scholieren in het voortgezet onderwijs rapporteren meisjes het bijna drie keer zo vaak als jongens. Bij studenten is het verschil nul. Bij volwassenen van 18 jaar en ouder is het verschil ook nul, en bij sociale eenzaamheid scoren mannen juist hoger dan vrouwen. De tabel zet de metingen naast elkaar met per rij de populatie en de definitie, want elke bron meet eenzaamheid anders.

15,0% tegen 6,1%meisjes en jongens 12 tot en met 16 jaar, 2025

In het HBSC-onderzoek van 2025 voelde 15,0 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs zich meestal of altijd eenzaam, tegen 6,1 procent van de jongens.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

13,2% tegen 13,0%vrouwen en mannen 18 jaar en ouder, 2024

In de Gezondheidsmonitor van 2024 onder volwassenen van 18 jaar en ouder was sterke eenzaamheid 13,2 procent bij vrouwen en 13,0 procent bij mannen. Dat verschil van 0,2 procentpunt is er praktisch niet.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (tabel 50142NED), GGD'en, CBS en RIVM

34,3% tegen 29,9%mannen en vrouwen 18 jaar en ouder, 2024

Bij sociale eenzaamheid scoren mannen hoger dan vrouwen: 34,3 tegen 29,9 procent. Bij emotionele eenzaamheid is het omgekeerd, 27,9 tegen 29,0 procent.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (tabel 50142NED), GGD'en, CBS en RIVM

10,0% tegen 10,2%mannen en vrouwen 15 jaar en ouder, 2025

Het CBS-onderzoek Sociale samenhang en Welzijn komt voor 2025 op 10,0 procent sterke eenzaamheid bij mannen en 10,2 procent bij vrouwen van 15 jaar en ouder. Ook daar is het verschil er niet.

Bron: CBS StatLine, Eenzaamheid; persoonskenmerken (tabel 85766NED), onderzoek Sociale samenhang en Welzijn

8,5% tegen 10,1%15 tot 25 jaar en 15 jaar en ouder, 2025

In datzelfde CBS-onderzoek was sterke eenzaamheid bij 15- tot 25-jarigen in 2025 juist lager dan gemiddeld, 8,5 tegen 10,1 procent. De Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen komt voor een vergelijkbare leeftijdsgroep op 22,5 procent.

Bron: CBS StatLine, Eenzaamheid; persoonskenmerken (tabel 85766NED), onderzoek Sociale samenhang en Welzijn

22,5%jongvolwassenen 16 tot en met 25 jaar, 2024

22,5 procent van de 16- tot en met 25-jarigen is sterk eenzaam volgens de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024, en 56,7 procent is enigszins tot sterk eenzaam.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

12,4% naar 10,4%scholieren 12 tot en met 16 jaar, 2021 en 2025

Over alle scholieren in het voortgezet onderwijs ging eenzaamheid van 12,4 procent in 2021 naar 11,4 procent in 2023 en 10,4 procent in 2025. Die veranderingen zijn niet significant.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

17,5% naar 15,0%meisjes 12 tot en met 16 jaar, 2021 en 2025

Bij meisjes in het voortgezet onderwijs ging het van 17,5 procent in 2021 naar 15,6 procent in 2023 en 15,0 procent in 2025. Deze vraag is voor 2021 niet gesteld in dit onderzoek.

Bron: HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut (2026)

6 stellingeneenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld

De Gezondheidsmonitoren en het CBS gebruiken de verkorte eenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld met zes stellingen. Sterke eenzaamheid betekent een somscore van 5 of 6; enigszins eenzaam een score van 2 tot en met 4. HBSC gebruikt een enkele vraag.

Bron: CBS StatLine, toelichting bij tabel 85766NED over de eenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld

Eenzaamheid naar geslacht in zes Nederlandse onderzoeken, per populatie en definitie, in procenten. De laatste kolom is het verschil in procentpunten tussen vrouwen en mannen. Rijen met een andere definitie of populatie zijn niet onderling vergelijkbaar.

