DiversaMente › Cijfers › ADHD en autisme bij vrouwen en mannen
CijferoverzichtADHD en autisme bij vrouwen en mannen: wat de cijfers wel en niet zeggen
Over ADHD en autisme bij vrouwen en mannen bestaat een breed gedragen verhaal: vrouwen worden over het hoofd gezien. In de Nederlandse cijfers is dat verhaal niet terug te vinden als getal. Elke officiele Nederlandse meetbron komt bij vrouwen op een lager percentage uit dan bij mannen, maar de bronnen meten niet hetzelfde en komen onderling tot verschillende verhoudingen. Op deze pagina staan die bronnen naast elkaar, met het verschil erbij, zodat u zelf kunt zien waar de cijfers ophouden en de vraag begint.
Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.
3,2%volwassenen 18-75, NEMESIS-3 2019-2022
De jaarprevalentie van ADHD bij volwassenen in Nederland is 3,2 procent, wat overeenkomt met ongeveer 404.600 volwassenen.
396.200bekend bij de huisarts in 2024
In 2024 waren naar schatting 396.200 mensen met ADHD-achtige symptomen bekend bij de huisarts, van wie 216.100 mannen en 180.000 vrouwen.
2,5%zelfrapportage autisme, 4 jaar en ouder
In de periode 2022/2024 gaf 2,5 procent van de bevolking van vier jaar of ouder aan een autismespectrumstoornis te hebben: 3,4 procent van de mannen en 1,7 procent van de vrouwen.
53%aandeel vrouwen in het Nederlands Autisme Register, meting 2017
In een register waaraan mensen zich vrijwillig aanmelden was 53 procent van de 782 deelnemende volwassenen met autisme vrouw, terwijl bevolkingscijfers juist meer mannen tellen.
Dezelfde vraag, vijf metingen, vijf antwoorden
De vraag lijkt eenvoudig: komt ADHD vaker voor bij mannen of bij vrouwen? Elke Nederlandse bron antwoordt dat het bij mannen vaker voorkomt. Maar hoeveel vaker verschilt per bron, en dat verschil is niet klein. De verhouding loopt van ruim 1,2 tot bijna 2,5 keer. Omdat elke bron iets anders meet, is er geen enkel getal dat het antwoord is.
ADHD bij mannen en vrouwen volgens vijf Nederlandse metingen. De verhouding in de laatste kolom is berekend uit de twee kolommen ervoor.
| Meetbron | Wat er feitelijk gemeten is | Mannen / jongens | Vrouwen / meisjes | Verhouding (berekend) |
|---|---|---|---|---|
| NEMESIS-3, bevolkingsonderzoek 2019-2022 | ADHD in de afgelopen 12 maanden, diagnostisch interview bij 18-75-jarigen | 3,7% | 2,7% | 1,37 |
| NEMESIS-3, retrospectief kindertijd | ADHD voor het 12e jaar, achteraf uitgevraagd bij volwassenen | 4,3% | 3,0% | 1,43 |
| Nivel Zorgregistraties eerste lijn, 2024 | contact met de huisarts voor ADHD-achtige symptomen in dat jaar | 24,2 per 1.000 | 19,9 per 1.000 | 1,22 |
| CBS Gezondheidsenquete 2024, ouders over kinderen 4-12 jaar | ouder zegt dat het kind ADHD of ADD heeft | 6,1% | 3,2% | 1,91 |
| CBS medicatieverstrekking 2023, 10- tot 15-jarigen | kreeg in dat jaar ADHD-middelen verstrekt | 7,3% | 3,0% | 2,43 |
Bron: VZinfo (NEMESIS-3 en Nivel) en NJi (CBS-cijfers)
De vijf rijen staan in oplopende mate van selectie. Bovenaan staat het bevolkingsonderzoek, dat mensen opzoekt die zelf nooit om hulp hebben gevraagd. Onderaan staat de medicatieverstrekking, waar iemand pas in terechtkomt na herkenning, verwijzing, diagnostiek en een recept. Hoe meer stappen er tussen de klacht en de meting zitten, hoe groter het verschil tussen jongens en meisjes wordt.
Dat patroon is zelf een aanwijzing, maar geen bewijs. Het kan betekenen dat meisjes en vrouwen bij elke stap vaker uitvallen. Het kan ook betekenen dat de groepen in die metingen niet vergelijkbaar zijn, bijvoorbeeld omdat de ernst verschilt. Geen van de geopende bronnen rekent dit verschil uit of wijst een oorzaak aan.
Wat alle vijf de metingen gemeen hebben: ze komen bij vrouwen en meisjes op een lager cijfer uit dan bij mannen en jongens. Er is geen Nederlandse meting die het omgekeerde vindt.
De verhouding in de laatste kolom is een deling van de twee voorgaande kolommen en staat niet als zodanig in de bronnen. De eenheden verschillen per rij, dus de verhoudingen zijn onderling vergelijkbaar maar de absolute niveaus niet.
Het bevolkingsonderzoek: NEMESIS-3
NEMESIS-3 is de enige Nederlandse bron die ADHD bij volwassenen vaststelt met een diagnostisch interview in een steekproef uit de algemene bevolking, los van de vraag of iemand ooit hulp heeft gezocht. Dat maakt het de bron die het dichtst bij een echte prevalentie komt.
6.194deelnemers, 18-75 jaar
Aan de eerste meting van NEMESIS-3 namen 6.194 personen van 18 tot 75 jaar deel, geinterviewd tussen november 2019 en maart 2022.
54,6%gewogen respons
De gewogen respons van NEMESIS-3 was 54,6 procent, lager dan de 64,2 procent van NEMESIS-1 in 1996 en de 65,1 procent van NEMESIS-2 in 2007-2009.
3,7% tegen 2,7%mannen tegen vrouwen, ADHD afgelopen 12 maanden
ADHD in de afgelopen 12 maanden kwam voor bij 3,7 procent van de mannen en 2,7 procent van de vrouwen.
0,73odds ratio vrouwen tegen mannen, 95% BI 0,55-0,96
Na correctie voor leeftijd hebben vrouwen een odds ratio van 0,73 voor ADHD in de afgelopen 12 maanden, met een betrouwbaarheidsinterval van 0,55 tot 0,96: significant lager dan bij mannen.
0,68odds ratio vrouwen, ADHD in de kindertijd, 95% BI 0,53-0,86
Voor ADHD in de kindertijd is de odds ratio voor vrouwen 0,68 met een betrouwbaarheidsinterval van 0,53 tot 0,86, ook significant lager dan bij mannen.
89%aanwezig op volwassen leeftijd
Bij de overgrote meerderheid van de mensen met ADHD in de kindertijd is ADHD op volwassen leeftijd nog steeds aanwezig: 89 procent.
404.600volwassenen met ADHD, 95% BI 291.000-518.000
Omgerekend naar de bevolking gaat het om 404.600 volwassenen, met een betrouwbaarheidsinterval van 291.000 tot 518.000.
