DiversaMente › Cijfers › Autisme bij vrouwen in cijfers
CijferoverzichtAutisme bij vrouwen in cijfers: wat elke meetbron apart meet
De man-vrouwverhouding bij autisme staat in bijna elk artikel als een enkel getal, meestal 3 staat tot 1. In de cijfers bestaat dat ene getal niet. Zelfrapportage in de Gezondheidsenquete, een vrijwillig register en een landelijke zorgregistratie komen alle drie op een andere verhouding uit, en bij twee van de drie is de verhouding de afgelopen jaren verschoven. Op deze pagina staan die metingen naast elkaar, met bij elk getal het meetinstrument, de groep en het meetjaar. Daarnaast staat wat er in het Nederlands Autisme Register is gemeten over eerdere diagnoses, bijkomende diagnoses en welzijn, uitgesplitst naar geslacht.
Samengesteld door DiversaMente, praktijk voor psychologische begeleiding in Haarlem. Elk cijfer hieronder heeft een uitgever, een meetjaar en een klikbare bron.
1,8 : 1mannen tegen vrouwen, zelfrapportage 2024
In 2024 gaf 3,6 procent van de mannen en 2,0 procent van de vrouwen van vier jaar of ouder aan een autismespectrumstoornis te hebben, een verhouding van 1,8 staat tot 1. In 2022 was diezelfde verhouding nog 2,4 staat tot 1.
58%aandeel vrouwen onder volwassen deelnemers, 2020
In het Nederlands Autisme Register was 58 procent van de volwassen deelnemers in 2020 vrouw. In hetzelfde register werd over kinderen in 2020 in 80 procent van de gevallen een jongen aangemeld.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
31,7%vrouwen met autisme, registermeting 2019, n=637
Van de vrouwen met autisme in het Nederlands Autisme Register gaf 31,7 procent aan minstens een psychiatrische diagnose van voor de autismediagnose als onjuist te ervaren, tegenover 16,7 procent van de mannen.
51,5%vrouwen met autisme, registermeting 2019, n=637
Van de vrouwen met autisme had 51,5 procent op het moment van de meting minstens een bijkomende psychiatrische diagnose, tegenover 35,7 procent van de mannen.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register, n=1.104
Dezelfde vraag, zes metingen, zes verhoudingen
De vraag hoeveel vaker autisme bij mannen voorkomt dan bij vrouwen heeft geen enkel antwoord, omdat de bronnen niet hetzelfde meten. Zelfrapportage meet wie zegt een diagnose te hebben. Een vrijwillig register meet wie zich aanmeldt. Een zorgregistratie meet wie een diagnose kreeg van een behandelaar. Hieronder staan de metingen naast elkaar, met de eenheid die elke bron gebruikt.
3 : 1wereldwijd, gediagnosticeerde ASS
Wereldwijd lijkt de verhouding tussen mannen en vrouwen met een gediagnosticeerde autismespectrumstoornis 3 staat tot 1 te zijn, waarbij VZinfo de kanttekening maakt dat autisme bij meisjes en vrouwen minder vaak herkend wordt.
Bron: VZinfo (RIVM), Autismespectrumstoornis, over autismespectrumstoornis
ongeveer 1%schatting voor de Nederlandse bevolking
Er is in Nederland geen onderzoek gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis. Op basis van internationaal prevalentieonderzoek wordt de prevalentie geschat op ongeveer 1 procent van de bevolking.
Bron: VZinfo (RIVM), Autismespectrumstoornis, over autismespectrumstoornis
0,7 : 1volwassen deelnemers aan het Nederlands Autisme Register, 2020
In het Nederlands Autisme Register stonden in 2020 meer vrouwen dan mannen ingeschreven: 58 procent vrouwen tegen 42 procent mannen, een verhouding van 0,7 staat tot 1.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
2,8 : 1kinderen die in het register zijn aangemeld, 2022
Over kinderen gaat het in hetzelfde register in 74 procent van de gevallen om een jongen en in 26 procent om een meisje, een verhouding van 2,8 staat tot 1.
1,6man-vrouwverhouding over 35 jaar, Zweden
In een Zweeds geboortecohort van 2.756.779 personen was de man-vrouwverhouding voor nieuwe autismediagnoses over de hele periode 1,6 met een betrouwbaarheidsinterval van 1,6 tot 1,7.
1 januari 2017ingangsdatum DSM-5 in Nederland
Sinds de ingebruikname van de DSM-5 op 1 januari 2017 worden autistische stoornis, het syndroom van Asperger en PDD-NOS in Nederland niet meer als aparte diagnosen gesteld, maar vallen zij onder de ene noemer autismespectrumstoornis.
Bron: VZinfo (RIVM), Autismespectrumstoornis, over autismespectrumstoornis
Autisme bij mannen en vrouwen volgens zes metingen. De eenheid verschilt per rij, dus de verhoudingen in de laatste kolom zijn onderling niet zonder meer vergelijkbaar.
| Meting | Wat er feitelijk gemeten is | Mannen of jongens | Vrouwen of meisjes | Verhouding (berekend) |
|---|---|---|---|---|
| CBS Gezondheidsenquete 2024, 4 jaar en ouder | zegt zelf een ASS-diagnose te hebben | 3,6% | 2,0% | 1,8 : 1 |
| CBS Gezondheidsenquete 2022, 4 jaar en ouder | zegt zelf een ASS-diagnose te hebben | 3,4% | 1,4% | 2,4 : 1 |
| CBS Gezondheidsenquete, kinderen 0 tot 12 jaar, 3-jaarsgemiddelde 2022 | ouder zegt dat het kind ASS heeft | 4,3% | 1,5% | 2,9 : 1 |
| Nederlands Autisme Register, volwassen deelnemers 2020 | meldt zich vrijwillig aan bij een register | 42% | 58% | 0,7 : 1 |
| Nederlands Autisme Register, kinderen 2022 | wordt door een ouder aangemeld | 74% | 26% | 2,8 : 1 |
| Zweeds geboortecohort 1985-2020, alle leeftijden | kreeg een ASS-diagnose in de zorgregistratie | 173,8 per 100.000 | 106,9 per 100.000 | 1,6 : 1 |
| Zweeds geboortecohort, diagnose op 15 tot 19 jaar in 2020-2022 | kreeg een ASS-diagnose in de zorgregistratie | 400,0 per 100.000 | 602,6 per 100.000 | 0,7 : 1 |
| Internationale schatting via de DSM-5 | heeft een gediagnosticeerde ASS | niet apart gegeven | niet apart gegeven | 3 : 1 |
De laatste kolom is een deling van de twee kolommen ervoor en staat in geen van de bronnen als zodanig. Voor Nederland bestaat geen landelijke zorgregistratie van autismediagnoses, en daarom ontbreekt in deze tabel de rij die bij ADHD wel te vullen is.
Per los meetjaar loopt het verschil terug
Het CBS publiceert de zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis meestal als een driejaarsgemiddelde, bijvoorbeeld 2022/2024. Die vorm verbergt de beweging. Hieronder staan de drie losse meetjaren uit dezelfde tabel, elk met het 95 procent-betrouwbaarheidsinterval dat het CBS erbij levert.
1,4 naar 2,0vrouwen van 4 jaar en ouder, 2022 naar 2024
Het percentage vrouwen dat zegt een autismespectrumstoornis te hebben liep op van 1,4 procent in 2022 naar 1,6 procent in 2023 en 2,0 procent in 2024.
3,4 naar 3,6mannen van 4 jaar en ouder, 2022 naar 2024
Bij mannen bleef het percentage vrijwel gelijk: 3,4 procent in 2022, 3,1 procent in 2023 en 3,6 procent in 2024.