Onderzoek en meetjaarPopulatieDefinitieJongens of mannenMeisjes of vrouwenVerschil
HBSC 2025Basisonderwijs, groep 8Meestal of altijd eenzaam3,710,0+6,3
HBSC 2025Voortgezet onderwijs, 12 tot en met 16 jaarMeestal of altijd eenzaam6,115,0+8,9
HBSC 2021Voortgezet onderwijs, 12 tot en met 16 jaarMeestal of altijd eenzaam7,517,5+10,0
Gezondheidsmonitor Jeugd 2021Klas 2 en 4 voortgezet onderwijsVaak tot altijd eenzaam, 4 weken5,812,6+6,8
Gezondheidsmonitor Jeugd 2023Klas 2 en 4 voortgezet onderwijsVaak tot altijd eenzaam, 4 weken6,412,7+6,3
Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 202216 tot en met 25 jaarSterk eenzaam, De Jong Gierveld22,730,5+7,8
Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 202416 tot en met 25 jaarSterk eenzaam, De Jong Gierveld19,625,0+5,4
MMMS 2023Studenten hbo en woEnigszins of sterk eenzaam6162+1
Gezondheidsmonitor Volwassenen 202418 jaar en ouderSterk eenzaam, De Jong Gierveld13,013,2+0,2
Gezondheidsmonitor Volwassenen 202418 jaar en ouderSociaal eenzaam34,329,9-4,4
CBS Sociale samenhang en Welzijn 202515 jaar en ouderSterk eenzaam, De Jong Gierveld10,010,2+0,2

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor bevolking 18 jaar of ouder, regio, 2024 (tabel 50142NED), GGD'en, CBS en RIVM

Bij Nederlandse volwassenen is sterke eenzaamheid geen vrouwenverhaal. Het RIVM meet voor 18 tot en met 64 jaar 10,9 procent bij mannen tegen 10,8 procent bij vrouwen (verslagjaar 2025, Sociale Samenhang en Welzijn van het CBS), en bij 65-plussers 8,6 tegen 8,4 procent. Twee andere metingen wijzen dezelfde kant op: 13,0 tegen 13,2 procent in de Gezondheidsmonitor 2024 en 10,0 tegen 10,2 procent in het CBS-onderzoek van 2025. Het grote verschil zit dus bij meisjes en jonge vrouwen, niet bij volwassenen.

Deel 11

Vijf onderzoeken, tien antwoorden op dezelfde vraag

Op de vraag hoeveel Nederlandse meisjes en jonge vrouwen psychische klachten hebben, bestaat geen enkel antwoord. De tabel zet tien metingen naast elkaar. Ze lopen uiteen van 3,9 procent tot 87,4 procent, en ze zijn alle tien correct. Het verschil zit in drie dingen: het meetinstrument, de afkapwaarde en de manier waarop deelnemers zijn bereikt. De twee hoogste cijfers komen uit een onderzoek met een open link en werving via sociale media; de twee laagste uit strenge afkapwaarden voor ernstige klachten.

83,5procentpunt verschil tussen hoogste en laagste meting

De hoogste meting in de tabel staat op 87,4 procent en de laagste op 3,9 procent, een verschil van 83,5 procentpunt. Beide gaan over psychische klachten bij meisjes of jonge vrouwen in Nederland.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

51,6% tegen 80,7%16 tot 20 jaar en 16 tot en met 25 jaar, 2024

Twee onderzoeken meten in 2024 hetzelfde met dezelfde afkapwaarde en komen op heel andere cijfers: de Gezondheidsenquete op 51,6 procent voor 16- tot 20-jarigen, de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen op 80,7 procent voor 16- tot en met 25-jarigen.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024; regio (tabel 50140NED), GGD'en en RIVM

36,8% tegen 3,9%meisjes klas 2 en 4, 2023

Binnen een en dezelfde meting levert een andere afkapwaarde een ander cijfer op: 36,8 procent van de meisjes bij een MHI-5-score van 60 of lager en 3,9 procent bij een score van 33 of lager.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2023; regio (tabel 50131NED), GGD'en en RIVM

20,4% tegen 51,8%vrouwen jonger dan 25 jaar, 2022/2023 en 2024/2025

In de Gezondheidsenquete scoorde 20,4 procent van de vrouwen onder 25 jaar in 2022/2023 onder de oude afkapwaarde van 60. Met de nieuwe afkapwaarde van 76 komt diezelfde groep in 2024/2025 op 51,8 procent.