91 minutengemiddelde interviewduur
Het gemiddelde interview duurde 91 minuten en vond vrijwel altijd thuis bij de deelnemer plaats; 500 van de 6.194 interviews (8,1 procent) werden via videogesprek afgenomen.
ADHD volgens NEMESIS-3 naar geslacht, met 95%-betrouwbaarheidsintervallen
| Meting | Mannen | 95% BI mannen | Vrouwen | 95% BI vrouwen | Totaal | 95% BI totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|
| ADHD in de afgelopen 12 maanden | 3,7% | 3,0-4,4 | 2,7% | 2,1-3,3 | 3,2% | 2,7-3,7 |
| ADHD in de kindertijd (retrospectief) | 4,3% | niet op de geopende pagina | 3,0% | niet op de geopende pagina | 3,6% | niet op de geopende pagina |
Bron: Trimbos-instituut, NEMESIS-3 prevalentie en demografische kenmerken
De betrouwbaarheidsintervallen van mannen en vrouwen overlappen: 3,0 tot 4,4 procent tegen 2,1 tot 3,3 procent. Dat lijkt op het eerste gezicht in tegenspraak met de mededeling van VZinfo dat de verschillen tussen mannen en vrouwen statistisch significant zijn. Dat is het niet. De significantietoets is uitgevoerd op de odds ratio na correctie voor leeftijd, en die odds ratio van 0,73 ligt met zijn interval van 0,55 tot 0,96 volledig onder de 1. Twee overlappende intervallen zijn geen bewijs van afwezigheid van verschil.
Wel laat de bovengrens van dat interval, 0,96, zien dat het verschil krap significant is. Het bevolkingsonderzoek vindt dus een lager cijfer bij vrouwen, maar de marge is beperkt en met een andere steekproef had de uitkomst anders kunnen uitvallen.
ADHD bij kinderen is in NEMESIS-3 niet bij kinderen zelf gemeten. Het is retrospectief vastgesteld door volwassenen van 18 jaar en ouder te vragen naar symptomen in de kindertijd, voor de leeftijd van 12 jaar.
De betrouwbaarheidsintervallen voor ADHD in de kindertijd staan niet in de tabellen die wij op de geopende Trimbos-pagina's hebben kunnen uitlezen. Ze zijn daarom niet overgenomen.
De verhouding verschilt per leeftijdsgroep
Een man-vrouwverhouding voor de hele bevolking verbergt dat de cijfers per leeftijdsgroep sterk uiteenlopen. Bij ADHD piekt het percentage rond de middelbare leeftijd, bij zelfgerapporteerd autisme juist bij jongvolwassenen. Wie een verhouding noemt zonder leeftijdsgroep, noemt een gemiddelde van groepen die weinig op elkaar lijken.
5,5%35- tot 44-jarigen, hoogste groep
ADHD komt het vaakst voor bij 35- tot en met 44-jarigen, bij 5,5 procent, en het minst bij 65-plussers, bij 1,0 procent.
6,1%15- tot 25-jarigen, zelfgerapporteerd autisme
15- tot 25-jarigen gaven het vaakst aan een autismespectrumstoornis te hebben, 6,1 procent, tegen 0,5 procent bij 65-plussers.
geen verschilautisme bij 50 jaar en ouder
In alle leeftijdsgroepen tot 50 jaar geven meer mannen dan vrouwen aan ASS te hebben; bij mensen van 50 jaar of ouder zijn er volgens het CBS geen verschillen.
kleinverschil in medicatie bij 20- tot 25-jarigen
Bij 10- tot 15-jarigen is het verschil in verstrekte ADHD-middelen tussen jongens en meisjes het grootst; bij 20- tot 25-jarigen is het verschil tussen mannen en vrouwen klein.
Zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis per leeftijdsgroep en geslacht, 2022/2024
| Leeftijdsgroep | Totaal | Mannen | Vrouwen | Verschil in procentpunten (berekend) |
|---|---|---|---|---|
| Totaal, 4 jaar of ouder | 2,5% | 3,4% | 1,7% | 1,7 |
| 4 tot 12 jaar | 3,0% | 4,3% | 1,5% | 2,8 |
| 12 tot 15 jaar | 4,4% | 5,7% | 3,0% | 2,7 |
| 15 tot 25 jaar | 6,1% | 7,8% | 4,3% | 3,5 |
| 25 tot 40 jaar | 3,3% | 4,3% | 2,3% | 2,0 |
| 40 tot 50 jaar | 2,3% | 3,5% | 1,0% | 2,5 |
| 50 tot 65 jaar | 1,3% | 1,6% | 1,0% | 0,6 |
| 65 jaar of ouder | 0,5% | 0,7% | 0,4% | 0,3 |
Bron: CBS Gezondheidsenquete 2022/2024
Het verschil tussen mannen en vrouwen is in deze tabel het grootst bij 15- tot 25-jarigen, 3,5 procentpunt, en het kleinst bij 65-plussers, 0,3 procentpunt. In relatieve termen verschuift het beeld opnieuw: bij 40- tot 50-jarigen is het percentage bij mannen 3,5 maal dat bij vrouwen, bij 50- tot 65-jarigen 1,6 maal.
De ADHD-cijfers van NEMESIS-3 volgen een ander leeftijdspatroon. Daar is er volgens het Trimbos-instituut geen duidelijke samenhang tussen ADHD en leeftijd, terwijl bij stemmings-, angst- en middelenstoornissen de prevalentie met de leeftijd afneemt. Toch liggen de percentages per leeftijdsgroep ver uiteen: 3,7 procent bij 18- tot 24-jarigen, 3,9 procent bij 25- tot 34-jarigen, 5,5 procent bij 35- tot 44-jarigen, 2,9 procent bij 45- tot 54-jarigen, 2,5 procent bij 55- tot 64-jarigen en 1,0 procent bij 65-plussers.
Voor ADHD in de kindertijd, retrospectief uitgevraagd, loopt het per leeftijdsgroep van de ondervraagde volwassenen op van 4,0 procent bij 18- tot 24-jarigen naar 6,2 procent bij 35- tot 44-jarigen, en daalt dan naar 1,3 procent bij 65-plussers. Dat is opmerkelijk, want de kindertijd van een 65-plusser verandert niet meer. Het verschil zegt dus iets over wie zich wat herinnert en benoemt, niet over hoeveel ADHD er in de jaren vijftig was.
De huisartsregistratie meet zorgcontact, niet prevalentie
De tweede grote Nederlandse bron is de huisartsregistratie van Nivel. Die telt mensen die in een jaar contact hadden met de huisarts voor de betreffende klacht. Wie geen contact had, staat er niet in. Dat is een fundamenteel ander gegeven dan prevalentie, en VZinfo zegt dat zelf expliciet.