2,8%totale bevolking van 4 jaar en ouder, 2024
Over de hele bevolking van vier jaar en ouder kwam het percentage in 2024 uit op 2,8 procent, met een betrouwbaarheidsinterval van 2,4 tot 3,2 procent, tegen 2,4 procent in 2022 en 2023.
2,5%18 jaar en ouder, 2024
Onder volwassenen van 18 jaar en ouder steeg het percentage van 2,1 procent in 2022 naar 2,5 procent in 2024, met een betrouwbaarheidsinterval van 2,2 tot 3,0 procent.
2,5%driejaarsgemiddelde 2022/2024, 4 jaar en ouder
Het driejaarsgemiddelde over 2022/2024 komt uit op 2,5 procent, met 3,4 procent bij mannen en 1,7 procent bij vrouwen, oftewel ongeveer 280 duizend mannen en 140 duizend vrouwen.
Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (2 april 2025)
tot en met 2023oude vraagstelling in de Gezondheidsenquete
Tot en met 2023 luidde de vraag of iemand een autismespectrumstoornis heeft, zoals het syndroom van Asperger of PDD-NOS. Vanaf 2024 zijn die twee voorbeelden uit de vraag geschrapt.
Bron: CBS, begripsomschrijving autismespectrumstoornis (ASS) bij het nieuwsbericht van 2 april 2025
Zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis bij personen van 4 jaar en ouder per los meetjaar, met 95 procent-betrouwbaarheidsinterval tussen haakjes.
| Meetjaar | Totaal | Mannen | Vrouwen | Verhouding (berekend) |
|---|---|---|---|---|
| 2022 | 2,4% (2,1 tot 2,8) | 3,4% (2,9 tot 4,1) | 1,4% (1,1 tot 1,8) | 2,4 : 1 |
| 2023 | 2,4% (2,1 tot 2,7) | 3,1% (2,6 tot 3,7) | 1,6% (1,3 tot 2,0) | 1,9 : 1 |
| 2024 | 2,8% (2,4 tot 3,2) | 3,6% (3,1 tot 4,2) | 2,0% (1,6 tot 2,4) | 1,8 : 1 |
De vraagstelling is tussen 2023 en 2024 gewijzigd. De stijging bij vrouwen van 1,6 naar 2,0 procent valt daarmee samen met een wijziging van het meetinstrument, en kan dus niet zonder meer als een inhoudelijke toename worden gelezen. De betrouwbaarheidsintervallen van mannen en vrouwen overlappen in geen van de drie jaren.
Zelfgerapporteerd autisme is vooral een cijfer van jonge mensen
Het percentage dat zegt een autismespectrumstoornis te hebben loopt sterk uiteen per leeftijdsgroep, en de hoogste percentages staan bij de jongste groepen. Dat is geen uitspraak over hoe vaak autisme voorkomt, maar over hoe vaak een diagnose is gesteld en gerapporteerd in die generatie.
6,9%16- tot 20-jarigen, 2024
De hoogste score in 2024 staat bij 16- tot 20-jarigen: 6,9 procent, met een betrouwbaarheidsinterval van 4,8 tot 9,9 procent.
5,8%20- tot 30-jarigen, 2024
Bij 20- tot 30-jarigen steeg het percentage drie jaar op rij, van 4,4 procent in 2022 naar 4,8 en vervolgens 5,8 procent in 2024.
0,5%75 jaar en ouder, 2024
Bij mensen van 75 jaar en ouder gaf 0,5 procent aan een autismespectrumstoornis te hebben, bijna veertien keer zo weinig als bij 16- tot 20-jarigen.
4,4%laagste inkomensgroep, 2024
In de laagste inkomensgroep van 20 procent gaf 4,4 procent aan een autismespectrumstoornis te hebben, tegen 1,9 procent in de hoogste inkomensgroep.
7,6%alleenstaanden jonger dan 40 jaar, 2024
Van de alleenstaanden onder de 40 jaar gaf 7,6 procent aan een autismespectrumstoornis te hebben, het hoogste percentage van alle huishoudposities.
0,6%partner in een paar van 65 jaar en ouder, 2024
Bij partners in een paar van 65 jaar of ouder zonder kind thuis gaf 0,6 procent aan een autismespectrumstoornis te hebben, het laagste percentage van alle huishoudposities.
Zelfgerapporteerde autismespectrumstoornis per leeftijdsgroep, per los meetjaar, personen van 4 jaar en ouder.
| Leeftijdsgroep | 2022 | 2023 | 2024 | 95%-interval 2024 |
|---|---|---|---|---|
| 4 tot 12 jaar | 2,2% | 3,2% | 3,5% | 2,4 tot 5,1 |
| 12 tot 16 jaar | 6,0% | 4,4% | 4,1% | 2,7 tot 6,4 |
| 12 tot 18 jaar | 6,9% | 5,2% | 4,7% | 3,3 tot 6,6 |
| 16 tot 20 jaar | 6,8% | 4,9% | 6,9% | 4,8 tot 9,9 |
| 20 tot 30 jaar | 4,4% | 4,8% | 5,8% | 4,5 tot 7,5 |
| 30 tot 40 jaar | 2,9% | 3,3% | 2,7% | 1,9 tot 3,9 |
| 40 tot 50 jaar | 2,5% | 1,5% | 2,8% | 1,9 tot 4,1 |
| 50 tot 55 jaar | 1,8% | 0,7% | 2,3% | 1,4 tot 3,9 |
| 55 tot 65 jaar | 1,0% | 1,2% | 1,2% | 0,7 tot 2,0 |
| 65 tot 75 jaar | 0,3% | 0,8% | 0,5% | 0,2 tot 1,1 |
| 75 jaar en ouder | 0,3% | 0,6% | 0,5% | 0,2 tot 1,3 |
| 18 jaar en ouder | 2,1% | 2,0% | 2,5% | 2,2 tot 3,0 |
De leeftijdsgroepen 12 tot 16 jaar en 12 tot 18 jaar overlappen elkaar, net als 16 tot 20 jaar. Het CBS publiceert beide indelingen in dezelfde tabel. De rij 18 jaar en ouder is geen som van de rijen erboven.
Bij kinderen schuift de verhouding niet mee
Over kinderen tot 12 jaar antwoordt een ouder. Het CBS publiceert die reeks vanaf 2014, en ook als driejaarsgemiddelde, omdat de losse jaren op te weinig waarnemingen rusten. De driejaarsgemiddelden staan hieronder.
4,3% tegen 1,5%jongens tegen meisjes, 0 tot 12 jaar, 3-jaarsgemiddelde 2022
Volgens ouders heeft 4,3 procent van de jongens en 1,5 procent van de meisjes tot 12 jaar een autismespectrumstoornis, een verhouding van 2,9 staat tot 1.
1,5 en 1,5meisjes 0 tot 12 jaar, 3-jaarsgemiddelden 2014 en 2022
Bij meisjes is het driejaarsgemiddelde over negen jaar niet veranderd: 1,5 procent in 2014 en 1,5 procent in 2022, met 1,2 procent als laagste punt in 2020.
5,7%jongens 8 tot 12 jaar, 3-jaarsgemiddelde 2022
De hoogste score staat bij jongens van 8 tot 12 jaar: 5,7 procent, tegen 2,9 procent bij jongens van 4 tot 8 jaar.
0,0%meisjes 4 tot 8 jaar, los meetjaar 2021
In het losse meetjaar 2021 kwam het percentage bij meisjes van 4 tot 8 jaar uit op 0,0 procent, en in 2024 op 0,7 procent met een betrouwbaarheidsinterval van 0,1 tot 5,0 procent.