Bron: CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; geslacht, leeftijd, 2014/2015-2022/2023 (tabel 85463NED)

42,7% en 42,8%meisjes voortgezet onderwijs, 2025 en 2019

Twee verschillende onderzoeken die wel hetzelfde instrument gebruiken, komen dicht bij elkaar uit: HBSC meet in 2025 42,7 procent emotionele problemen bij meisjes met de SDQ, de Gezondheidsmonitor Jeugd in 2019 42,8 procent met dezelfde subschaal.

Bron: RIVM StatLine, Gezondheidsmonitor Jeugd 2019; regio (tabel 50077NED), GGD'en en RIVM

60 of 60twee definities van dezelfde afkapwaarde

Zelfs de oude afkapwaarde is niet overal gelijk gedefinieerd. Het CBS rekent met een score lager dan 60, de Gezondheidsmonitoren met een score van 60 of lager. Dat is een klein maar echt verschil in de definitie.

Bron: CBS StatLine, indicatordefinities bij tabel 85454NED (Gezondheidsenquete)

5 vragenMHI-5, afgelopen vier weken

De MHI-5 bestaat uit vijf vragen over de afgelopen vier weken, met zes antwoordcategorieen, samen een somscore van 0 tot 100. De SDQ bestaat uit 20 stellingen over de afgelopen zes maanden, verdeeld over vier probleemschalen.

Bron: RIVM StatLine, indicatordefinities bij de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (tabel 50131NED)

0,79 en 0,79sensitiviteit en specificiteit bij afkapwaarde 76

Bij de nieuwe afkapwaarde van 76 zijn de sensitiviteit en de specificiteit van de MHI-5 beide 0,79. Het Trimbos-instituut schrijft er in de factsheet zelf bij dat de MHI-5 geen diagnostisch instrument is, maar vraagt naar gevoelens in de afgelopen vier weken.

Bron: Trimbos-instituut, factsheet Herijking afkapwaarden MHI-5. Validering en psychometrische kenmerken van de MHI-5 binnen NEMESIS-3 (2025)

Tien Nederlandse metingen van psychische klachten bij meisjes en jonge vrouwen, met het meetinstrument, de afkapwaarde, de populatie en het meetjaar. De percentages in de laatste twee kolommen staan voor dezelfde vraag, maar zijn niet onderling vergelijkbaar.

Onderzoek en meetjaarInstrument en afkapwaardePopulatieMeisjes of vrouwenJongens of mannen
CBS Gezondheidsenquete 2024/2025MHI-5, somscore 76 of lagerJonger dan 25 jaar51,839,3
CBS Gezondheidsenquete 2022/2023MHI-5, somscore lager dan 60Jonger dan 25 jaar20,410,8
Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024MHI-5, somscore 76 of lager16 tot en met 25 jaar87,473,8
Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2022MHI-5, somscore 60 of lager16 tot en met 25 jaar62,743,2
Gezondheidsmonitor Jeugd 2023MHI-5, somscore 60 of lagerKlas 2 en 4 voortgezet onderwijs36,816,6
Gezondheidsmonitor Jeugd 2023MHI-5, somscore 33 of lagerKlas 2 en 4 voortgezet onderwijs3,91,3
MMMS 2023MHI-5, somscore lager dan 60Studenten hbo en wo4936
HBSC 2025SDQ emotionele problemen, afkappunt uit 2005Voortgezet onderwijs, 12 tot en met 16 jaar42,712,9
HBSC 2025Vijf stellingen emotioneel welbevinden, somscore lager dan 13Voortgezet onderwijs, 12 tot en met 16 jaar37,316,1
Gezondheidsmonitor Jeugd 2019SDQ totale probleemscore 14 of hogerKlas 2 en 4 voortgezet onderwijs29,120,2

Bron: CBS StatLine, toelichting bij tabel 85454NED over de herijking van de MHI-5-afkapwaarde in 2024

Alle tien de metingen zijn zelfrapportage. Geen van deze onderzoeken stelt een diagnose; er wordt een vragenlijst ingevuld en met een afkapwaarde verwerkt. Een hoger percentage kan betekenen dat er meer klachten zijn, dat jongeren klachten anders benoemen, of dat een andere groep de vragenlijst heeft ingevuld.