216.100mannen, jaarprevalentie huisarts 2024
In 2024 waren 216.100 mannen met ADHD-achtige symptomen bekend bij de huisarts, 24,2 per 1.000 mannen.
180.000vrouwen, jaarprevalentie huisarts 2024
In hetzelfde jaar waren 180.000 vrouwen bekend bij de huisarts met ADHD-achtige symptomen, 19,9 per 1.000 vrouwen.
147.500nieuwe gevallen P21 in 2024
In 2024 registreerden huisartsen naar schatting 147.500 nieuwe gevallen van overactief kind of hyperkinetisch syndroom: 78.000 mannen en 69.500 vrouwen.
5,1 tegen 5,1P20 per 1.000, mannen tegen vrouwen
Voor geheugen-, concentratie- en orientatiestoornissen (ICPC-code P20, tot 45 jaar) is de jaarprevalentie bij mannen en vrouwen gelijk: 5,1 per 1.000.
ADHD-achtige symptomen bij de huisarts naar type, geslacht en maat, 2024
| Type en maat | Nieuwe gevallen mannen | Nieuwe gevallen vrouwen | Jaarprevalentie mannen | Jaarprevalentie vrouwen |
|---|---|---|---|---|
| Geheugen-/concentratie-/orientatiestoornis (P20, tot 45 jaar), per 1.000 | 2,7 | 2,8 | 5,1 | 5,1 |
| Overactief kind / hyperkinetisch syndroom (P21), per 1.000 | 8,7 | 7,7 | 21,6 | 17,5 |
| Totaal, per 1.000 | niet gepubliceerd | niet gepubliceerd | 24,2 | 19,9 |
| Geheugen-/concentratie-/orientatiestoornis (P20, tot 45 jaar), absoluut | 13.000 | 13.100 | 24.600 | 24.100 |
| Overactief kind / hyperkinetisch syndroom (P21), absoluut | 78.000 | 69.500 | 193.300 | 158.000 |
| Totaal, absoluut | niet gepubliceerd | niet gepubliceerd | 216.100 | 180.000 |
Bron: RIVM VZinfo, Nivel Zorgregistraties eerste lijn 2024
In deze tabel zit een rij waarin vrouwen hoger uitkomen dan mannen. Bij nieuwe gevallen van geheugen-, concentratie- en orientatiestoornissen gaat het om 2,8 per 1.000 vrouwen tegen 2,7 per 1.000 mannen, en absoluut om 13.100 vrouwen tegen 13.000 mannen. Dat is de enige plek in alle geopende Nederlandse bronnen waar een getal voor vrouwen boven dat voor mannen uitkomt.
Het is verleidelijk om daar een verhaal op te bouwen, bijvoorbeeld dat vrouwen hun ADHD als concentratieklacht presenteren. Die uitleg staat niet in de bron. Het verschil is bovendien 0,1 per 1.000 en er is geen betrouwbaarheidsinterval gepubliceerd op de geopende pagina, dus het kan ook ruis zijn. Wij noemen het omdat het er staat, niet omdat het iets bewijst.
Belangrijker is wat VZinfo zelf over deze bron zegt. In de huisartsenregistratie worden alle personen meegeteld die in dat jaar contact hebben gehad met de huisarts vanwege de stoornis. Mensen die in de GGZ onder behandeling zijn worden in principe ook meegeteld, maar alleen als hun huisarts de diagnose-informatie van de GGZ-behandelaar gecodeerd heeft opgeslagen. Mensen met een stoornis die in dat jaar geen zorg kregen, worden niet meegeteld.
Daarom is deze jaarprevalentie lager dan die uit het bevolkingsonderzoek, en daarom kan het verschil tussen mannen en vrouwen in deze bron net zo goed iets zeggen over huisartsbezoek en registratiegedrag als over het voorkomen van ADHD.
P20 wordt geregistreerd voor 0 tot 45 jaar, P21 voor de totale bevolking. Het totaal is geen som: mensen met meerdere vormen tellen in het totaal eenmaal mee. Door afronding wijkt het gepubliceerde totaal af van de som van mannen en vrouwen.
Bij autisme ontbreekt de registratielaag volledig
Bij ADHD zijn er drie lagen: bevolkingsonderzoek, huisartsregistratie en zelfrapportage. Bij autisme zijn er twee, want de middelste bestaat niet. Dat is geen inschatting van ons, maar een letterlijke constatering van VZinfo.
geen onderzoekgeregistreerde autismediagnoses in Nederland
VZinfo stelt dat er in Nederland geen onderzoek is gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis.
ongeveer 1%schatting op basis van internationaal onderzoek
Op basis van internationaal prevalentieonderzoek wordt de prevalentie van autismespectrumstoornissen geschat op ongeveer 1 procent van de bevolking, en omdat er geen verschillen lijken te bestaan tussen etnische groepen of sociaaleconomische groepen wordt aangenomen dat dit ook voor Nederland geldt.
Bron: RIVM VZinfo, over autismespectrumstoornis (Gezondheidsraad, 2009)
3:1wereldwijde verhouding gediagnosticeerd, man tegen vrouw
Wereldwijd lijkt de verhouding tussen mannen en vrouwen met een gediagnosticeerde autismespectrumstoornis 3 staat tot 1 te zijn, met de kanttekening in de DSM-5 dat ASS bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt.
3,5% tegen 2,5%zelfrapportage 2024, kinderen 4-12 tegen volwassenen
Volgens de Gezondheidsenquete van het CBS was het percentage Nederlanders met een autismespectrumstoornis in 2024 3,5 procent voor kinderen van 4 tot 12 jaar en 2,5 procent voor volwassenen.
Bron: RIVM VZinfo, over autismespectrumstoornis (CBS StatLine)
280 tegen 140 duizendmannen tegen vrouwen met zelfgerapporteerde ASS
De zelfgerapporteerde percentages komen neer op ongeveer 280 duizend mannen en 140 duizend vrouwen.
74,1%angst- of depressiegevoelens bij mensen met ASS
Van de mensen van 12 jaar of ouder met ASS ervoer 74,1 procent in de afgelopen vier weken angst- of depressiegevoelens, tegen 42,6 procent van de mensen zonder ASS.
82,3% tegen 69,9%vrouwen tegen mannen met ASS, angst- of depressiegevoelens
Binnen de groep met ASS had 82,3 procent van de vrouwen en 69,9 procent van de mannen angst- of depressiegevoelens.
58,2% tegen 81,8%werkend, 25-65 jaar, met tegen zonder ASS
Van de 25- tot 65-jarigen met ASS omschreef 58,2 procent zichzelf als werkend, tegen 81,8 procent van de mensen zonder ASS; bij vrouwen met ASS was dat 46,5 procent en bij mannen met ASS 64,1 procent.