5,0%jongens 0 tot 12 jaar, los meetjaar 2024
In het losse meetjaar 2024 gaven ouders bij 5,0 procent van de jongens en 1,9 procent van de meisjes tot 12 jaar een autismespectrumstoornis op.
2,9 tot 9,795%-interval jongens 4 tot 8 jaar, 2024
Het betrouwbaarheidsinterval bij jongens van 4 tot 8 jaar liep in 2024 van 2,9 tot 9,7 procent, meer dan drie keer zo breed als de puntschatting zelf suggereert.
Autismespectrumstoornis volgens ouders bij kinderen van 0 tot 12 jaar, driejaarsgemiddelden. Het jaartal is het laatste jaar van het driejaarsvenster.
| Driejaarsgemiddelde | Totaal | Jongens | Meisjes | Verhouding (berekend) |
|---|---|---|---|---|
| 2014 | 2,8% | 4,1% | 1,5% | 2,7 : 1 |
| 2015 | 2,7% | 4,2% | 1,3% | 3,2 : 1 |
| 2016 | 2,8% | 4,2% | 1,4% | 3,0 : 1 |
| 2017 | 2,9% | 4,4% | 1,4% | 3,1 : 1 |
| 2018 | 2,9% | 4,4% | 1,3% | 3,4 : 1 |
| 2019 | 3,1% | 4,8% | 1,3% | 3,7 : 1 |
| 2020 | 2,5% | 3,6% | 1,2% | 3,0 : 1 |
| 2021 | 2,9% | 4,2% | 1,4% | 3,0 : 1 |
| 2022 | 3,0% | 4,3% | 1,5% | 2,9 : 1 |
Bij de kinderen is de verhouding in negen jaar tussen 2,7 en 3,7 staat tot 1 gebleven, zonder richting. Bij de volwassenen uit de vorige tabel liep de verhouding in twee jaar van 2,4 naar 1,8 staat tot 1. De twee reeksen komen uit twee verschillende enquetes met twee verschillende respondenten.
In het register staan meer vrouwen dan mannen
Het Nederlands Autisme Register bestaat sinds 2013 en wordt gevuld door mensen die zich er zelf voor aanmelden. Het is geen prevalentiemeting en bevat volgens de onderzoekers ongeveer 1 procent van de Nederlandse autistische bevolking. Juist omdat deelname vrijwillig is, laat het register zien wie zich meldt, en dat beeld staat haaks op de zorgcijfers.
1.614deelnemers aan de jaarlijkse vragenlijst, 2023
In 2023 vulden 1.614 mensen de jaarlijkse vragenlijst van het register in. Van hen was 82 procent een volwassene met autisme die over zichzelf rapporteert; de rest bestaat uit ouders of verzorgers die over hun kind rapporteren en wettelijk vertegenwoordigers van volwassenen met een zware zorgbehoefte.
Bron: Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
ongeveer 1%dekking van het register
Ongeveer 1 procent van de Nederlandse autistische bevolking is in het register vertegenwoordigd, dat gegevens bevat van rond de 3.500 personen.
58,0% tegen 36,4%hbo of universiteit, register tegen Nederlandse bevolking, 2023
Van de deelnemers aan het register heeft 58,0 procent een afgeronde opleiding op hbo- of universitair niveau, tegen 36,4 procent in de Nederlandse bevolking volgens het CBS.
Bron: Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
41,9 jaargemiddelde leeftijd deelnemers, 2023
De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 41,9 jaar, met de jongste deelnemer van 4 en de oudste van 86 jaar.
Bron: Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
47,4% tegen 58,4%samenwonend, register tegen Nederlandse bevolking, 2023
Van de deelnemers aan het register woont 47,4 procent samen met iemand, tegen 58,4 procent in de Nederlandse bevolking.
Bron: Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
3,3% tegen 25,2%migratieachtergrond, register tegen Nederlandse bevolking, 2023
Van de deelnemers heeft 3,3 procent een migratieachtergrond, tegen 25,2 procent in de Nederlandse bevolking volgens het CBS.
Bron: Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
8% tegen 0,4%vrijstelling van onderwijs, kinderen in het register tegen vergelijkingsgroep, 2021
Van de kinderen in het register had 8 procent een vrijstelling van de onderwijsplicht, tegen 0,4 procent in de vergelijkbare groep uit de algemene bevolking.
56% tegen 5%speciaal onderwijs, kinderen in het register tegen vergelijkingsgroep, 2022
Van de kinderen in het register zat 56 procent in het speciaal onderwijs, tegen 5 procent in de vergelijkbare groep uit de algemene bevolking.
Samenstelling van de deelnemersgroepen van het Nederlands Autisme Register per meetjaar, voor de deelnemers van wie geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en geboorteland bekend zijn.
| Meetjaar | Aandeel vrouwen onder volwassen deelnemers | Gemiddelde leeftijd volwassenen | Aandeel hoogopgeleid | Aandeel jongens onder aangemelde kinderen |
|---|---|---|---|---|
| 2016 | 53% | 42 jaar | 51% | niet gemeten |
| 2017 | 54% | 45 jaar | 53% | niet gemeten |
| 2018 | 56% | 45 jaar | 55% | niet gemeten |
| 2019 | 56% | 46 jaar | 59% | 79% |
| 2020 | 58% | 47 jaar | 58% | 80% |
| 2021 | 56% | 50 jaar | 62% | 76% |
| 2022 | 57% | 47 jaar | 64% | 74% |
De percentages gelden per jaar voor de deelnemers met complete achtergrondgegevens, en wijken daarom licht af van de totalen in de jaarrapportages. Het aandeel vrouwen onder volwassenen en het aandeel jongens onder kinderen komen uit hetzelfde register in hetzelfde jaar. Voor 2020 geven de twee onderwijsbestanden van het dashboard twee uitkomsten voor het aandeel jongens: 80 procent in het bestand over regulier en speciaal onderwijs en 79 procent in het bestand over onderwijsvrijstelling, omdat de groep met complete gegevens per onderwerp verschilt. In de tabel staat 80 procent, de uitkomst uit het bestand waaruit ook de cijfers voor 2021 en 2022 komen.
Wat er eerder werd vastgesteld, en wat deelnemers daarvan vinden
In de vijfde meetronde van het register, in de eerste helft van 2019, kregen 1.211 volwassen deelnemers twee vragen: of zij voor hun autismediagnose andere psychiatrische diagnoses hadden gekregen, en of zij die diagnoses juist vonden. De groep bestond uit 637 vrouwen (52,6 procent) en 574 mannen (47,4 procent). Het gaat om het oordeel van de deelnemer zelf, niet om een klinische herbeoordeling.
42,9%volwassenen met autisme, n=1.211, meting 2019
Van de deelnemers had 42,9 procent, oftewel 520 personen, minstens een psychiatrische diagnose gekregen voordat de autismediagnose werd gesteld.
53,7% tegen 31,0%vrouwen tegen mannen, eerdere diagnose
Van de vrouwen had 53,7 procent minstens een eerdere psychiatrische diagnose, tegen 31,0 procent van de mannen, met een odds ratio van 2,62 en een betrouwbaarheidsinterval van 2,00 tot 3,43 na correctie voor leeftijd, herkomst, huishoudinkomen en opleidingsniveau.
24,6%volwassenen met autisme, n=1.211
Een kwart van alle deelnemers, 298 personen, ervaart minstens een van die eerdere diagnoses als onjuist.
2,19odds ratio vrouwen tegen mannen, 95%-interval 1,62 tot 2,69
De kans dat een deelnemer minstens een eerdere diagnose als onjuist ervaart is bij vrouwen 2,19 keer zo groot als bij mannen, na correctie voor leeftijd, herkomst, huishoudinkomen en opleidingsniveau.