Lees dit eerst

Valkuilen voordat je deze cijfers citeert

  1. Tien metingen, tien percentages, geen van de tien is het cijfer Voor psychische klachten bij meisjes en jonge vrouwen in Nederland bestaan minstens tien geldige getallen, van 3,9 tot 87,4 procent. Ze verschillen in meetinstrument (MHI-5, SDQ, losse vragen), in afkapwaarde (33, 60 of 76 bij de MHI-5), in populatie (groep 8, klas 2 en 4, 12 tot en met 16 jaar, 16 tot en met 25 jaar, studenten) en in de manier waarop deelnemers zijn bereikt. Een cijfer zonder instrument, populatie en meetjaar erbij is onbruikbaar.
  2. De MHI-5-afkapwaarde is in 2024 herijkt, dus trek er geen reeks door Tot september 2024 gold een MHI-5-score lager dan 60 als psychische klachten. Sinds de herijking geldt een score van 76 of lager als angst- of depressiegevoelens. Het CBS schrijft daar zelf bij dat de nieuwe cijfers daarom hoger uitvallen. Concreet: voor 12- tot 16-jarigen gaf de oude indicator 8,0 procent in 2023 en de nieuwe 32,7 procent. De studentenmonitor rapporteerde 44 procent in 2023 met de oude waarde en 83 procent in 2025 met de nieuwe, terwijl het rapport zelf meldt dat er met de nieuwe afkapwaarde in alle meetjaren geen betekenisvolle verschillen tussen de jaren zijn. Wie 44 en 83 naast elkaar zet als een trend, leest een verschuiving van een afkapwaarde als een verdubbeling van klachten.
  3. De Gezondheidsmonitor Jeugd wisselde van instrument tussen 2019 en 2021 In 2015 en 2019 meette de Gezondheidsmonitor Jeugd mentale problemen met de SDQ, in 2021 en 2023 met de MHI-5. Er is dus geen doorlopende reeks van deze monitor. De 29,1 procent psychosociale problemen bij meisjes in 2019 en de 36,8 procent psychische klachten bij meisjes in 2023 zijn geen stijging, het zijn twee verschillende metingen. Wie de reeks wil zien, moet bij het HBSC-onderzoek zijn, dat sinds 2005 met dezelfde SDQ-afkappunten werkt.
  4. Een open link met werving via sociale media levert andere cijfers op De Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024 was in te vullen via een open link en deelnemers zijn geworven via een campagne op sociale media. Het RIVM schrijft daar zelf bij dat het mogelijk is dat respondenten met een ongunstigere mentale gezondheid relatief vaker deelnamen. Dat verklaart waarschijnlijk waarom deze monitor voor 16- tot en met 25-jarigen op 80,7 procent uitkomt waar de Gezondheidsenquete van het CBS voor 16- tot 20-jarigen in hetzelfde jaar op 51,6 procent komt, met hetzelfde instrument en dezelfde afkapwaarde. Bij eenzaamheid loopt het nog verder uiteen: 22,5 procent sterk eenzaam in de monitor tegen 8,5 procent bij 15- tot 25-jarigen in het CBS-onderzoek.
  5. Zelfrapportage is geen diagnose, en een stijging kan ook betekenen dat erover gepraat wordt Alle cijfers op deze pagina komen uit vragenlijsten die jongeren zelf invullen. Niemand heeft een diagnose gesteld. De studentenmonitor laat zien hoe los die twee kunnen staan: van de studenten met angst- of depressiegevoelens in 2025 ervaarde 42 procent geen of een beetje hinder van psychische klachten in hun functioneren. De HBSC-onderzoekers wijzen bovendien op co-ruminatie, het excessief bespreken van zorgen met een beste vriend of vriendin, dat in 2025 voor het eerst is gemeten: 42 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs tegen 23 procent van de jongens. Zij schrijven er expliciet bij dat zij niet weten of co-ruminatie is toegenomen en dus alleen kunnen speculeren over het belang voor de trend. Dat praten over klachten, benoemen van klachten en hebben van klachten in zelfrapportage niet te scheiden zijn, hoort bij elk cijfer hier.