22,5%arbeidsongeschikt met ASS, 25-65 jaar
Van de 25- tot 65-jarigen met ASS omschreef 22,5 procent zichzelf als arbeidsongeschikt, tegen 5,8 procent van de mensen zonder ASS; bij vrouwen met ASS 26,4 procent en bij mannen met ASS 20,6 procent.
Hier botsen twee cijfers op elkaar die dezelfde eenheid gebruiken. De internationale schatting is ongeveer 1 procent. De Nederlandse zelfrapportage komt uit op 2,5 procent voor volwassenen en 3,5 procent voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Dat is twee tot drie keer zo hoog.
VZinfo geeft daar zelf de verklaring bij. In de Gezondheidsenquete wordt gevraagd of iemand een autismespectrumstoornis heeft, maar er wordt niet expliciet gevraagd naar een officiele diagnose. Bij kinderen van 4 tot 12 jaar wordt de vraag aan de ouders gesteld. In deze cijfers zitten dus ook mensen bij wie een vermoeden van autisme bestaat zonder dat er een diagnose is gesteld.
Dat maakt de 2,5 procent geen slecht cijfer, maar wel een cijfer over iets anders: over hoeveel mensen zeggen autisme te hebben, niet over hoeveel mensen een diagnose hebben. Wie die twee door elkaar haalt, vergelijkt een vermoeden met een vaststelling.
Op dit punt staat ook de enige erkenning van onderherkenning die wij in een Nederlandse officiele bron hebben gevonden. VZinfo noemt de 3 staat tot 1 verhouding en voegt toe dat ASS bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt. Er staat geen getal bij hoeveel vrouwen daardoor gemist worden, en wij hebben dat getal in geen enkele geopende Nederlandse bron aangetroffen.
Let ook op het verschil tussen de kop en de tabel bij het CBS. De kop luidt dat 3 procent van de bevolking aangeeft een autismespectrumstoornis te hebben. In de bijbehorende tabel staat als totaal 2,5 procent. De kop rondt af, de tabel niet. Beide getallen komen van dezelfde bron op dezelfde dag.
Bij kinderen is het aantal onbekend, en dat zegt het NJi zelf
Over ADHD bij kinderen gaan de meeste publieke discussies, en juist daar is de Nederlandse meetbasis het zwakst. Het Nederlands Jeugdinstituut formuleert dat ongewoon direct.
niet bekendaantal kinderen en jongeren met ADHD
Het NJi stelt dat het niet bekend is hoeveel kinderen en jongeren op dit moment ADHD hebben, omdat er geen recente Nederlandse onderzoeken of registraties zijn die daarover betrouwbare gegevens kunnen leveren.
Bron: NJi, cijfers over ADHD
5,3%wereldwijde gemiddelde prevalentie bij kinderen
Wereldwijd is de gemiddelde prevalentie van ADHD bij kinderen en jongeren 5,3 procent.
4 tot 13%spreiding in een meta-analyse
In een meta-analyse van prevalentieonderzoeken naar ADHD loopt de prevalentie uiteen van 4 tot 13 procent; na correctie voor methodologische verschillen werd een lagere prevalentie gevonden, tussen 5,9 en 7,1 procent.
2 tot 7%Gezondheidsraad, alle kinderen
Op grond van meta-analyses van epidemiologisch onderzoek heeft volgens de Gezondheidsraad 2 tot 7 procent van alle kinderen ADHD, waarbij het percentage wordt beinvloed door criteria, methode en leeftijdsgroep.
4,7%ouders over kinderen 4-12 jaar, 2024
In 2024 zei 4,7 procent van de ouders van kinderen van 4 tot 12 jaar dat hun kind ADHD of ADD heeft: 6,1 procent bij jongens en 3,2 procent bij meisjes.
148.3650- tot 25-jarigen met ADHD-middelen, 2023
In 2023 kregen 148.365 kinderen en jongeren van 0 tot 25 jaar ADHD-middelen verstrekt, bijna drie keer zoveel als de 55.315 in 2006.
7,3% tegen 3,0%jongens tegen meisjes, 10-15 jaar, ADHD-middelen
Bij 10- tot 15-jarigen is het verschil in verstrekte ADHD-middelen tussen jongens, 7,3 procent, en meisjes, 3,0 procent, het grootst van alle leeftijdsgroepen.
5,2%10- tot 15-jarigen met ADHD-middelen
Kinderen van 10 tot 15 jaar kregen het vaakst ADHD-middelen verstrekt, namelijk 5,2 procent van alle 10- tot 15-jarigen.
Symptomen van ADHD of ADD volgens ouders van kinderen van 4 tot 12 jaar, 2024
| Wat de ouder rapporteert | Jongens | Meisjes | Verhouding (berekend) |
|---|---|---|---|
| Kind heeft ADHD of ADD | 6,1% | 3,2% | 1,91 |
| Vertoont symptomen van ADHD of ADD | 5,1% | 1,8% | 2,83 |
| Rusteloos gedrag, kan niet stil zitten | 10,3% | 6,6% | 1,56 |
| Friemelen en draaien | 12,3% | 7,7% | 1,60 |
| Moeite met concentreren op een bezigheid | 8,1% | 4,7% | 1,72 |
Bron: NJi, cijfers over ADHD (CBS Gezondheidsenquete 2024)
Deze tabel laat zien hoe de verhouding tussen jongens en meisjes verandert met de vraagstelling, bij dezelfde ouders in dezelfde enquete. Op de losse gedragskenmerken is de verhouding ongeveer 1,6 tot 1,7. Op de samenvattende vraag of het kind symptomen van ADHD of ADD vertoont, loopt die op naar 2,8.
Het zijn dezelfde kinderen. Wat verandert is de mate waarin de ouder het gedrag zelf tot een label samenvat. Dat is een meeteffect, geen bevinding over ADHD.
Daarnaast meldt het NJi dat 3,5 procent van de ouders bevestigend antwoordde op de vraag of hun kind symptomen vertoont, tegen 4,7 procent dat zegt dat het kind ADHD of ADD heeft. Ook binnen een enkele bron liggen de cijfers dus niet op een lijn.
Een zelfrapportageregister kan het beeld omkeren
Het Nederlands Autisme Register is iets anders dan de bronnen hierboven. Mensen melden zich er zelf voor aan en vullen vragenlijsten in. Dat levert geen prevalentiecijfer, maar het laat wel zien wat er gebeurt met de man-vrouwverhouding zodra deelname een eigen keuze is.
782deelnemende volwassenen met autisme, 16 jaar en ouder
De meting van 2017 omvat 782 jongvolwassenen en volwassenen met autisme van 16 jaar en ouder, die online vragenlijsten over zichzelf invulden.
53% tegen 47%vrouw tegen man
Van de deelnemers was 53 procent vrouw en 47 procent man, een verhouding die tegengesteld is aan de 3 staat tot 1 die wereldwijd bij gediagnosticeerde ASS wordt gevonden.