0,50 tegen 0,25gemiddeld aantal als onjuist ervaren diagnoses, vrouwen tegen mannen
Vrouwen noemen gemiddeld 0,50 eerdere diagnoses als onjuist en mannen 0,25, met een gemiddelde van 0,38 over de hele groep en een spreiding van 0 tot 7.
15% en 6,4%een respectievelijk twee als onjuist ervaren diagnoses
Van de hele groep noemt 15 procent een eerdere diagnose als onjuist, 6,4 procent twee en 2,5 procent drie of meer.
p = 0,492binnen de groep met een eerdere diagnose, n=520
Binnen de groep die al een eerdere diagnose had, is er geen verschil tussen mannen en vrouwen in de kans dat die diagnose als onjuist wordt ervaren. Het verschil zit in wie eerder een diagnose kreeg.
Eerdere psychiatrische diagnoses die deelnemers als onjuist ervaren, naar geslacht. De percentages gelden ten opzichte van alle 574 mannen respectievelijk alle 637 vrouwen in de meting van 2019.
| Als onjuist ervaren eerdere diagnose | Mannen (n=574) | Vrouwen (n=637) | Totaal (n=1.211) | Odds ratio vrouwen (95%-interval) |
|---|---|---|---|---|
| Persoonlijkheidsstoornis | 35 (6,1%) | 114 (17,9%) | 149 (12,3%) | 3,50 (2,35 tot 5,23) |
| Angststoornis | 25 (4,4%) | 55 (8,6%) | 80 (6,6%) | 2,22 (1,36 tot 3,64) |
| Stemmingsstoornis | 22 (3,8%) | 53 (8,3%) | 75 (6,2%) | 2,57 (1,52 tot 4,32) |
| Chronischevermoeidheidssyndroom of burn-out | 21 (3,7%) | 28 (4,4%) | 49 (4,0%) | 1,41 (0,74 tot 2,71) |
| ADHD of ADD | 18 (3,1%) | 16 (2,5%) | 34 (2,8%) | 0,79 (0,40 tot 1,57) |
| PTSS of ander trauma | 3 (0,5%) | 13 (2,0%) | 16 (1,3%) | niet berekend |
| Fibromyalgie | 2 (0,3%) | 6 (0,9%) | 8 (0,7%) | niet berekend |
| Eetstoornis | 0 (0,0%) | 2 (0,3%) | 2 (0,2%) | niet berekend |
| Verslaving | 1 (0,2%) | 0 (0,0%) | 1 (0,1%) | niet berekend |
| Oppositioneel of antisociaal gedrag | 0 (0,0%) | 1 (0,2%) | 1 (0,1%) | niet berekend |
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 3, Nederlands Autisme Register, n=1.211
Voor de onderste vijf rijen is geen odds ratio berekend, omdat het aantal gevallen daarvoor te klein is. De odds ratio in de laatste kolom is de ruwe waarde uit tabel 3 en wijkt af van de odds ratio in de lopende tekst van hetzelfde artikel, die gecorrigeerd is voor leeftijd, herkomst, inkomen en opleiding. Voor persoonlijkheidsstoornissen is dat 3,50 ongecorrigeerd en 2,87 gecorrigeerd.
Gelijke gemiddelden, verschillende verdelingen
De gemiddelde leeftijd waarop de autismediagnose werd gesteld verschilt in dit register niet tussen mannen en vrouwen. De verdeling erachter verschilt wel sterk, en dat is precies waarom een gemiddelde hier misleidt.
32,1 tegen 31,9 jaargemiddelde leeftijd bij de autismediagnose, mannen tegen vrouwen
De gemiddelde leeftijd bij de autismediagnose was 32,1 jaar bij mannen en 31,9 jaar bij vrouwen. Het verschil is niet significant, met een toetswaarde van 0,19 en een p-waarde van 0,849.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
31,0% tegen 19,5%diagnose voor het achttiende jaar, mannen tegen vrouwen
Van de mannen kreeg 31,0 procent de autismediagnose voor het achttiende jaar, tegen 19,5 procent van de vrouwen.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
37,2% tegen 14,6%diagnose tussen 18 en 35 jaar, vrouwen tegen mannen
Van de vrouwen kreeg 37,2 procent de diagnose tussen 18 en 35 jaar, tegen 14,6 procent van de mannen. Na het 45e jaar is de verhouding omgekeerd: 33,7 procent van de mannen tegen 21,6 procent van de vrouwen.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
p < 0,001na correctie voor huidige leeftijd
Na correctie voor het verschil in huidige leeftijd tussen de mannen en vrouwen in de steekproef kregen vrouwen de autismediagnose wel op latere leeftijd dan mannen, met een toetswaarde van 40,02 en een p-waarde onder 0,001.
43,3 tegen 41,3 jaarhuidige leeftijd deelnemers, mannen tegen vrouwen
De mannen in deze meting waren gemiddeld 43,3 jaar en de vrouwen gemiddeld 41,3 jaar, met een gemiddelde van 42,3 jaar over de hele groep en een spreiding van 16 tot 85 jaar.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
29,0 tegen 27,4 jaarleeftijd waarop autisme voor het eerst werd overwogen, vrouwen tegen mannen
Autisme werd bij vrouwen gemiddeld voor het eerst overwogen op 29,0 jaar en bij mannen op 27,4 jaar, met een gemiddelde van 28,2 jaar.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
3,3 tegen 4,2 jaartijd tussen eerste vermoeden en diagnose, vrouwen tegen mannen
Tussen het eerste vermoeden en de formele autismediagnose zat bij vrouwen gemiddeld 3,3 jaar en bij mannen 4,2 jaar, met 3,7 jaar over de hele groep.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
3,8% tegen 7,7%verstandelijke beperking, vrouwen tegen mannen
Van de vrouwen in deze meting had 3,8 procent een verstandelijke beperking en van de mannen 7,7 procent, met 5,6 procent over de hele groep.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
Leeftijd waarop de autismediagnose werd gesteld, volwassen deelnemers aan het Nederlands Autisme Register, meting 2019 (n=1.104).
| Leeftijd bij de autismediagnose | Mannen (aantal) | Mannen (%) | Vrouwen (aantal) | Vrouwen (%) |
|---|---|---|---|---|
| Jonger dan 18 jaar | 159 | 31,0% | 115 | 19,5% |
| 18 tot 24 jaar | 25 | 4,9% | 83 | 14,0% |
| 25 tot 34 jaar | 50 | 9,7% | 137 | 23,2% |
| 35 tot 44 jaar | 106 | 20,7% | 128 | 21,7% |
| 45 tot 54 jaar | 112 | 21,8% | 90 | 15,2% |
| 55 jaar of ouder | 61 | 11,9% | 38 | 6,4% |
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
De percentages per kolom tellen bij de mannen en bij de vrouwen elk op tot 100 procent. De deelnemers zijn 16 jaar of ouder op het moment van hun eerste deelname, dus iedereen die als kind een diagnose kreeg is hier als volwassene geteld.
Bijkomende diagnoses op het moment van de meting
Naast de eerdere diagnoses is gevraagd naar diagnoses die op het moment van de meting nog golden. Daarnaast meet het register de autismekenmerken zelf met de AQ-Short, een vragenlijst van 28 vragen met een totaalscore van 28 tot 112.
51,5% tegen 35,7%vrouwen tegen mannen, minstens een bijkomende diagnose
Van de vrouwen had 51,5 procent op het moment van de meting minstens een bijkomende psychiatrische diagnose, oftewel 328 van de 637, tegen 35,7 procent van de mannen, oftewel 205 van de 574.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
44,0%alle volwassen deelnemers, n=1.211
Over de hele groep had 44,0 procent minstens een bijkomende diagnose, oftewel 533 personen. Daarnaast gaf 51,1 procent aan er geen te hebben en 4,9 procent wist het niet.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register
83,6 tegen 82,9AQ-Short-totaalscore, vrouwen tegen mannen
Op de AQ-Short scoren vrouwen gemiddeld 83,6 punten en mannen 82,9 punten op een schaal van 28 tot 112. Het verschil is niet significant, met een p-waarde van 0,273.