  6. 2021 is geen normaal meetjaar In vier van de vijf onderzoeken op deze pagina zit 2021 als coronajaar. Het CBS paste het weegmodel van de Gezondheidsenquete aan voor 2020 en 2021 omdat huisbezoeken deels wegvielen. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2021 heet Corona Gezondheidsmonitor Jeugd. De eerste studentenmonitor viel in het voorjaar van 2021, tijdens de derde lockdown: eenzaamheid stond daar op 79 procent en was in 2023 gedaald naar 62 procent. De HBSC-onderzoekers stellen vast dat de sprong in mentale problemen precies tussen 2019 en 2021 plaatsvond, en dat het niveau tussen 2017 en 2019 stabiel was. Wie 2021 als beginpunt van een reeks neemt, meet de lockdown.
  7. Twee bronnen over scholieren spreken elkaar niet tegen, maar meten iets anders Het HBSC-onderzoek komt voor meisjes in het voortgezet onderwijs op 42,7 procent emotionele problemen; de Gezondheidsmonitor Jeugd op 36,8 procent psychische klachten. Dat lijkt op een tegenspraak, maar HBSC meet met de SDQ over zes maanden onder 12- tot en met 16-jarigen in een steekproef van 5.103 leerlingen, en de Gezondheidsmonitor met de MHI-5 over vier weken onder ruim 188.000 tweede- en vierdeklassers. Waar de twee wel hetzelfde instrument gebruiken, komen ze dicht bij elkaar: 42,7 procent in HBSC 2025 tegen 42,8 procent in de Gezondheidsmonitor Jeugd 2019, beide met de SDQ-subschaal emotionele problemen.
  8. De categorie gender anders dan man of vrouw is geen vergelijkbare groep In drie van de onderzoeken staat een derde genderkolom met uitzonderlijk ongunstige scores: 62,8 procent psychische klachten bij scholieren, 96,4 procent angst- of depressiegevoelens bij jongvolwassenen, 70 procent depressie- of angstklachten bij studenten. Het gaat om kleine aantallen respondenten, in de studentenmonitor om 3 procent van de deelnemers. Die cijfers zijn een signaal, geen landelijke prevalentie, en kunnen niet naast de kolommen voor jongens en meisjes worden gelegd als drie gelijkwaardige groepen.
  9. Een lage respons wordt niet weggepoetst door weging Van de 300 benaderde middelbare scholen deed 19,0 procent mee aan HBSC 2025, en van de studenten aan de deelnemende instellingen vulde 5,9 procent de vragenlijst in. Het RIVM schrijft bij de studentenmonitor dat weging een vertekening door selectieve respons maar beperkt wegneemt, en dat de prevalentiecijfers een indicatie geven en geen precieze schatting voor de totale studentenpopulatie. Klassen met uitsluitend leerwegondersteuning zijn in HBSC niet geselecteerd, en 11 procent van de leerlingen was tijdens de afname afwezig.
  10. Niet elke maat laat hetzelfde sekseverschil zien Het beeld is niet overal hetzelfde. Bij studenten is er geen verschil in eenzaamheid, 62 procent van de vrouwen tegen 61 procent van de mannen, terwijl het verschil in veerkracht daar juist het grootst is, 45 tegen 67 procent. Bij problematisch gamen scoren jongens hoger dan meisjes, 5,5 tegen 1,3 procent, en bij problemen met leeftijdsgenoten in HBSC 2025 scoren jongens iets hoger dan meisjes, 20,6 tegen 19,5 procent. Bij sociale eenzaamheid onder volwassenen scoren mannen hoger dan vrouwen, 34,3 tegen 29,9 procent.
Samenvatting