89%kreeg de diagnose op 16-jarige leeftijd of later
89 procent van de volwassen deelnemers in 2017 geeft aan de diagnose pas te hebben gekregen toen zij 16 jaar of ouder waren.
32,1 en 35,4 jaargemiddelde leeftijd vermoeden en diagnose, hele groep
De gemiddelde leeftijd waarop een vermoeden van autisme ontstond is 32,1 jaar en de gemiddelde leeftijd van de diagnose 35,4 jaar, met gemiddeld 3,3 jaar tussen vermoeden en diagnose.
34% tegen 21%vrouwen tegen mannen, had zelf als eerste een vermoeden
Vrouwen antwoorden vaker dan mannen dat zij zelf als eerste een vermoeden van autisme hadden bij zichzelf: 34 procent van de vrouwen tegen 21 procent van de mannen.
16% tegen 3%mannen tegen vrouwen, partner had het eerste vermoeden
Bij mannen met autisme was het relatief vaak de partner die als eerste een vermoeden had, bij 16 procent van de mannen tegen 3 procent van de vrouwen.
40%zorgprofessional vermoedde als eerste autisme
Bij 40 procent van de volwassenen met autisme was het een zorgprofessional die als eerste autisme vermoedde, meestal de psychiater of psycholoog.
54% tegen 35%vrouwen tegen mannen met minstens een andere psychiatrische diagnose
45 procent van de deelnemers geeft aan naast autisme nog een of meer andere psychiatrische diagnoses te hebben; bij vrouwen ligt dit op 54 procent en bij mannen op 35 procent.
77% tegen 59%vrouwen tegen mannen met minstens een lichamelijk probleem
69 procent van de deelnemers geeft aan naast autisme ook een of meer lichamelijke problemen te hebben, bij vrouwen 77 procent en bij mannen 59 procent.
44,3 jaargemiddelde leeftijd deelnemers, spreiding 16,1 tot 84,5
De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 44,3 jaar, met een spreiding van 16,1 tot 84,5 jaar.
Een register waar mensen zich zelf voor aanmelden telt mensen die gevonden willen worden. Dat 53 procent van de deelnemers vrouw is terwijl de gediagnosticeerde verhouding wereldwijd op 3 staat tot 1 in het voordeel van mannen ligt, zegt dus niets over hoeveel vrouwen autisme hebben. Het zegt iets over wie zich aanmeldt bij een onderzoeksregister.
Precies daarom is dit register ongeschikt om een prevalentieverschil tussen mannen en vrouwen te schatten, en geschikt om te laten zien hoe sterk de meetmethode het antwoord bepaalt. Hetzelfde onderwerp, een andere manier van tellen, en de verhouding draait om.
De verschillen binnen het register zijn consistent. Vrouwen rapporteren vaker een bijkomende psychiatrische diagnose, 54 tegen 35 procent, vaker een lichamelijk probleem, 77 tegen 59 procent, vaker een autisme-gerelateerde behandeling in het afgelopen jaar, 32 tegen 22 procent, en vaker autisme-gerelateerde medicatie, 41 tegen 32 procent. Ook gaven vrouwen vaker aan dat zij zelf als eerste een vermoeden hadden.
Dat laatste patroon past bij het idee dat vrouwen hun eigen autisme vaker zelf moeten opmerken. Het is een aanwijzing uit zelfrapportage van een zelfgeselecteerde groep, geen maat voor onderdiagnostiek in Nederland.
Deze factsheet betreft de meting van 2017. Het is de meting waarvan wij de volledige cijfers hebben kunnen verifieren; recentere metingen van het register zijn hier niet gebruikt.
Wat er samen met ADHD voorkomt
Een deel van de discussie over gemiste diagnoses bij vrouwen gaat over wat er in plaats daarvan wel wordt vastgesteld. NEMESIS-3 publiceert hoe vaak aandoeningen samen voorkomen. Die cijfers zijn niet uitgesplitst naar geslacht, maar de achtergrondcijfers over mannen en vrouwen per aandoening zijn dat wel.
60,5%van de mensen met ADHD, ooit ook een depressieve stoornis
Van de mensen met ADHD had 60,5 procent ooit in het leven ook een depressieve stoornis.
31,3%van de mensen met ADHD, ooit ook een gegeneraliseerde angststoornis
Van de mensen met ADHD had 31,3 procent ooit ook een gegeneraliseerde angststoornis en 32,0 procent ooit ook een alcoholstoornis.
31,2%ADHD in de afgelopen 12 maanden, ook depressieve stoornis
Van de mensen met ADHD in de afgelopen 12 maanden had 31,2 procent in diezelfde periode ook een depressieve stoornis, 24,0 procent ook een specifieke fobie en 10,4 procent ook een alcoholstoornis.
10,4% tegen 6,7%vrouwen tegen mannen, depressieve stoornis afgelopen 12 maanden
Een depressieve stoornis in de afgelopen 12 maanden kwam voor bij 10,4 procent van de vrouwen en 6,7 procent van de mannen.
19,4% tegen 11,0%vrouwen tegen mannen, enige angststoornis afgelopen 12 maanden
Een angststoornis in de afgelopen 12 maanden kwam voor bij 19,4 procent van de vrouwen en 11,0 procent van de mannen, met een odds ratio voor vrouwen van 1,97 (95% BI 1,66-2,34).
27,8% tegen 24,0%vrouwen tegen mannen, enige psychische aandoening afgelopen 12 maanden
Enige psychische aandoening in de afgelopen 12 maanden kwam voor bij 27,8 procent van de vrouwen en 24,0 procent van de mannen.
Het patroon in deze cijfers is dat vrouwen in NEMESIS-3 hoger uitkomen op stemmings- en angststoornissen en lager op middelenstoornissen en ADHD. Voor angststoornissen is de odds ratio voor vrouwen 1,97, voor stemmingsstoornissen 1,50, voor middelenstoornissen 0,48 en voor ADHD 0,73.
Dat patroon wordt in de publieke discussie vaak als bewijs gebruikt: vrouwen met ADHD zouden eerst een angst- of depressiediagnose krijgen. Die redenering is aannemelijk, maar deze cijfers kunnen hem niet dragen. NEMESIS-3 stelt ADHD vast met een diagnostisch interview, niet via de diagnoses die iemand al heeft. Als vrouwen met ADHD stelselmatig als depressief waren geclassificeerd in de zorg, zou het interview hun ADHD alsnog moeten vinden.
Wat de comorbiditeitscijfers wel laten zien is dat ADHD zelden alleen komt. Zes op de tien mensen met ADHD had ooit ook een depressieve stoornis. Dat maakt de klinische werkelijkheid rommeliger dan een enkel percentage suggereert, voor mannen en voor vrouwen.
Wat er niet in de Nederlandse cijfers staat
Deze pagina begon met de vaststelling dat het verhaal over onderdiagnostiek bij vrouwen niet als getal in de Nederlandse cijfers voorkomt. Het is eerlijker om precies te zeggen wat dat wel en niet betekent.