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
82,3% tegen 69,9%vrouwen tegen mannen met ASS, 12 jaar en ouder, 2022/2024
In de Gezondheidsenquete had 82,3 procent van de vrouwen met een autismespectrumstoornis in de voorgaande vier weken angst- of depressiegevoelens, tegen 69,9 procent van de mannen met ASS en 48,3 procent van de vrouwen zonder ASS.
Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (2 april 2025)
3,7% tegen 8,1%werkloos, vrouwen tegen mannen met ASS, 25 tot 65 jaar
Van de vrouwen met een autismespectrumstoornis omschreef 3,7 procent zich als werkloos en van de mannen 8,1 procent, terwijl bij arbeidsongeschiktheid de verhouding omgekeerd is: 26,4 procent van de vrouwen tegen 20,6 procent van de mannen.
Bron: CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (2 april 2025)
70 tot 80%internationale schatting, autistische volwassenen
Internationaal wordt geschat dat 70 tot 80 procent van de autistische volwassenen ook aan de criteria van minstens een andere psychiatrische aandoening voldoet, een hoger aandeel dan de 44,0 procent die in dit register een bijkomende diagnose rapporteert.
Gemiddelde scores op de AQ-Short en de onderliggende onderdelen, volwassen deelnemers aan het Nederlands Autisme Register, meting 2019 (n=1.050).
| Onderdeel van de AQ-Short | Mannen | Vrouwen | Alle deelnemers |
|---|---|---|---|
| Totaalscore (schaal 28 tot 112) | 82,9 | 83,6 | 83,3 |
| Sociale vaardigheden | 21,2 | 21,7 | 21,5 |
| Routine | 12,1 | 12,7 | 12,4 |
| Omschakelen | 13,1 | 13,2 | 13,2 |
| Voorstellingsvermogen | 22,9 | 22,9 | 22,9 |
| Cijfers en patronen | 13,7 | 13,1 | 13,4 |
| Sociaal gedrag | 60,5 | 61,7 | 61,2 |
Bron: Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 2, Nederlands Autisme Register
Een hogere score betekent dat iemand meer autismekenmerken bij zichzelf herkent. De onderdelen tellen niet op tot de totaalscore: sociaal gedrag en cijfers en patronen zijn de twee hoofdfactoren, de vier onderdelen daarboven zijn daar deelscores van.
Welzijn en werk vergeleken met een gematchte groep
Het register en het CBS hebben de deelnemers vergeleken met een groep uit de algemene bevolking die op leeftijd, verdeling man en vrouw, opleidingsniveau en geboorteland op de deelnemers lijkt. Daardoor is het verschil tussen de twee groepen niet toe te schrijven aan die kenmerken. De cijfers hieronder zijn rapportcijfers van 1 tot 10 uit de meting van 2020.
6,2 tegen 7,8tevredenheid met het leven, vrouwen met autisme tegen vergelijkingsgroep, 2020
Vrouwen met autisme gaven hun leven in 2020 een 6,2, terwijl de vrouwen in de gematchte vergelijkingsgroep een 7,8 gaven.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
6,3 tegen 7,7tevredenheid met de psychische gezondheid, vrouwen met autisme tegen vergelijkingsgroep, 2020
Voor hun psychische gezondheid gaven vrouwen met autisme een 6,3 en de vrouwen in de vergelijkingsgroep een 7,7.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
6,2 tegen 6,6lichamelijke gezondheid, vrouwen tegen mannen met autisme, 2020
Binnen de groep met autisme gaven vrouwen hun lichamelijke gezondheid een 6,2 en mannen een 6,6. Dat verschil komt in elk van de vijf meetjaren terug.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
5,9 naar 6,2tevredenheid met het leven, deelnemers met autisme, 2016 naar 2020
Over vijf meetjaren liep het rapportcijfer voor het leven bij de deelnemers met autisme op van 5,9 in 2016 naar 6,2 in 2020, terwijl de vergelijkingsgroep tussen 7,6 en 7,8 bleef.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
60% tegen 77%betaald werk, deelnemers met autisme tegen vergelijkingsgroep, 2022
Van de deelnemers met autisme had 60 procent betaald werk, tegen 77 procent in de gematchte vergelijkingsgroep. In 2019 was dat nog 51 procent tegen 78 procent.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
57% tegen 18%huishoudinkomen onder 40.000 euro, deelnemers met autisme tegen vergelijkingsgroep, 2021
Van de deelnemers met autisme had 57 procent een huishoudinkomen onder de 40.000 euro, tegen 18 procent in de vergelijkingsgroep. Boven de 70.000 euro is de verhouding 13 procent tegen 62 procent.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand inkomen.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
41%alleen wonend, deelnemers met autisme, 2021
Van de deelnemers met autisme woonde 41 procent alleen in 2021.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand inkomen.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
31% tegen 55%gehuwd, deelnemers met autisme tegen vergelijkingsgroep, 2020
Van de deelnemers met autisme was 31 procent gehuwd, tegen 55 procent in de vergelijkingsgroep. In 2016 had 50 procent van de deelnemers een vaste partner, tegen 78 procent in de vergelijkingsgroep.
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand relaties.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
Rapportcijfers van 1 tot 10 voor vijf levensgebieden in 2020, deelnemers met autisme tegenover een op leeftijd, geslacht, opleiding en geboorteland gematchte groep uit de algemene bevolking.
| Tevredenheid met | Vrouwen met autisme | Mannen met autisme | Vrouwen vergelijkingsgroep | Mannen vergelijkingsgroep |
|---|---|---|---|---|
| Het leven als geheel | 6,2 | 6,2 | 7,8 | 7,7 |
| Werk of dagbesteding | 6,7 | 7,0 | 7,7 | 7,7 |
| De lichamelijke gezondheid | 6,2 | 6,6 | 7,0 | 7,1 |
| De psychische gezondheid | 6,3 | 6,6 | 7,7 | 8,0 |
| Het sociale leven | 6,6 | 6,5 | 7,6 | 7,6 |
Bron: Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
De vergelijkingsgroep komt uit het CBS-onderzoek Sociale samenhang en welzijn en de Basisregistratie Personen. De deelnemers aan het register zijn hoger opgeleid dan de Nederlandse bevolking, en de vergelijkingsgroep is daar op gematcht. Het verschil in rapportcijfer is daarmee niet te verklaren uit opleidingsniveau.
Wat een volledige zorgregistratie laat zien, buiten Nederland
Nederland heeft geen landelijke registratie van autismediagnoses, waardoor de derde meetlaag die bij ADHD wel bestaat hier ontbreekt. Zweden heeft die registratie wel. De cijfers hieronder gaan dus niet over Nederland, maar laten zien wat er met de man-vrouwverhouding gebeurt als iedereen met een diagnose in de telling zit.
2.756.779in Zweden geboren personen, geboortejaren 1985 tot 2020
De studie volgde 2.756.779 personen die tussen 1985 en 2020 in Zweden werden geboren, tot maximaal hun 37e jaar, met een mediane volgduur van 20,1 jaar.
78.552autismediagnoses tot en met 2022
Bij 78.552 personen werd tot en met 2022 een autismespectrumstoornis vastgesteld, oftewel 2,8 procent van het cohort: 49.581 mannen en 28.971 vrouwen.