Belangrijkste conclusies

  • Het man-vrouwverschil in mentale gezondheid is in Nederland sterk leeftijdsafhankelijk. In de Gezondheidsenquete liep het verschil tussen vrouwen en mannen jonger dan 25 jaar in 2022/2023 op tot 22,5 procentpunt, tegen 5,9 procentpunt in de groep van 25 tot 45 jaar in dezelfde periode.
  • Bij emotionele problemen onder scholieren is het verschil het grootst: 42,7 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs tegen 12,9 procent van de jongens in HBSC 2025, ruim drie keer zo veel. De Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 kwam met dezelfde SDQ-subschaal op 42,8 tegen 17,0 procent.
  • Eenzaamheid is het duidelijkste voorbeeld van het leeftijdscontrast. Onder scholieren in het voortgezet onderwijs 15,0 procent van de meisjes tegen 6,1 procent van de jongens, onder studenten 62 tegen 61 procent, en onder volwassenen van 18 jaar en ouder 13,2 tegen 13,0 procent. Bij sociale eenzaamheid onder volwassenen scoren mannen juist hoger.
  • De sprong in mentale problemen onder scholieren vond plaats tussen 2019 en 2021 en is daarna niet teruggedraaid. Emotionele problemen bij meisjes in het voortgezet onderwijs gingen van 29,5 procent in 2019 naar 43,7 procent in 2021 en staan in 2025 op 42,7 procent. Bij meisjes in het basisonderwijs is er wel enig herstel, van 32,6 procent in 2021 naar 26,2 procent in 2025.
  • Bij studenten gaat het de andere kant op. Op vijf van de tien maten is 2025 beter dan 2021, met eenzaamheid als grootste daling: van 79 procent in 2021 naar 60 procent in 2025. Het grootste deel van die verbetering viel tussen 2021 en 2023, na het einde van de coronamaatregelen.
  • De hoogte van elk cijfer hangt vooral af van het instrument en de afkapwaarde. Dezelfde meisjes in klas 2 en 4 leveren 36,8 procent op bij een MHI-5-score van 60 of lager en 3,9 procent bij 33 of lager. Dezelfde studentenmonitor leverde 44 procent op met de oude afkapwaarde en 83 procent met de nieuwe.
  • Twee onderzoeken die in 2024 hetzelfde meten met dezelfde afkapwaarde, komen op 51,6 en 80,7 procent. Het verschil zit in de manier van bereiken: de Gezondheidsenquete is een steekproefonderzoek van het CBS, de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen een open link met werving via sociale media.
  • Druk door schoolwerk en prestatiedruk lopen mee met het sekseverschil. 54,0 procent van de meisjes in het voortgezet onderwijs ervaart nogal veel of veel druk door schoolwerk tegen 35,7 procent van de jongens, en bij jongvolwassenen ervaart 62,3 procent van de vrouwen prestatiedruk tegen 50,1 procent van de mannen.
  • Bij jongvolwassenen is het onderwijsniveau op sommige maten een sterkere scheidslijn dan geslacht. Sterke eenzaamheid loopt van 35,3 procent bij basisonderwijs, vmbo en mbo-1 naar 17,6 procent bij hbo en wo, een verschil van 17,7 procentpunt tegen 5,4 procentpunt tussen vrouwen en mannen.
  • Hulp zoeken blijft achter bij de gemeten klachten. Van de studenten met psychische klachten kreeg 34 procent in 2025 geen advies of hulp, ook niet uit de directe omgeving. De meest genoemde reden is dat zij hun problemen zelf wilden oplossen, 53 procent binnen en 54 procent buiten de onderwijsinstelling.
Verantwoording