Wat er staat: elke Nederlandse meetbron die wij hebben geopend komt bij vrouwen en meisjes op een lager cijfer uit dan bij mannen en jongens, bij ADHD en bij autisme, in bevolkingsonderzoek, in huisartsregistratie, in zelfrapportage en in medicatieverstrekking. In NEMESIS-3 is dat verschil na correctie voor leeftijd statistisch significant, met een odds ratio van 0,73 voor ADHD in de afgelopen 12 maanden.
Wat er niet staat: een Nederlands cijfer voor hoeveel vrouwen met ADHD of autisme niet herkend worden. Zo'n cijfer zou vragen om een maat voor de werkelijke prevalentie die onafhankelijk is van herkenning, en die maat bestaat in Nederland niet. Het bevolkingsonderzoek komt het dichtst in de buurt, en juist dat onderzoek vindt bij vrouwen een lager percentage.
Wat er wel staat, maar zonder getal: de DSM-5 tekent bij de wereldwijde 3 staat tot 1 verhouding voor gediagnosticeerd autisme aan dat ASS bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt. VZinfo neemt die kanttekening over. Er staat geen omvang bij.
De logische spanning tussen die twee is reeel en wordt in de bronnen niet opgelost. Als vrouwen stelselmatig minder vaak herkend worden, zou je verwachten dat een diagnostisch interview in de algemene bevolking meer vrouwen vindt dan de zorg kent. In NEMESIS-3 is de verhouding mannen tot vrouwen 1,37, in de huisartsregistratie 1,22. Het bevolkingsonderzoek vindt relatief dus niet meer vrouwen dan de huisarts, maar iets minder.
Dat kan verschillende dingen betekenen. Het diagnostisch interview kan zelf criteria gebruiken die bij vrouwen minder goed aanslaan, want dezelfde DSM waarop de kanttekening betrekking heeft levert ook de criteria voor het interview. Het kan betekenen dat het prevalentieverschil tussen mannen en vrouwen bij ADHD echt is en kleiner dan het verschil in de zorg. Het kan betekenen dat de huisartsregistratie om andere redenen relatief veel vrouwen telt. De geopende bronnen kiezen hier niet tussen, en wij ook niet.
Wie een percentage wil noemen voor onderdiagnostiek bij vrouwen in Nederland, zal dat moeten doen zonder Nederlandse bron. Dat is de stand van zaken in 2026.
Valkuilen voordat je deze cijfers citeert
- De diagnoseleeftijd per geslacht uit het Nederlands Autisme Register is niet bruikbaar Figuur 1.5 van de factsheet 2017 draagt de titel 'Van vermoeden tot diagnose' en bevat negen getallen in drie drietallen: 30,0 / 33,0 / 3,0, dan 32,1 / 35,4 / 3,3 en dan 34,5 / 38,1 / 3,6. De lopende tekst van de factsheet koppelt alleen het middelste drietal aan de hele groep: vermoeden op 32,1 jaar, diagnose op 35,4 jaar, 3,3 jaar ertussen. De kolomlabels die de andere twee drietallen aan mannen of aan vrouwen toewijzen staan niet in de tekstlaag van de PDF, maar alleen in het beeld. Wij kunnen dus niet vaststellen of vrouwen op 33,0 of op 38,1 jaar hun diagnose kregen. Dat verschil is niet academisch: de richting zou tegengesteld kunnen zijn aan het gangbare verhaal dat vrouwen later een diagnose krijgen. Daarom staat dit cijfer nergens op deze pagina, en zouden wij het ook afraden aan anderen. Een getal waarvan de kolomkop onleesbaar is, is geen getal.
- Zelfrapportage is niet hetzelfde als diagnose In de Gezondheidsenquete van het CBS wordt gevraagd of iemand een autismespectrumstoornis heeft, maar niet expliciet naar een officiele diagnose. Bij kinderen van 4 tot 12 jaar antwoordt de ouder. Volgens VZinfo verklaart dit waarom de zelfgerapporteerde 2,5 procent voor volwassenen en 3,5 procent voor kinderen hoger uitkomt dan de op internationaal onderzoek gebaseerde schatting van ongeveer 1 procent. Wie de 2,5 procent citeert als het aantal Nederlanders met autisme, citeert in werkelijkheid het aantal Nederlanders dat zegt autisme te hebben.
- De huisartsregistratie meet zorgcontact, geen prevalentie VZinfo zegt het zelf: in de huisartsenregistratie worden alle personen meegeteld die in dat jaar contact hebben gehad met de huisarts vanwege de stoornis. Mensen in GGZ-behandeling tellen alleen mee als hun huisarts de diagnose-informatie gecodeerd heeft opgeslagen. Mensen die in dat jaar geen zorg kregen, tellen niet mee. De 396.200 mensen met ADHD-achtige symptomen bij de huisarts in 2024 is dus geen schatting van het aantal mensen met ADHD, en het verschil tussen 24,2 per 1.000 mannen en 19,9 per 1.000 vrouwen kan net zo goed over huisartsbezoek gaan als over ADHD.
- NEMESIS-3 meet de kindertijd retrospectief bij volwassenen De 3,6 procent ADHD in de kindertijd is niet bij kinderen gemeten. Volwassenen van 18 jaar en ouder is gevraagd naar symptomen voor hun twaalfde. Dat dit cijfer per leeftijdsgroep van de ondervraagden varieert, van 6,2 procent bij 35- tot 44-jarigen tot 1,3 procent bij 65-plussers, kan niet komen doordat de kindertijd van 65-plussers is veranderd. Het is een herinnerings- en benoemingseffect. Gebruik dit cijfer dus niet als schatting van ADHD bij kinderen nu.
- De man-vrouwverhouding verschilt per leeftijdsgroep en per meting Een enkele verhouding voor de hele bevolking is misleidend. Bij zelfgerapporteerd autisme is het verschil tussen mannen en vrouwen 3,5 procentpunt bij 15- tot 25-jarigen en 0,3 procentpunt bij 65-plussers, en volgens het CBS zijn er bij 50 jaar en ouder geen verschillen. Bij verstrekte ADHD-middelen is het verschil tussen jongens en meisjes het grootst bij 10- tot 15-jarigen, 7,3 tegen 3,0 procent, en klein bij 20- tot 25-jarigen. Noem dus altijd de leeftijdsgroep en de bron bij een verhouding.
- Overlappende betrouwbaarheidsintervallen zijn geen bewijs van gelijkheid De intervallen rond ADHD bij mannen, 3,0 tot 4,4 procent, en bij vrouwen, 2,1 tot 3,3 procent, overlappen. Dat is geen weerlegging van de mededeling van VZinfo dat de verschillen significant zijn. De toets is uitgevoerd op de odds ratio na correctie voor leeftijd: 0,73 met een interval van 0,55 tot 0,96, volledig onder de 1. Omgekeerd geldt dat de bovengrens van 0,96 dicht bij 1 ligt, dus het verschil is krap significant. Beide nuances horen erbij.