Bron: Fyfe e.a., The BMJ (2026), tabel 1, Zweeds geboortecohort 1985-2020
14,3 jaarmediane leeftijd bij de diagnose
De mediane leeftijd bij de diagnose was 14,3 jaar, met een interkwartielafstand van 9,9 tot 17,6 jaar.
1,9 naar 1,2cumulatieve verhouding tot 20 jaar, 2016 naar 2022
De cumulatieve man-vrouwverhouding tot het twintigste levensjaar liep terug van ongeveer 1,9 in 2016 naar ongeveer 1,2 in 2022, terwijl die verhouding op tienjarige leeftijd rond 3 bleef staan.
1,0geprojecteerde cumulatieve verhouding tot 20 jaar in 2024
Een doorrekening van dezelfde patronen naar 2024 brengt de cumulatieve verhouding tot het twintigste jaar op 1,0, oftewel gelijk aantal mannen en vrouwen.
1,7verhouding voor de nauwere diagnose autistische stoornis, 95%-interval 1,7 tot 1,7
Voor de nauwere diagnose autistische stoornis, die bij 43.146 personen werd vastgesteld, was de man-vrouwverhouding 1,7 met een betrouwbaarheidsinterval van 1,7 tot 1,7.
2,7 tot 4,1man-vrouwverhouding volgens eerder onderzoek
De tot dan toe geschatte man-vrouwverhouding bij autisme lag volgens de literatuur tussen 2,7 en 4,1, hoger dan wat deze registermeting over de recente jaren vindt.
3,3 naar 117,2diagnoses per 100.000 persoonsjaren, 0 tot 4 jaar, 1985-1989 naar 2020-2022
Bij kinderen van 0 tot 4 jaar steeg het aantal nieuwe diagnoses van 3,3 per 100.000 persoonsjaren in 1985-1989 naar 117,2 in 2020-2022, en bij 10- tot 14-jarigen van 8,0 in 1995-1999 naar 564,1.
Bron: Fyfe e.a., The BMJ (2026), tabel 1, Zweeds geboortecohort 1985-2020
Nieuwe autismediagnoses per 100.000 persoonsjaren naar leeftijd bij de diagnose, diagnoses gesteld in 2020-2022 in Zweden, met de man-vrouwverhouding en het 95 procent-betrouwbaarheidsinterval.
| Leeftijd bij de diagnose | Mannen per 100.000 | Vrouwen per 100.000 | Verhouding (95%-interval) |
|---|---|---|---|
| 0 tot 4 jaar | 184,8 | 45,8 | 4,0 (3,5 tot 4,7) |
| 5 tot 9 jaar | 439,9 | 152,7 | 2,9 (2,7 tot 3,1) |
| 10 tot 14 jaar | 645,5 | 479,9 | 1,3 (1,3 tot 1,4) |
| 15 tot 19 jaar | 400,0 | 602,6 | 0,7 (0,6 tot 0,7) |
| 20 tot 24 jaar | 164,7 | 208,0 | 0,8 (0,7 tot 0,9) |
| 25 tot 29 jaar | 133,7 | 136,0 | 1,0 (0,9 tot 1,1) |
| 30 tot 34 jaar | 102,2 | 107,7 | 0,9 (0,9 tot 1,1) |
| 35 tot 37 jaar | 81,5 | 92,5 | 0,9 (0,7 tot 1,1) |
| Alle leeftijden, 1985-2022 | 173,8 | 106,9 | 1,6 (1,6 tot 1,7) |
Bron: Fyfe e.a., The BMJ (2026), tabel 1, Zweeds geboortecohort 1985-2020
Vanaf de leeftijd van 15 jaar kregen in Zweden in 2020-2022 meer vrouwen dan mannen een autismediagnose. De onderste rij gaat over de hele onderzoeksperiode van 1985 tot 2022 en is daarom hoger dan de verhoudingen in de rijen erboven. Uit het cohort zijn 980.405 personen (26,0 procent) uitgesloten omdat hun ouders buiten Zweden geboren zijn.
Valkuilen voordat je deze cijfers citeert
- De kop van het CBS-bericht en de tabel eronder noemen twee verschillende getallen Het CBS-nieuwsbericht van 2 april 2025 heet 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben, terwijl de tabel in datzelfde bericht als totaal 2,5 procent geeft, met 3,4 procent bij mannen en 1,7 procent bij vrouwen. Het driejaarsgemiddelde 2022/2024 is 2,5 procent; de 3 procent uit de kop is een afronding van het mannencijfer en de los gemeten jaren. Wie de kop citeert, citeert een ander getal dan wie de tabel citeert.
- De vraagstelling in de Gezondheidsenquete is tussen 2023 en 2024 veranderd Tot en met 2023 luidde de vraag of iemand een autismespectrumstoornis heeft, zoals het syndroom van Asperger of PDD-NOS. Vanaf 2024 zijn die twee voorbeelden geschrapt. Het percentage vrouwen steeg in datzelfde jaar van 1,6 naar 2,0 procent en het totaal van 2,4 naar 2,8 procent. Die stijging valt samen met een wijziging van het meetinstrument en mag niet als een zuivere inhoudelijke toename worden gelezen. Een reeks door 2023 en 2024 heen doortrekken kan niet.
- Een gemiddelde diagnoseleeftijd verbergt hier het hele verschil In het Nederlands Autisme Register is de gemiddelde leeftijd bij de autismediagnose 32,1 jaar bij mannen en 31,9 jaar bij vrouwen, een verschil dat niet significant is. De verdeling verschilt wel: 31,0 procent van de mannen kreeg de diagnose voor het achttiende jaar tegen 19,5 procent van de vrouwen, en 33,7 procent van de mannen kreeg hem na het 45e jaar tegen 21,6 procent van de vrouwen. Twee tegengestelde afwijkingen heffen elkaar in het gemiddelde op. Na correctie voor de huidige leeftijd van de deelnemers is de diagnoseleeftijd bij vrouwen wel later.
- Een vrijwillig register is geen prevalentiemeting, en hier draait het de verhouding om In het Nederlands Autisme Register is 56 tot 58 procent van de volwassen deelnemers vrouw, terwijl in elke zelfrapportage- en zorgmeting meer mannen dan vrouwen voorkomen. Het register bevat ongeveer 1 procent van de Nederlandse autistische bevolking, deelname is vrijwillig, en de deelnemers zijn veel hoger opgeleid dan de bevolking: 58,0 tegen 36,4 procent met hbo of universiteit. Het aandeel vrouwen in dit register zegt dus iets over wie zich aanmeldt, niet over hoe vaak autisme bij vrouwen voorkomt. Dat blijkt in hetzelfde register: over kinderen wordt in 74 tot 80 procent van de gevallen een jongen aangemeld.
- De losse meetjaren bij kinderen zijn te klein om te gebruiken Bij meisjes van 4 tot 8 jaar geeft de Gezondheidsenquete in 2021 een uitkomst van 0,0 procent en in 2024 van 0,7 procent met een betrouwbaarheidsinterval van 0,1 tot 5,0 procent. Bij jongens van 4 tot 8 jaar loopt het interval in 2024 van 2,9 tot 9,7 procent. Alleen de driejaarsgemiddelden die het CBS er zelf bij publiceert zijn bruikbaar. Een krantenkop over een sprong in een los jaar bij kinderen rust op ruis.
- Misdiagnose is hier het oordeel van de deelnemer, en het verschil zit niet waar het lijkt De 31,7 procent van de vrouwen die minstens een eerdere diagnose als onjuist ervaart, is zelfrapportage en geen klinische herbeoordeling. Belangrijker: binnen de groep die al een eerdere diagnose had, is er geen verschil tussen mannen en vrouwen in de kans dat die als onjuist wordt ervaren, met een p-waarde van 0,492. Het verschil tussen de 31,7 en de 16,7 procent komt bijna volledig doordat vrouwen vaker een eerdere psychiatrische diagnose hadden: 53,7 tegen 31,0 procent.