Methodologie en bronnen

Alle cijfers op deze pagina zijn opgevraagd uit de primaire bron en niet uit een samenvatting of nieuwsbericht. De vijf onderzoeken zijn: de Gezondheidsenquete van het CBS, een doorlopend onderzoek onder de Nederlandse bevolking, waarvan de tabellen 85454NED, 86325NED en 85463NED via de open-dataservice zijn uitgelezen; het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut, waarvan het rapport over de meting van najaar 2025 onder 1.510 leerlingen van groep 8 en 5.103 scholieren van 12 tot en met 16 jaar is gedownload en uitgelezen; de Gezondheidsmonitor Jeugd van de 25 GGD'en, GGD GHOR Nederland en het RIVM over 2015, 2019, 2021 en 2023, met respectievelijk ruim 170.000 scholieren in 2019, bijna 167.000 in 2021 en ruim 188.000 in 2023, uitgelezen uit de RIVM StatLine-tabellen 50063NED, 50077NED, 50092NED en 50131NED; de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen over 2022 en 2024, met bijna 70.000 en ruim 135.000 deelnemers van 16 tot en met 25 jaar, uit de tabellen 50115NED en 50140NED; en de Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten van het RIVM, het Trimbos-instituut en GGD GHOR Nederland, met 28.375 deelnemers in 2021, 32.558 in 2023 en 27.446 in 2025, waarvan de RIVM-rapporten 2023-0412 en 2025-0106 zijn gedownload en uitgelezen. Voor het contrast met volwassenen zijn de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2024 (tabel 50142NED) en het CBS-onderzoek Sociale samenhang en Welzijn (tabel 85766NED) gebruikt. Bij elk cijfer is uit de indicatordefinities van de betreffende tabel of uit de methodeparagraaf van het rapport vastgesteld welk instrument, welke afkapwaarde en welke populatie erbij horen. Waar een onderzoek van instrument of afkapwaarde is gewisseld, staan de metingen als losse rijen en niet als reeks. Cijfers die niet in een primaire bron zijn terug te vinden, staan niet op deze pagina.

Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.

Gebruikte bronnen

Vragen

Veelgestelde vragen

Hoeveel meisjes in Nederland hebben psychische klachten?

Dat hangt af van welk onderzoek en welke afkapwaarde u neemt. Het HBSC-onderzoek komt voor 2025 op 42,7 procent van de meisjes van 12 tot en met 16 jaar met emotionele problemen volgens de SDQ. De Gezondheidsmonitor Jeugd komt voor 2023 op 36,8 procent van de meisjes in klas 2 en 4 met psychische klachten volgens de MHI-5 met een score van 60 of lager, en op 3,9 procent bij de strengere afkapwaarde van 33. Alle drie de cijfers zijn juist en meten iets anders.

Is het verschil tussen meisjes en jongens echt zo groot?

Bij emotionele problemen wel. HBSC 2025 meet 42,7 procent bij meisjes tegen 12,9 procent bij jongens in het voortgezet onderwijs, en de Gezondheidsmonitor Jeugd 2019 kwam met dezelfde SDQ-subschaal op 42,8 tegen 17,0 procent. Bij andere maten is het verschil kleiner of afwezig: op problemen met leeftijdsgenoten scoren jongens in HBSC 2025 iets hoger dan meisjes, 20,6 tegen 19,5 procent, en onder studenten is er geen verschil in eenzaamheid, 62 tegen 61 procent.

Waarom staan er voor eenzaamheid bij volwassenen geen verschillen tussen vrouwen en mannen?

Omdat die er niet zijn. De Gezondheidsmonitor 2024 onder volwassenen van 18 jaar en ouder komt op 13,2 procent sterke eenzaamheid bij vrouwen en 13,0 procent bij mannen. Het CBS-onderzoek Sociale samenhang en Welzijn komt voor 2025 op 10,2 tegen 10,0 procent. Bij sociale eenzaamheid scoren mannen juist hoger dan vrouwen, 34,3 tegen 29,9 procent. Het grote verschil zit bij scholieren: 15,0 procent van de meisjes tegen 6,1 procent van de jongens.

Betekent een score onder de afkapwaarde van de MHI-5 dat iemand een aandoening heeft?