- Een vrijwillig register vertelt niets over prevalentie In het Nederlands Autisme Register was 53 procent van de 782 deelnemers vrouw, terwijl de gediagnosticeerde verhouding wereldwijd op 3 staat tot 1 in het voordeel van mannen ligt. Dat is geen aanwijzing dat autisme vaker bij vrouwen voorkomt. Deelnemers melden zich zelf aan, dus de samenstelling zegt iets over wie meedoet aan onderzoek. Hetzelfde geldt voor alle percentages binnen dat register: ze beschrijven deze 782 mensen, niet alle Nederlanders met autisme.
- Koppen ronden af, tabellen niet Het CBS-bericht heet '3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben'. In de tabel in datzelfde bericht staat als totaal 2,5 procent. Beide zijn correct, maar wie de kop citeert en de tabel niet opent, publiceert een half procentpunt dat er niet staat. Citeer bij voorkeur het tabelcijfer, met het jaar van de meetperiode erbij.
Belangrijkste conclusies
- Alle Nederlandse bronnen meten ADHD en autisme lager bij vrouwen Bevolkingsonderzoek, huisartsregistratie, zelfrapportage en medicatieverstrekking komen alle vier bij vrouwen en meisjes op een lager cijfer uit dan bij mannen en jongens. In NEMESIS-3 is dat verschil na correctie voor leeftijd statistisch significant: odds ratio 0,73 (95% BI 0,55-0,96) voor ADHD in de afgelopen 12 maanden en 0,68 (95% BI 0,53-0,86) voor ADHD in de kindertijd.
- Er bestaat geen Nederlands cijfer voor onderdiagnostiek bij vrouwen Wij hebben in geen enkele geopende Nederlandse officiele bron een getal gevonden voor hoeveel vrouwen met ADHD of autisme niet herkend worden. Wat er wel staat is een kanttekening zonder omvang: de DSM-5 en in navolging daarvan VZinfo melden dat ASS bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt. Wie dat met een percentage onderbouwt, onderbouwt het niet met een Nederlandse bron.
- Het verschil tussen de bronnen groeit met het aantal stappen naar de zorg De verhouding tussen mannen en vrouwen is 1,22 in de huisartsregistratie, 1,37 in het bevolkingsonderzoek bij volwassenen, 1,91 in wat ouders over hun kinderen zeggen en 2,43 bij verstrekte ADHD-middelen aan 10- tot 15-jarigen. Hoe verder van de klacht en hoe dichter bij een formele beslissing, hoe groter het verschil. Dat patroon is een aanwijzing, geen bewijs, en geen van de bronnen rekent het uit.
- Bij autisme ontbreekt de registratielaag in Nederland volledig VZinfo stelt dat er in Nederland geen onderzoek is gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis. Er is dus geen Nederlandse teller van autismediagnoses, alleen een internationale schatting van ongeveer 1 procent en Nederlandse zelfrapportage van 2,5 procent bij volwassenen en 3,5 procent bij kinderen van 4 tot 12 jaar.
- Bij kinderen is het aantal met ADHD officieel onbekend Het NJi stelt dat niet bekend is hoeveel kinderen en jongeren op dit moment ADHD hebben, bij gebrek aan recente Nederlandse onderzoeken of registraties die betrouwbare gegevens kunnen leveren. De beschikbare schattingen lopen uiteen van 2 tot 7 procent volgens de Gezondheidsraad en van 4 tot 13 procent in een meta-analyse, met 5,9 tot 7,1 procent na correctie voor methodologische verschillen.
- De meetmethode kan de man-vrouwverhouding omkeren In het Nederlands Autisme Register, waar deelname een eigen keuze is, was 53 procent van de deelnemers vrouw. In bevolkings- en diagnosecijfers zijn mannen in de meerderheid. Dezelfde aandoening, een andere manier van tellen, een tegengestelde uitkomst. Dat maakt de meetmethode geen detail bij deze cijfers, maar het onderwerp zelf.
- ADHD komt zelden alleen voor Van de mensen met ADHD had 60,5 procent ooit in het leven ook een depressieve stoornis, 32,0 procent ooit een alcoholstoornis en 31,3 procent ooit een gegeneraliseerde angststoornis. In de afgelopen 12 maanden had 31,2 procent van de mensen met ADHD ook een depressieve stoornis. Een enkel percentage over ADHD beschrijft dus zelden iemands volledige situatie.
- Noem bij elk cijfer de bron, het jaar en wat er gemeten is De cijfers op deze pagina verschillen niet omdat een ervan fout is, maar omdat ze verschillende dingen meten: een diagnostisch interview in de bevolking, een zorgcontact bij de huisarts, een antwoord op een enquetevraag, een verstrekt recept. Wie een van deze getallen overneemt zonder dat label, maakt het onbruikbaar.
Methodologie en bronnen
Alle cijfers op deze pagina zijn op 5 en 6 oktober 2026 overgenomen uit bronnen die wij zelf hebben geopend en uitgelezen. Dat gebeurde in de volgende bronnen: VZinfo van het RIVM voor ADHD uit bevolkingsonderzoek en uit de huisartsregistratie van Nivel Zorgregistraties eerste lijn, en voor autismespectrumstoornis; de NEMESIS-pagina's van het Trimbos-instituut voor prevalentie, demografische kenmerken, comorbiditeit en de opzet van meting 1; het CBS-nieuwsbericht over zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis uit de Gezondheidsenquete 2022/2024; de pagina cijfers over ADHD van het Nederlands Jeugdinstituut, die CBS- en Gezondheidsraadcijfers samenvat; en de factsheet 2017 van het Nederlands Autisme Register, die wij als PDF hebben gedownload en lokaal hebben uitgelezen. Voor de tabellen van het Trimbos-instituut, die op de pagina via een interactieve viewer worden weergegeven, hebben wij de onderliggende datapayload uitgelezen om de percentages en de 95%-betrouwbaarheidsintervallen exact te kunnen overnemen in plaats van ze uit een afbeelding af te leiden. Getallen die als berekend zijn gelabeld, met name de verhoudingen tussen mannen en vrouwen en de verschillen in procentpunten, zijn door ons gedeeld of afgetrokken uit twee cijfers die wel in de bron staan; ze staan niet als zodanig in de bronnen. Waar een cijfer op de geopende pagina ontbrak, staat dat in de tabel vermeld in plaats van dat het is aangevuld uit een andere bron. Eén cijfer is bewust weggelaten: de diagnoseleeftijd per geslacht uit figuur 1.5 van de factsheet 2017 van het Nederlands Autisme Register, omdat de kolomlabels niet in de tekstlaag van de PDF staan en wij de drietallen dus niet betrouwbaar aan mannen of vrouwen kunnen toewijzen. De pagina bevat geen cijfers uit secundaire samenvattingen, nieuwsberichten over onderzoek of zoekresultaten.
Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.
Gebruikte bronnen
- CBS Gezondheidsenquete 2022/2024
- NJi, cijfers over ADHD (CBS Gezondheidsenquete 2024)
- Nederlands Autisme Register, factsheet 2017
- RIVM VZinfo, NEMESIS-3 2019-2022
- RIVM VZinfo, Nivel Zorgregistraties eerste lijn 2024
- RIVM VZinfo, over autismespectrumstoornis (CBS StatLine)
- Trimbos-instituut, NEMESIS meting 1 (2019-2022)
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3 comorbiditeit
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3 demografische kenmerken
- Trimbos-instituut, NEMESIS-3 prevalentie
Veelgestelde vragen
Komt ADHD vaker voor bij mannen of bij vrouwen?
Alle Nederlandse meetbronnen komen bij mannen op een hoger cijfer uit. In NEMESIS-3 had 3,7 procent van de mannen en 2,7 procent van de vrouwen ADHD in de afgelopen 12 maanden, met een odds ratio voor vrouwen van 0,73 (95% BI 0,55-0,96) na correctie voor leeftijd. Hoeveel vaker verschilt per bron: de verhouding loopt van 1,22 in de huisartsregistratie tot 2,43 bij verstrekte ADHD-middelen aan 10- tot 15-jarigen. Er is geen enkel getal dat hierop het antwoord is, omdat de bronnen niet hetzelfde meten.
Hoeveel vrouwen met ADHD of autisme worden in Nederland niet herkend?
Dat getal bestaat niet. Wij hebben het in geen enkele geopende Nederlandse officiele bron aangetroffen. Om het te berekenen zou je een maat voor de werkelijke prevalentie nodig hebben die onafhankelijk is van herkenning, en die bestaat in Nederland niet. Wat er wel staat, is een kanttekening zonder omvang: de DSM-5 meldt bij de wereldwijde 3 staat tot 1 verhouding voor gediagnosticeerd autisme dat ASS bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt. VZinfo neemt die kanttekening over, zonder cijfer.
Waarom geven drie Nederlandse bronnen verschillende antwoorden?
Omdat ze verschillende dingen meten. NEMESIS-3 neemt een diagnostisch interview af bij een steekproef uit de bevolking, ongeacht of iemand hulp heeft gezocht. De huisartsregistratie van Nivel telt mensen die in dat jaar contact hadden met de huisarts voor de klacht. De Gezondheidsenquete van het CBS vraagt mensen of zij de aandoening hebben, zonder naar een officiele diagnose te vragen. VZinfo legt zelf uit dat de huisartsregistratie daardoor lager uitkomt dan het bevolkingsonderzoek, en dat de zelfrapportage bij autisme juist hoger uitkomt dan de internationale schatting.
Hoeveel mensen in Nederland hebben autisme?
Dat is niet precies bekend. VZinfo stelt dat er in Nederland geen onderzoek is gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis. Op basis van internationaal prevalentieonderzoek wordt de prevalentie geschat op ongeveer 1 procent van de bevolking. Nederlandse zelfrapportage komt hoger uit: in 2024 2,5 procent voor volwassenen en 3,5 procent voor kinderen van 4 tot 12 jaar, wat volgens VZinfo mede komt doordat in die enquete niet naar een officiele diagnose wordt gevraagd.
Hoeveel kinderen in Nederland hebben ADHD?
Het Nederlands Jeugdinstituut stelt dat dit niet bekend is, omdat er geen recente Nederlandse onderzoeken of registraties zijn die daarover betrouwbare gegevens kunnen leveren. De beschikbare schattingen lopen uiteen: 2 tot 7 procent van alle kinderen volgens de Gezondheidsraad, een wereldwijd gemiddelde van 5,3 procent, en in een meta-analyse 4 tot 13 procent, wat na correctie voor methodologische verschillen 5,9 tot 7,1 procent werd. In 2024 zei 4,7 procent van de ouders van kinderen van 4 tot 12 jaar dat hun kind ADHD of ADD heeft.
Krijgen vrouwen later een autismediagnose dan mannen?
Voor Nederland kunnen wij die vraag niet met een cijfer beantwoorden. De factsheet 2017 van het Nederlands Autisme Register bevat een figuur over de leeftijd van vermoeden en diagnose met drie drietallen getallen, maar de kolomlabels die ze aan mannen of vrouwen toewijzen staan alleen in het beeld en niet in de tekstlaag van de PDF. Wij kunnen dus niet vaststellen welke rij bij wie hoort, en de richting zou tegengesteld kunnen zijn aan wat vaak wordt aangenomen. Wat wel vaststaat voor de hele groep: het vermoeden ontstond gemiddeld op 32,1 jaar, de diagnose volgde gemiddeld op 35,4 jaar, en 89 procent van de deelnemers kreeg de diagnose op 16-jarige leeftijd of later.
Betekent een laag cijfer bij vrouwen dat de klachten er niet zijn?
Nee, en dat is ook niet wat deze cijfers zeggen. Een prevalentiepercentage beschrijft een groep, niet een persoon. De cijfers hier gaan over hoe vaak een aandoening in een bepaalde meting bij een bepaalde groep is vastgesteld, met een onzekerheidsmarge erbij. Ze zeggen niets over wat iemand ervaart, en een individuele situatie is uit groepscijfers niet af te leiden, in welke richting dan ook.
Kan DiversaMente een diagnose ADHD of autisme stellen?
Nee. Deze pagina is bedoeld als cijfermatig overzicht met verifieerbare bronnen, zodat journalisten, beleidsmedewerkers, onderzoekers en geinteresseerden de Nederlandse cijfers naast elkaar kunnen zien en weten wat elk cijfer wel en niet meet. Elk getal op deze pagina is te controleren via de bronvermelding erbij.
Wie deze cijfers verzamelde
Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.
De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.
Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.
Meer cijferoverzichten
- Burn-out bij vrouwen in cijfers
- Wachttijden in de ggz bij ADHD en autisme
- ADHD, autisme en werk in cijfers
- ADHD-medicatie bij vrouwen
- Autisme bij vrouwen in cijfers
- Hulp zoeken bij psychische klachten in cijfers
- Mantelzorg en dubbele belasting in cijfers
- Meisjes en jonge vrouwen in cijfers
- Mentale gezondheid in cijfers
- Overgang en werk in cijfers
- Psychologen in Nederland in cijfers
- Slaapproblemen bij vrouwen in cijfers
- Van huisarts tot arbeidsongeschiktheid in cijfers
- Verzuim door psychische klachten in cijfers
- Kosten van de ggz
- Wat psychische hulp zelf kost in cijfers
- Werkdruk en werkstress in cijfers
- Zelfstandigen en burn-out in cijfers