- De bronnen spreken op twee plaatsen zichzelf tegen De Zweedse registerstudie meldt in de samenvatting 78.522 autismediagnoses, terwijl tabel 1 van dezelfde studie 78.552 geeft, de som van 49.581 mannen en 28.971 vrouwen. Op deze pagina staat 78.552, omdat dat getal binnen de tabel klopt. In het artikel over het Nederlands Autisme Register geeft tabel 1 bij hoogopgeleid een totaal van 38,2 procent, terwijl de lopende tekst 46,6 procent noemt en 463 van de 994 deelnemers op 46,6 procent uitkomt. Op deze pagina is 38,2 procent niet gebruikt.
- Zweden is geen Nederland, en Nederland mist de middelste meetlaag VZinfo stelt dat er in Nederland geen onderzoek is gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis. Daardoor bestaat er voor Nederland geen cijfer over wie daadwerkelijk een autismediagnose van een behandelaar kreeg, en vullen alleen zelfrapportage en een vrijwillig register de ruimte. De Zweedse cijfers op deze pagina laten zien wat zo'n registratie oplevert, maar ze gelden voor een ander zorgstelsel en een andere registratiepraktijk en zijn niet naar Nederland over te zetten.
Belangrijkste conclusies
- Er bestaat geen enkel getal voor de man-vrouwverhouding bij autisme. De zes metingen op deze pagina geven verhoudingen van 0,7 staat tot 1 tot 4,0 staat tot 1, afhankelijk van wie er gemeten wordt, door wie en op welke leeftijd.
- In de Nederlandse zelfrapportage is de verhouding tussen 2022 en 2024 gedaald van 2,4 naar 1,8 staat tot 1, doordat het percentage vrouwen opliep van 1,4 naar 2,0 procent terwijl het percentage mannen rond 3,4 bleef. De vraagstelling is in diezelfde periode gewijzigd, dus de daling is niet los te zien van het meetinstrument.
- Bij kinderen tot 12 jaar is de verhouding in negen driejaarsgemiddelden tussen 2,7 en 3,7 staat tot 1 gebleven, zonder richting. De verschuiving zit bij volwassenen, niet bij kinderen.
- Het Nederlands Autisme Register keert de verhouding om: 56 tot 58 procent van de volwassen deelnemers is vrouw. In hetzelfde register wordt over kinderen in 74 tot 80 procent van de gevallen een jongen aangemeld. Hetzelfde register, twee tegengestelde verhoudingen, afhankelijk van wie het formulier invult.
- Van de 1.211 volwassenen in dat register had 42,9 procent voor de autismediagnose al een andere psychiatrische diagnose: 53,7 procent van de vrouwen tegen 31,0 procent van de mannen.
- Een kwart van die groep, 24,6 procent, ervaart minstens een van die eerdere diagnoses als onjuist. Bij vrouwen is dat 31,7 procent en bij mannen 16,7 procent, en het vaakst gaat het om een persoonlijkheidsstoornis: 17,9 procent van de vrouwen tegen 6,1 procent van de mannen.
- Op het moment van de meting had 51,5 procent van de vrouwen in het register minstens een bijkomende psychiatrische diagnose, tegen 35,7 procent van de mannen, terwijl de gemeten autismekenmerken op de AQ-Short tussen mannen en vrouwen niet verschilden.
- De gemiddelde leeftijd bij de autismediagnose verschilt in dit register niet tussen mannen en vrouwen, 32,1 tegen 31,9 jaar, maar de verdeling erachter wel: mannen krijgen de diagnose vaker voor het achttiende jaar of na het 45e, vrouwen vaker tussen 18 en 35 jaar.
- Vergeleken met een op leeftijd, geslacht, opleiding en geboorteland gematchte groep uit de algemene bevolking gaven vrouwen met autisme hun leven in 2020 een 6,2 tegen een 7,8, en hun psychische gezondheid een 6,3 tegen een 7,7.
- In de Zweedse zorgregistratie, die Nederland niet heeft, kregen vanaf de leeftijd van 15 jaar in 2020-2022 meer vrouwen dan mannen een autismediagnose, met een verhouding van 0,7 bij 15- tot 19-jarigen tegen 4,0 bij 0- tot 4-jarigen.
Methodologie en bronnen
Alle cijfers op deze pagina komen uit bronnen die voor deze pagina zelf zijn opgevraagd en nagelezen. De Nederlandse zelfrapportagecijfers zijn via de open-data-API van het CBS uit de StatLine-tabellen 85454NED (personen van 4 jaar en ouder) en 83716NED (kinderen tot 12 jaar) gehaald, per los meetjaar en met de 95 procent-betrouwbaarheidsintervallen die het CBS erbij levert; de driejaarsgemiddelden bij kinderen zijn de reeks die het CBS zelf publiceert. De cijfers over het Nederlands Autisme Register komen uit twee plaatsen: de jaarrapportage 2023, die lokaal uit de PDF is uitgelezen, en de databestanden achter het dashboard dat het register en het CBS samen publiceren, die als JSON zijn opgehaald zodat geen getal van een grafiek is afgelezen. De cijfers over eerdere en bijkomende diagnoses komen uit het artikel van Kentrou en anderen in eClinicalMedicine (2024), dat de vijfde meetronde van het register uit 2019 analyseert; de volledige tekst en de tabellen zijn via Europe PMC opgehaald. De Zweedse cijfers komen uit het artikel van Fyfe en anderen in The BMJ (2026) en staan er uitsluitend bij omdat Nederland geen landelijke registratie van autismediagnoses heeft. Bij elk getal staat het meetinstrument, de groep en het meetjaar, omdat zelfrapportage, een vrijwillig register en een zorgregistratie verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag en alle drie kloppen binnen hun eigen definitie. De verhoudingen in de kolommen Verhouding (berekend) zijn delingen van de twee kolommen ervoor en staan niet als zodanig in de bronnen. Een figuur uit de registerfactsheet van 2017 over de diagnoseleeftijd per geslacht is niet gebruikt, omdat de kolomlabels daarvan niet in de tekstlaag van die PDF staan; de diagnoseleeftijd per geslacht op deze pagina komt uit de tabellen van het eClinicalMedicine-artikel, die wel in tekst beschikbaar zijn.
Elk cijfer op deze pagina is afkomstig uit een bron die is geopend en gecontroleerd. Waar een cijfer niet bestaat, staat dat er zo. Er is niets geschat en niets afgerond zonder dat het erbij staat.
Gebruikte bronnen
- CBS StatLine, Ervaren gezondheid, zorggebruik en leefstijl bij kinderen tot 12 jaar (tabel 83716NED), eigen query via de open-data-API
- CBS StatLine, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (tabel 85454NED), eigen query via de open-data-API
- CBS, 3 procent van de bevolking geeft aan een autismespectrumstoornis te hebben (2 april 2025)
- CBS, begripsomschrijving autismespectrumstoornis (ASS) bij het nieuwsbericht van 2 april 2025
- Fyfe e.a., The BMJ (2026), tabel 1, Zweeds geboortecohort 1985-2020
- Kentrou e.a., eClinicalMedicine (2024), tabel 1, Nederlands Autisme Register, n=1.104
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand inkomen.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand onderwijs_regulierspeciaal.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand onderwijs_vrijstelling.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand relaties.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand welzijn.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register en CBS, databestand werk.json bij het dashboard NAR-CBS Cijfers
- Nederlands Autisme Register, Rapportage 2023, algemene informatie over deelnemers
- VZinfo (RIVM), Autismespectrumstoornis, over autismespectrumstoornis
Veelgestelde vragen
Hoeveel vaker komt autisme voor bij mannen dan bij vrouwen in Nederland?