Nee. De MHI-5 is een vragenlijst van vijf vragen over de afgelopen vier weken, met een somscore van 0 tot 100. Bij de afkapwaarde 76 zijn de sensitiviteit en specificiteit beide 0,79. Een score onder de afkapwaarde wijst op angst- of depressiegevoelens in die vier weken, niet op een vastgestelde diagnose. In de studentenmonitor van 2025 ervaarde 42 procent van de studenten met angst- of depressiegevoelens geen of maar een beetje hinder van psychische klachten in hun functioneren.

Waarom is 2024 een breuk in de reeksen?

Omdat de afkapwaarde van de MHI-5 in 2024 is herijkt. Tot dan gold een score lager dan 60 als psychische klachten, daarna geldt een score van 76 of lager als angst- of depressiegevoelens. Het CBS heeft de nieuwe indicator teruggerekend over alle jaren en de oude na verslagjaar 2023 gestopt. Voor 12- tot 16-jarigen geeft de oude indicator 8,0 procent in 2023 en de nieuwe 32,7 procent. Reeksen mogen dus niet door die herijking heen getrokken worden.

Waarom liggen de cijfers van de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen zoveel hoger dan die van het CBS?

De Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024 werkte met een open link en werving via een campagne op sociale media. Het RIVM schrijft daar zelf bij dat respondenten met een ongunstigere mentale gezondheid daardoor mogelijk vaker meededen. De uitkomst is 80,7 procent met angst- of depressiegevoelens voor 16- tot en met 25-jarigen, waar de Gezondheidsenquete van het CBS voor 16- tot 20-jarigen in hetzelfde jaar op 51,6 procent komt, met hetzelfde instrument en dezelfde afkapwaarde.

Is de mentale gezondheid van jongeren na corona hersteld?

Bij scholieren niet, bij studenten gedeeltelijk. In het voortgezet onderwijs steeg het aandeel meisjes met emotionele problemen van 29,5 procent in 2019 naar 43,7 procent in 2021 en staat het in 2025 op 42,7 procent, statistisch niet verschillend van 2021. Bij meisjes in het basisonderwijs zijn er wel tekenen van herstel, van 32,6 procent in 2021 naar 26,2 procent in 2025. Bij studenten daalde eenzaamheid van 79 procent in 2021 naar 60 procent in 2025 en emotionele uitputting van 68 naar 56 procent.

Wat ervaren jongvolwassenen zelf als bron van stress?

In de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024 noemt 60,8 procent studie of school, 44,7 procent werk of bijbaan, 40,3 procent de eisen die zij aan zichzelf stellen en 27,0 procent geldzaken of schulden. Bij vrouwen staat stress door de eigen eisen op 49,4 procent tegen 31,0 procent bij mannen. Bij studenten in het hoger onderwijs is de studie de belangrijkste bron, 58 procent in 2025, gevolgd door de kosten van het dagelijks leven met 36 procent.

Verschilt het beeld naar onderwijsniveau?

Ja, en op sommige maten sterker dan naar geslacht. Bij jongvolwassenen is sterke eenzaamheid 35,3 procent bij basisonderwijs, vmbo en mbo-1 en 17,6 procent bij hbo en wo, een verschil van 17,7 procentpunt. Het verschil tussen vrouwen en mannen is daar 5,4 procentpunt. Stress door studie of school gaat de andere kant op: 39,9 procent bij het laagste en 72,3 procent bij het hoogste onderwijsniveau. Bij scholieren rapporteren vwo-leerlingen minder mentale problemen dan vmbo-b/k-leerlingen, maar in levenstevredenheid, emotioneel welbevinden en emotionele problemen zijn er geen verschillen naar schoolniveau.

Hoeveel studenten krijgen hulp voor psychische klachten?

In de studentenmonitor van 2025 had 51 procent van de deelnemers psychische klachten. Van die groep kreeg 66 procent in de afgelopen twaalf maanden advies of hulp, 32 procent binnen de eigen onderwijsinstelling en 55 procent daarbuiten. 34 procent kreeg geen advies of hulp, ook niet uit de directe omgeving. De meest genoemde reden is dat zij hun problemen zelf wilden oplossen, 53 procent binnen en 54 procent buiten de instelling.

Over de samensteller

Wie deze cijfers verzamelde

Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.

De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.

Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.

Meer cijferoverzichten