Dat hangt af van de meting. In de Gezondheidsenquete van 2024 gaf 3,6 procent van de mannen en 2,0 procent van de vrouwen van vier jaar en ouder aan een autismespectrumstoornis te hebben, een verhouding van 1,8 staat tot 1. In 2022 was dat 3,4 tegen 1,4 procent, oftewel 2,4 staat tot 1. Bij kinderen tot 12 jaar noemen ouders 4,3 procent van de jongens en 1,5 procent van de meisjes, een verhouding van 2,9 staat tot 1. De vaak geciteerde verhouding van 3 staat tot 1 is een internationale schatting voor gediagnosticeerde autismespectrumstoornis, geen Nederlandse meting.
Waarom staan in het Nederlands Autisme Register meer vrouwen dan mannen?
Omdat deelname vrijwillig is. Mensen melden zich zelf aan, en in de jaren 2016 tot 2022 was 53 tot 58 procent van de volwassen deelnemers vrouw. Het register bevat ongeveer 1 procent van de Nederlandse autistische bevolking en de deelnemers zijn veel hoger opgeleid dan de bevolking: 58,0 tegen 36,4 procent met hbo of universiteit. Het aandeel vrouwen zegt dus iets over wie zich aanmeldt. In hetzelfde register wordt over kinderen juist in 74 tot 80 procent van de gevallen een jongen aangemeld, en daar meldt een ouder aan.
Is de man-vrouwverhouding bij autisme aan het veranderen?
In de Nederlandse zelfrapportage onder volwassenen wel: de verhouding liep tussen 2022 en 2024 terug van 2,4 naar 1,8 staat tot 1. Daarbij hoort een belangrijke kanttekening, want het CBS heeft de vraagstelling tussen 2023 en 2024 gewijzigd. Bij kinderen tot 12 jaar bleef de verhouding over negen driejaarsgemiddelden tussen 2,7 en 3,7 staat tot 1 liggen, zonder richting. In de Zweedse zorgregistratie daalde de cumulatieve verhouding tot het twintigste jaar van ongeveer 1,9 in 2016 naar ongeveer 1,2 in 2022.
Hoeveel vrouwen met autisme hebben nog een andere psychiatrische diagnose?
In de meting van 2019 onder 1.211 volwassen deelnemers aan het Nederlands Autisme Register had 51,5 procent van de vrouwen op dat moment minstens een bijkomende psychiatrische diagnose, tegen 35,7 procent van de mannen. Over de hele groep was dat 44,0 procent. Internationaal wordt geschat dat 70 tot 80 procent van de autistische volwassenen aan de criteria van minstens een andere aandoening voldoet, dus de 44,0 procent uit dit register ligt lager dan die schatting.
Wat betekent het cijfer dat een op de drie vrouwen met autisme een misdiagnose had?
Dat 31,7 procent van de vrouwen in het register aangaf minstens een psychiatrische diagnose van voor de autismediagnose als onjuist te ervaren, tegen 16,7 procent van de mannen. Het gaat om het oordeel van de deelnemer zelf en niet om een klinische herbeoordeling. Binnen de groep die al een eerdere diagnose had, is er geen verschil tussen mannen en vrouwen; het verschil ontstaat doordat vrouwen vaker een eerdere diagnose hadden, 53,7 tegen 31,0 procent.
Welke eerdere diagnose wordt het vaakst als onjuist ervaren?
Een persoonlijkheidsstoornis. Van alle 1.211 deelnemers noemde 12,3 procent die als onjuist, en bij vrouwen was dat 17,9 procent tegen 6,1 procent bij mannen. Daarna volgen angststoornissen (6,6 procent), stemmingsstoornissen (6,2 procent), chronischevermoeidheidssyndroom of burn-out (4,0 procent) en ADHD of ADD (2,8 procent). Bij ADHD of ADD is er geen verschil tussen mannen en vrouwen.
Op welke leeftijd krijgen vrouwen in Nederland een autismediagnose?
In het Nederlands Autisme Register was de gemiddelde leeftijd bij de autismediagnose 31,9 jaar bij vrouwen en 32,1 jaar bij mannen, een verschil dat niet significant is. De verdeling verschilt wel: 19,5 procent van de vrouwen kreeg de diagnose voor het achttiende jaar tegen 31,0 procent van de mannen, en 37,2 procent van de vrouwen kreeg hem tussen 18 en 35 jaar tegen 14,6 procent van de mannen. Na correctie voor de huidige leeftijd van de deelnemers kregen vrouwen de diagnose wel op latere leeftijd.
Bestaat er een Nederlands cijfer over hoeveel mensen een autismediagnose hebben gekregen?
Nee. VZinfo stelt dat er in Nederland geen onderzoek is gedaan naar het aantal geregistreerde diagnosen van autismespectrumstoornis. Wat er is, is zelfrapportage uit de Gezondheidsenquete, een vrijwillig register, en een schatting van ongeveer 1 procent van de bevolking die op internationaal prevalentieonderzoek rust. De middelste laag, een landelijke zorgregistratie, ontbreekt.
Hoe is het welzijn van vrouwen met autisme gemeten?
Met rapportcijfers van 1 tot 10 voor vijf levensgebieden, vergeleken met een groep uit de algemene bevolking die op leeftijd, verdeling man en vrouw, opleidingsniveau en geboorteland op de deelnemers is gematcht. In 2020 gaven vrouwen met autisme hun leven een 6,2 tegen een 7,8 in de vergelijkingsgroep, hun psychische gezondheid een 6,3 tegen een 7,7 en hun lichamelijke gezondheid een 6,2 tegen een 7,0.
Wie deze cijfers verzamelde
Deze pagina is samengesteld door DiversaMente, de praktijk van Maan Kulhanek, psycholoog in Haarlem. DiversaMente biedt kortdurende psychologische begeleiding aan vrouwen met ADHD of autisme die vastlopen in werk, thuis of allebei. De gesprekken zijn wandelend, in Haarlem, de duinen of aan het strand, of via videobellen. Het is persoonlijke begeleiding, gericht op de gevolgen van ADHD of ASS, en er is geen wachtlijst.
De cijfers hierboven gaan over groepen en zeggen niets over een individuele situatie. Meer over DiversaMente: diversamente-psychologie.nl, ADHD-begeleiding voor vrouwen of autisme-begeleiding voor vrouwen.
Voor vragen van journalisten over de cijfers op deze pagina, bijvoorbeeld over definities, peilmomenten of noemers, is DiversaMente via de website bereikbaar. Een bronvermelding met een link naar deze pagina wordt gewaardeerd.
Meer cijferoverzichten
- Burn-out bij vrouwen in cijfers
- Wachttijden in de ggz bij ADHD en autisme
- ADHD, autisme en werk in cijfers
- ADHD en autisme bij vrouwen en mannen
- ADHD-medicatie bij vrouwen
- Hulp zoeken bij psychische klachten in cijfers
- Mantelzorg en dubbele belasting in cijfers
- Meisjes en jonge vrouwen in cijfers
- Mentale gezondheid in cijfers
- Overgang en werk in cijfers
- Psychologen in Nederland in cijfers
- Slaapproblemen bij vrouwen in cijfers
- Van huisarts tot arbeidsongeschiktheid in cijfers
- Verzuim door psychische klachten in cijfers
- Kosten van de ggz
- Wat psychische hulp zelf kost in cijfers
- Werkdruk en werkstress in cijfers
- Zelfstandigen en burn-out in cijfers